Stichtelijke overdenking.
"Alles is uwe." I Corinthe 3 : 21.
Een rijk volk.
Tot de zeven gemeenten van Klein-Azie, waaraan de apostel Johannes zijn brieven gericht heeft, behoort ook de gemeente van Smyrna.
En het is een eigenaardig woord dat de apostel in den Naam des Heeren die gemeente heeft toegeroepen: „Ik weet uwe armoede, doch gij zijt rijk."
De gemeente van Smyrna was dus een arme gemeente, wellicht de armste van al de gemeenten die ons onder het beeld der zeven gouden kandelaren woïden voorgesteld, maar ondanks haar armoede was toch de allergrootste rijkdom haar deel.
Arm en toch ryk; dat is een schijnbare tegenstelling, maar die door ieder kind des Heeren uitnemend kan worden opgelost en verklaard. Immers waarin hééft die rijkdom van de gemeente van Smyrna bestaan? Zou het niet daarin wezen dat zij te midden van den dood het leven bezat, dat zij te midden van alle duisternis zich mocht verheugen in het licht, dat zij te midden van al het tijdelijke en vergankelijke zich in het onvergankelijke en eeuwige verlustigen mocht?
En zoo was het waarlijk niet alleen met die gemeente van Smyrna geweest.
Zoo was het ook met die gemeente aan wie de apostel Paulus het woord, dat wij hierboven schreven, heeft gericht. En zoo is het nog met de gansche Kerk des Heeren, die op het fundament van apostelen en profeten is gebouwd en waarvan Jezus Christus, de eens vernederde, maar nu verhoogde en verheerlijkte Middelaar, de uiterste hoeksteen is.
Gods volk is een rijk volk, en de apostel heeft dien rijkdom der gemeente uitgedrukt in het «alles is uwe."
Op zichzelf is dat een raadselachtig woord. Immers hoe menigmaal schijnt het juist andersom te wezen! Hoe dikwijls lijkt het niet alsof degenen die den Heere vreezen van alles verstoken zijn, alsof zij alles tegen, zich hebben.
Wanneer er nu nog stond: alles is uwe geweest, we zouden het kunnen begrijpen. Immers eenmaal in het Paradijs, voor dat de mensch nog in zonde was gevallen, was hij de koning der schepping en kon hij dus zonder grootspraak zeggen dat alles wat God geschapen had zijn eigendom was.
Of ook als er nu nog stond: alles zal eenmaal weer uwe zijn, ook dan zou het ons niet zoo vreemd in de ooren klinken. Immers als erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus zulleni Gods Kerk eenmaal alle schatten en gaven in den schoot worden geworpen.
Maar er staat niet: alles is uwe geweest, en ook niet: alles zal uwe zijn, maar: alles is uwe. Dat woord wordt hier dus gesproken tot Gods strijdende Kerk; dat woord wordt hier gezegd tot zulke menschen die hier, evenals de Heere Jezus tijdens Zijne omwandehng op deze aarde, vaak geen plaats hebben om het moede hoofd ter ruste te leggen. Dat woord wordt hier toegeroepen aan dezulken aan wien vaak niet alleen door de machten dezer wereld iedere voet gronds wordt betwist, maar die, als zij wèl staan, ook van zich zelve belijden dat zij hier op aarde gasten en vreemdelingen zijn.
Is die uitspraak dus niet wat overdreven? Schijnt zij niet al te zeer in sttijd met de sombere werkelijkheid?
En zeker, we stemmen aanstonds toe, wanneer we alleen aanzien wat voor oogen is, dan schijnt deze uitspraak wat vreemd en dan lijkt zij ons minstens aan redelijken twijfel onderhevig te zijn.
Maar als we niet aanmerken de dingen die wij zien; wanneer we eens een oogenblik een weinig dieper zien dan de oppervlakte en we hebben een oog gekregen voor de eeuwige dingen Gods, dan bemerken we dat deze uitspraak des apostels niet zoo vreemd is als zij wel lijkt, dan leeren we iets begrijpen van wat hij met doze uitspraak bedoelt.
Alles is uwe. Neen, daar bedoelt de apostel niet mee dat Gods strijdende Kerk reeds nu in het volle bezit van alles zou wezen en dat zij reeds nu over alles de vrije en ongestoorde beschikkiug zou hebben. Maar ook in het natuurlijk, leven kunnen we iets bezitten, zonder dat we nochtans in het volle genot er van zijn. Een kind van rijke ouders b.v, is vaak nog-wei niet in het volle genot van de schatten die hem door zijn ouders zijn opgelegd, maar die schatten worden toch ten zijnen nutte besteed en ten zijnen dienste bewaard.
En zoo is het nu ook met de kinderen van dien schatrijken Vader, die in de hemelen is. Zij mogen nog niet in het persoonlijk, in het rechtstreeksch bezit zijn van het goed dat de Heere voor hen weggelegd heeft, maar toch is alles wat de Heere bezit in Christus óok het eigendom van Zijn volk geworden. Of hoe zou Hij die Zijnen eeniggeboren Zoon niet gespaard heeft maar heeft Hem voor hen allen overgegeven, hun met Hem niet alle dingen schenken?
Ja, alles is uwe. En wat hij met dat alles bedoelt, dat heeft de apostel nog verder in enkele woorden samengevat.
Hij zegt: hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe.
Met de namen Paulus, Apollos en Cephas heeft de apostel klaarblijkelijk gedoeld op de prediking van het evangelie, op den dienst van Gods Woord. Deze heeft hij in de eerste plaats beschouwd als een schat die der gemeente des Heeren was toevertrouwd. En als hij hier de drie namen noemt van hen die alien in die gemeente gearbeid hadden, dan wil hij daarmee doen uitkomen dat hij de verscheidenheid, die daar in de dienaren van het evangelie bestond, juist aanmerkte als een gave Gods, waarmede de gemeente haar winst had te doen. Immers daar was tusschen den geleerden Paulus, den weisprekenden Apollos en den eenvoudigen Petrus een groot onderscheid wat gaven betrof, maar bij alle verschil kwamen zij hierin overeen, dat zij als predikers van het evangelie van Christus het eigendom waren van de gemeente die Hij zich hier had gesticht.
Maar op het eerste hoofdstuk van dezen geestelijken inventaris laat de apostel een tweede volgen. En dat tweede vangt aan met een zeer eigenaardig bezit, nl. het bezit van de wereld. Hetzij de wereld! Met deze wereld heeft Paulus natuurlijk niet bedoeld de zondige wereld, de dienst der zonde; maar met deze wereld heeft hij wel op het oog het machtig geheel der geschapen dingen met al de krachten die er in werken en die de mensch heeft te ontdekken opdat hij ze aanwende tot de verheerlijking Gods.'
Welnu ook die wereld is het eigendom van Gods volk. Het is er dus verre vandaan dat die wereld aan de kinderen dezer wereld mag worden overgelaten en dat Gods kinderen mogen doen alsof de wereld als zoodanig voor hen van geen beteekenis is. O we weten dat er velen geweest zijn en nog zyn door wie het zoo wordt voorgesteld dat iemand die den Heere vreest zich zooveel mogelijk aan de wereld moet onttrekken. Dat dezulken mochten bedenken dat niet alleen de Heere Jezus tegen dat weggaan uit de wereld gewaarschuwd heeft, maar dat ook de apostel Paulus met dat „de wereld is uwe" ons geleerd heeft dat Gods volk ook de geschapen wereld als haar eigendom beschouwen mag.
Maar aan de reeds genoemden voegt de apostel nog vier zaken toe die eveneens als het eigendom van Gods kinderen kunnen worden aangemerkt. Immers hij spreekt ook over het leven, over den dood, over tegenwoordige en over toekomende dingen. Onder dat leven nu kunt gij ongetwijfeld ook het geestelijk leven verstaan, dat leven dat door den Heiligen Geest in het hart wordt gewerkt, maar we mogen nooit vergeten dat dat geestelijk leven slechts het beginsel is, waardoor het gansche leven van Gods gemeente beheerscht moet worden. Ook het natuurlijk leven dus by al zijn vertakkingen is.het eigendom van Gods Kerk en rnoet diensvolgens door haar den Heere worden toegewijd.
Maar niet slechts het leven, ook de dood wordt door den apostel genoemd als een schat waardoor de rijkdom van Gods volk nog vermeerderd wordt. Schijnbaar vreemd dat ook de dood hier in dit verband wordt genoemd. O neen, de natuurlijke mensch kan dat niet begrijpen dat de dood, die voor hem het grootste verlies schijnt, ooit winste kan wezen. Maar als we den dood mogen beschouwen niet meer als een betaling voor de zonde, maar als een afsterven van de zonde en een doorgang tot het eeuwig leven, dan verstaan wij er iets van dat tot de dingen, die aan de gemeente van Christus toebehooren ook de dood wordt genoemd.
Ja alle, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij kunnen tot de bezittingen van allen die den Heere vreezen gerekend worden. Alle vreugde dus, maar ook alle smart, alle genieting dus, maar ook alle lijden, alle voorspoed dus, maar ook alle tegenspoed, kortom alle dingen die de Heere hier op aarde Zijnen kinderen toeschikt, zij moeten immers medewerken ten goede! En als dat met de tegenwoordige dingen zoo is, zal het dan niet veel meer zoo zijn met de toekomende dingen, zal het dan niet veel meer zoo zijn met die zaligheid, die heerlijkheid en die heiligheid, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, met die verzadiging van vreugde, die daar voor Gods aangezicht zal gesmaakt worden, met die liefelijkheden die in Zijne rechterhand eeuwiglijk zullen zijn?
Van al deze dingen is Gods Kerk de wettige bezitster te noemen. Ook al heeft zij over dat alles de vrije beschikking nog niet, toch heeft zij het eerlijk van den Heere ontvangen en is het haar zelfs van voor de grondlegging der wereld bereid.
O wat een rijk volk is dan het volk van God. Niets hebbende en nochtans alles bezittende! Neen, de gansche wereld kan niet bevatten hoe rijk zij wel zijn.
Gelukkig als gij u door genade mede tot dat volk moogt rekenen tot hetwelk de apostel Paulus dit kostelijk woord heeft gericht. Dan zult gij er ook iets van verstaan dat de Heere u al die schatten gaf, niet opdat gij daarvan voor uzelve een eerzuil zoudt stichten, maar opdat gij er mee zoudt eindigen in Hem die ze u schonk. Immers het is waarlijk niet voor niet dat de apostel op het „alles is uwe" nog volgen liet: „doch gij zijt van Christus en Christus is Gods."
Mocht dit dus door Gods gemeente maar steeds recht worden verstaan dat de Heer haar alleen daarom zoo rijk heeft gemaakt opdat zij haar kroon zou neerleggen aan de voeten van Christus en opdat alzoo in en door Hem de Naam des Drieëenigen zou ontvangen de lof en de eer, de aanbidding en de dankzegging tot in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's