De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

Vrede door het bloed des kruises.

Dat de Vrijzinnigen geest en hoofdzaak van de leer der Hervormde Kerk verwerpen en in heel hun spreken en handelen tegen het karakter van onze Gereformeerde Kerk ingaan, is bekend. Toch is het goed, om er telkens weer eens de aandacht op te vestigen, want het is allerbedroevendst en het. mag toch zoo niet blijven. Die de waarheden van het Evangelie verwerpt is niet Evangelisch; die de leer der Hervormde Kerk verkracht is niet Hervormd.

Over het kruis van Christus, over Zijn lijden en sterven, over het bloed op Golgotha uitgestort, stond enkele jaren geleden (1906) een artikel in „ Geloof en Vrijheid, " waar we, zoo vlak na Paschen, gaarne wat uit overnemen. We zeggen er verder niets van. 't Past bij de Avondmaalsviering van de Vrijzinnigen. Rechtzinnige menschen, die met den geest en met de hoofdzaak van de leer onzer Herv.Kerk instemmen, moeten er het Avondmaalsformulier eens naast leggen en eens zien wat de Ned. Geloofsbelijdenis en de Held. Catechismus op dit punt zegt.

't Is curieus hoe „Evangelisch" de Evangelischen zijn.

't Lijkt op elkaar als wit op zwart,

o­ 't Past bij elkaar als vuur en water.

o­ 't Een is de veroordeeling van het ander.

In „Geloof en Vrijheid" 40ste jaarg. 5 afl. schrijft A. Scholte van Oostburg dan:

„De verzoeningsleer heeft meer dan eenig ander theologisch twistpunt thans weder de aandacht getrokken."

„Het Bijbelsch begrip van verlossing is vaak onder den invloed van wijsgeerige en juridische theorieën verloren gegaan."

„De leer der plaatsvervangende gerechtigheid van Christus, door Anselmus ontwikkeld en die van het plaatsvervangend straflijden van Christus, door de mystieken, onder anderen door Bonaventura voorgestaan, heeft de leer des Evangelies geheel onkenbaar gemaakt."

„Waar in het N. T. wordt gesproken van den dood van Christus, of van het bloed, waarmede Hij ons Gode gekocht heeft (openb. 3:5) dan moeten wij altijd denken aan den dood des kruises."

„Kruisdragen beteekent: lijden ten onrechte, omdat men goed doet, het onrecht geduldig verdragen om der waarheid en gerechtigheid wil."

„Het kruis van Christus was den Joden een ergernis en den Grieken een dwaasheid. En daarom moest tot verdediging van den Heer gestadig er op gewezen worden, hoe reeds van oude tijden af de besten en edelsten van ons geslacht strijd en lijden hadden te verdragen.

Dat was een beschikking Gods tot behoud en zegen der menschheid.

Alzoo heeft ook Jezus Christus zélf geoordeeld. „Van toen af begon Jezus zijn discipelen aan te toonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derde dage opstaan" Matth. 16 ; 21. Ook lezen we Matth. 26:56

„doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten zouden worden vervuld."

Jezus moest gaan. Dat was een beschikking Gods tot behoud en zegen der menschheid. En daarom heeft Jezus zich vrijwillig overgegeven tot in den dood, ja den dood des kruises. Welk een schoone lesl Welk een krachtige opwekking en bemoediging voor de geloovigeri."

„Van het menschelijk geslacht in Jezus' tijd kon met recht worden getuigd, dat het dood was in zonden en misdaden; werelddienst en vormendienst voerden heerschappij.

Het zedelijk gevoel was algemeen verzwakt en de eisch der zelfverloochening werd bespot. En nu, te midden van dat geslacht treedt de Rechtvaardige op.

De zondaars zien in Hem als in een helderen spiegel een berisping van hun gedrag. En de schijnheiligen beschouwen Hem als een getuige tegen zichzelven. Wanneer Hij dan den moed heeft hen in het aangezicht te wederstaan en een ernstige poging waagt, hen terug te brengen van den weg der ongerechtigheid, dan zijn ze aangetast in hun zwak. Zij gevoelen zich beleedigd en na Hem eerst belachen en belasterd te hebben grijpen zij naar de steenen om Hem te verpletteren.

Zóó is de wereld, 't Is ook opmerkelijk, dat reeds eeuwen vóór Christus een Grieksch wijsgeer heeft gezegd: „indien de deugd in menschengestalte op aarde kwam, zou zij aan het kruis worden gehecht."

Zóo gaat het in de wereld volgens een vaste wet door God zelven in de zedelijke wereldorde gesteld. De Zendelingen onder de heidenen kunnen daarover medespreken.

Maar mag men nu, ten einde dat droevig lot te ontgaan en dat gevaar te ontloopen, den mond houden om geen ergernis te geven? Moet men den dwalenden maar gelijk geven en zelfs met hen meedoen om geen uitzondering te maken? Mag men verdraagzaam zijn ten opzichte van de zonde en kwade practijken, om rustig en veilig te leven en intusschen anderen laten voorthollen op het pad des verderfs?

Neen, het is een goddelijke wet en tevens in overeenstemming met de ware menschelijke natuur, den naasten te helpen. Door God is in het harte van den rechtgeaarden mensch een innerlijke drang gelegd, den medemensch te redden uit den nood, vooral op geestelijk en zedelijk gebied. Mededoogen grijpt hem aan en geeft kracht om zich al dat leed en doodsgevaar te getroosten evenals een geneesheer, die zich niet ontziet ijverig werkzaam te zijn te midden van een besmettelijke ziekte. Er spreekt een stem in zijn binnenste: ik kan niet anders, de nood is mij opgelegd. Hij is gelijk aan een krijgsheld, die door zijn bevelhebber op een gevaarlijke eervolle post is geplaatst.

Zóo was Jezus Christus. Hij was overtuigd dat Hij tusschen twee wegen moest kiezen: óf ontrouw te worden aan roeping en bestemming óf naar dat Jeruzalem te gaan, dat de profeten vermoordde.

Maar Jezus koos „den moeilijken weg (Spr. 15 : 24)."

„Jezus was dan binnen Jeruzalem. Daar vond Hij wat Hij verwachtte. Het duurde niet lang of Hij was het mikpunt van allen, die bevreesd waren voor veranderingen op het gebied van godsdienst en staat. De machten der duisternis schijnen tegen Hem losgelaten te worden. List en verraad, zwakheid en ontrouw, leugen en geweld, al de misdaden voortvloeiende uit den zondigen aard der menschen hebben Hem gekweld.

De zonden zijn volgens Rom.1 de natuurlijke gevolgen van de zonde.

Jezus stond bloot aan de uitbarsting van de innerlijke boosheid van het menschengeslacht, waarónder Hij is opgetreden; en Hij heeft dien last met geduld gedragen.

In dien zin, en in dien zin alleen, kan op Jezus Christus worden toegepast: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten gedragen. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden." (Jes. 53.)

De geloovigen kunnen zeggen met Petrus:

„Hij heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout." (1 Petr. 2:28).

„Van een geduldig lijder gaat altijd kracht uit ten goede. De toeschouwer wordt door die stille berusting getroffen. Welk een gunstigen indruk moet dan wel niet maken een onschuldige lijder, die miskend, gegriefd, mishandeld, alle onrecht verdraagt .zonder verwijt of bedreiging, zonder wrevel of haat."

„Zoo wijkt de vijandschap. Zoo wordt het kwade overwonnen door het goede."

„De wettische vroomheid maakte plaats voor het innerlijke leven des geestes.

De Vorst kwam in zijn rijksgebied, God in het menschelijk hart terug."

„Jezus Christus riep door Zijn machtige persoonlijkheid een nieuw geslacht in het leven, dat de wet der liefde en der vrijheid op 't hoogst waardeerde en zich voornam niets te weten dan Christus en Dien gekruist.

Alzoo verrees de tempel, welke niet met banden is gemaakt. Alzoo kwam de gemeente des Heeren tot stand welke Hij zich verworven heeft door Zijn eigen bloed.

En het bloed der martelaren, die met stil geduld of vrolijk lofgezang den wreedsten dood te gemoet gingen, was het zaad der Kerk.

Stefanus geduldig lijden maakte op den jeugdigen Saulus zulk een onuitwischbaren indruk, dat het hem naderhand hard viel de verzenen tegen de prikkels te slaan."

„Het kruis van Christus wijst ons op onzen plicht en op onze gemeenschappelijke taak." „Paulus vraagt: weet gij niet, dat zoo velen wij tot Christus Jezus gedoopt zijn, wij tot zijnen dood zijn gedoopt? Rom. 6 : 3.

Wij zijn onderworpen aan het lijden om der gerechtigheid wil.

Mochten alle leden der Chr. Kerk en inzonderheid hare voorgangers steeds gedachtig zijn aan de woorden van den grooten heidenapostel: ik heb voorgenomen niets onder u te weten dan Jezus Christus en dien gekruist." 1 Cor. 2:2.

Is het niet verschrikkelijk om zoo iets' te lezen?

De inhoud van de prediking is dus: doe je plicht!

De troost voor het zondaarshart: doe je plicht!

Dat is de taal van het kruis in het midden van een zondige menschheid! . .

Een medewerker schrijft ons:

Ongevraagde recensie van een recensie.

Terzelfder tijd, dat de medewerker aan „De Waarheidsvriend" onder het hoofd van: Ethische voorlichting zijn gedachten op schrift stelde aangaande de brochure van Dr. Slotemaker de Bruyne aangaande de plaats en taak van de Herv. Kerk, verscheen in het Kerkelijk Weekblad, gewijd aan de belangen der Ned. Hervormde Gemeente te 's Gravenhage, (2e jaargang, no. 44—49, t. w. de nummers van 2 Nov.—7 Dec. 1912) een serie van zes artikelen van de hand van Dr. J. H. Gerretsen, predikant te 's Gravenhage, insgelijks naar aanleiding van bovengenoemde brochure.

Deze artikelen, waarvan de medewerker aan dit blad eerst in den laatsten tijd kennis kon nemen, nog wel dank verschillende door hem daartoe in het werk gestelde pogingen, hebben in vrij sterke mate de aandacht der kerkelijke pers, in 't bijzonder die van Overzichtschrijvers getrokken. Ignotus, indien wij de N. R. G. mogen gelooven: Dr. P. J. Kromsigt 1) heeft in Troffel en Zwaard 2) er van gezegd, dat Dr. Gerretsen zich daarin een first-rate theoloog heeft betoond, die nooit schrijft zonder iets te zeggen te hebben, wiens artikelen tot het beste behooren, dat er in de laatste jaren van ethische zijde over de Kerk verschenen is, nóg belangrijker dan de brochure zelve, waarvan die artikelen de recensie zijn 3), en de Kroniekschrijver, die nu meer dan veertig jaren lang zijn stem heeft verheven „voor waarheid en vrede" — blijkens de uitkomst, waarop hij vooral in den laatsten tijd ('t meegaan b.v. van de liberalen met de socialisten 4 ) mag bogen: een stem des roependen in de woestijn, gelijk men dit met een uit het verband genomen uitdrukking noemt — heeft er onlangs het volgende van gezegd: , , Wij treden — aldus schrijft hij 5) — in geen geval hier in debat met Dr. Gerretsen. Alleenlijk willen wij een woord van droefheid en protest doen hooren tegen zijn oordeel over den toestand en de toekomst der Kerk welker dienaar hij is. Volgens hem is er aan onze Kerk zoo goed als niets meer te prijzen en valt van haar niets meer te wachten."

Na een citaat uit het laatste artikel van Dr. G. gaat Dr. Bronsveld aldus voort: „Dit klinkt wel moedeloos en ontmoedigend. Het wettigt de vraag: Verdient zulk een Kerk het, dat een man zoo begaafd en zoo geestelijk als Dr. Gerretsen aan haar zijn krachten blijft wijden en drukt hem de gedachte aan het oordeel, waaronder onze Kerk zucht niet neder als hij in haar naam en in haar dienst optreedt? .... Had Dr. G. niet moeten bedenken, welk een smart hij zijn vrienden en de vrienden onzer Kerk aandoet door het ergste van haar te zeggen, wat men van een Kerk zeggen kan ? Snijdt hem de goedkeuring, waarmee zijn woord door de vijanden der Kerk vernomen wordt niet door de ziel en is het niet zijn plicht om ons den weg te wijzen tot uitkomst en op dien weg voor te gaan? " 

Gij kunt U voorstellen, geachte Hoofdredacteur, dat ik, de onbekende en niet alleen daarom onbeminde medewerker van De  Waarheidsvriend met groote belangstelling kennis nam van bovengenoemde artikelen, waarop door het aan land en volk alom bekende tweemanschap Bronsveld —Kromsigt mijn aandacht was gevestigd. Ik heb die artikelen gelezen en herlezen en werd als vanzelf gedrongen daarbij enkele kantteekeningen te maken, hetgeen ik bij dezen op niet al te boersche wijze hoop te doen. Mocht dit wel het geval zijn, dan bied ik aan onzen hofprediker mijn welgemeende verontschuldigingen aan; hij bedenke, dat ik voor dat ambt niet in de wieg ben gelegd, schoon de graad daartoe mij niet ontbreekt en vergete niet, dat naar men zegt, een grootere dan ik ben, een dienaar der kroon ook in dezen wel eens struikelt, overigens een in vele opzichten tot de volmaaktheid naderend man.

Dr. G. dan begint er mee zijn blijdschap uit te spreken over de verschijning van de brochure van Dr. S. de B omdat hier van ethische zijde het vraagstuk van de Kerk aan de orde wordt gesteld. „De ethischen hebben — behalve La Saussayo Sr. en Gunning — voor het kerkelijk vraagstuk weinig belangstelling gehad zoo erkent Dr, G. volmondig en het is de eer der confessioneelen dat zij dit vraagstuk met nadruk naar voren hebben gebracht." Hij begint dus met peccamus (wij hebben gezondigd) en hult zich in een boetekleed, dat hem allerminst ontsiert. Want waarlijk: 't was hoog noodig, dat een ethisch predikant, die, wanneer hij de eer wordt waardig gekeurd naar de residentie beroepen te worden en dit beroep aanneemt, in zijn intreerede bijna wiskundig zeker den naam van Gunning met grooten eerbied en diepgevoelde dankbaarheid noemt (t. w. van Gunning in zijn vroegere periode, toen hij predikant in Den Haag, maar niet toen hij oud-hoogleeraar was), in dit opzicht zijn geestelijken vader zou eeren door op zijn voetspoor zich met het kerkelijk vraagstuk in te laten. Gunning toch was iemand, die voor de nooden der Kerk iets voelde gelijk dit voor jaren reeds in het Gereformeerd Weekblad tot zijn eer is erkend.

Minder sierlijk is evenwel dat Dr. Gerretsen met breed gebaar niet alleen betuigt dat oen „ethische" tot geen partij wil behooren — dat moet hij weten — schoon ik het met De Genestet en Dr. Kuyper houd, die ons leeren: wilt g' een man zijn, kies partij en: Neutraal kiest altoos partij, 2) maar dat hij ook met aplomb verzekert, dat een ethische zijn liefde verpand heeft aan de waarheid en aan de waarheid alleen, alsof dit een uitsluitend praerogatief van hem was. Dr. G. is dus met den vriend van De Genestet vóór de waarheid, wat we graag gelooven. We hebben den tijd gekend, dat ons volk bestond uit een denkend en een niet-denkend deel; wij verkeeren nu — altijd volgens Dr. G. — in een periode, dat de een n.l. de ethische waarheidlievend is en de ander t. w. de gereformeerde, tegen wien beslist front 'moet gemaakt worden, hetgeen Dr. S. de B. tot Dr. G 's groote blijdschap doet, welbewust leugenachtig is. Nu weten we wel, dat er over de waarheidsliefde van ons gereformeerden tegenover de vraagstukken der hoogere critiek b. v. van ethischen kant vrij hardhandig om niet te zeggen karakter-beleedigend de staf wordt gebroken gelijk ook Dr. Bronsveld verzekert, dat men bij een analyse van den mensch Kuyper tot het resultaat zal komen, dat het element waarheidsliefde slechts door een zeer gering procent bij hem vertegenwoordigd ? , maar wij voor ons hebben nog nooit anders gehoord dan dat het doel van allen wetenschappelijken arbeid het ijveren voor de waarheid is. 3)

Misschien wil Dr. G. echter in zijn definitie van ethisch den nadruk doen vallen op hetgeen er volgt: de waarheid, waarvan hij, de ethische, in alle richtingen elementen ontdekt. Ieder „anti" is uit den booze." Zeker zouden wij dit zoo niet gezegd hebben en zijn wij b. v. van den naam antirevolutionair allerminst huiverig — maar in absoluten zin volhouden, dat in eenige richting waarheidselementen totaal ontbreken, doen wij evenmin: licht en donker zijn er in elke richting te vinden, al wisselen de verhoudingen ook van 99 : 1 en 1:99. 4) Volkomen licht en volstrekte duisternis zijn eerst voor de toekomstige bedeeling weggelegd.

„De confessioneelenen dus ook de gereformeerden kunnen volgens Dr. G. door de ethischen niet worden gemist, om de waarheidselemênten, die bij hen gevonden worden, wijl zij ons gewezen hebben op de schatten van waarheid, die in de lang vergeten gereformeerde theologie lagen verborgen." Deze erkenning verheugt ons tot op zekere hoogte. Immers zij sluit in, dat Dr. G. ons ongehinderd en vredig niet alleen in de Kerk zal laten, maar met alle kracht zelfs zal optreden tegen elke poging om er ons uit te zetten. Evenwel zien wij eerlijkheidshalve ons genoopt er bij te voegen, dat wij de ethischen best kunnen missen, zoo goed als M h de Ned. Herv. Kerk — volgens vele ethischen tenminste — ons, t. w. als kiespijn, 5)

Met het vaste vertrouwen dat ten slotte zijn beginsel het zal winnen, blikt Dr. Gerretsen de toekomst in. Men zal opmerken, dat een overtuiging, die waarlijk tot overtuiging is geworden en niet maar een bloot opgevatte meening is, dit als vanzelf insluit. Maar toch, men moet nuchter blijven en de werkelijkheid onder de oogen willen zien. Zeker doet Dr. G. dat, wanneer hij verklaart „dat de „gereformeerden" zich voelen, ietwat meewarig op de ethischen neerzien, wijl de ethische richting als een morgenwolkje is, die zal verdwijnen en de confessioneelen aan de winnende hand zijn" — hij zou ook blind moeten wezen, wanneer hij niet zou willen erkennen, dat de ethischen alom aan terrein verliezen: in Amsterdam en in Rotterdam, in Groningen en in Gouda, gelijk eerder reeds in Delft. Maar wijst de ontwikkeling der laatste jaren naar iets anders heen dan dat de ethische richting haar bloeitijd gehad heeft, als zelfstandige op eigen kracht aangewezen partij geen invloed van beteekenis meer kan doen gelden en haar niets anders rest dan om zich als hulptroepen in de moderne heerscharen te laten inlijven gelijk dit reeds in Dordrecht en Middelburg — helaas met goed succes — is geschied. Was het niet de tragiek van den levensavond van prof. Valeton, dat hij, die jarenlang onbetwist de man was geweest in de theologische faculteit der Utrechtsche hoogeschool, en die er zijn stempel op zette, ten slotte zijn aanhang steeds meer zag minderen en moet hij in het laatste woord, dat hij tot de studenten heeft gericht, een In memoriam van prof. Wildeboer het niet gezegd hebben, dat de firma Wildeboer-Valeton wel eens meer in trek was geweest dan tegenwoordig? Draagt de ethische richting niet al do sporen van een, gelijk onlangs door een inzender in De Waarheidsvriend werd opgemerkt, in decadentie verkeerende partij te zijn en blijkt zij niet in alles den weg op te gaan der Evangelische richting, eenmaal in onze Kerk oppermachtig, waarvan wij thans spreken als ware zij de rest van een voorwereldlijk verleden, die in Leeuwarden bezig is haar kwijnend bestaan nog enkele jaren te rekken ?

Zoo wij op al deze verschijnselen letten, doet het dan eigenlijk niet eenigszins potsierlijk aan, wanneer wij Dr. G. met veel pathos, als ware hij de tweede machthebbende, hooren leeren: „ik zeg het u, confessioneele broeders: de toekomst is niet aan u. Wij lijken een verdwijnend hoopje. Wij zijn het niet. In ons ligt de toekomst. In ons „de ethischen."" Gelukkig, dat Dr. G. gevoelt, dat zijn beweren in onze oogen potsierlijk is; aanstonds toch laat hij er op volgen: „Gij glimlacht. Ik begrijp het" — deze betuiging pleit tenminste voor zijn inzicht in onze gedachtenwereld: want dat de socialisten b.v. met moed de toekomst inzien en steeds zelfbewuster als de leiders der geheele linkerzijde optreden, wij verstaan het, maar dat een woordvoerder der ethischen op apodictischen toon verklaren durft: „In ons ligt de toekomst. In ons „de ethischen" — dat is iets, wat o. i. getuigt van kolossale zelfverblinding of moet het soms het groote woord zijn, waarmee innerlijke zwakheid moet worden bedekt? Wij weten niet wat anders er van te denken. Zeker we hebben geglimlacht, toen wij Dr. G. 's holle phrasen onder de oogen kregen het nee plus ultra van zelfoverschatting van een achteruitgaande partij.

Na deze inleidende opmerkingen hopen we een volgenden keer te spreken over Dr. G. 's definitie van het wezen der Kerk en zijn houding tegenover de belijdenisschriften.

1) 13 Maart 1913, Avondblad A. 2

2) Jaarg. 15, afl.6.

3) Wij hebben genoemde aflevering niet meer tot onze beschikking en citeèren uit het geheugen. r

4) Lees b.v. de Kronieken van de Stemmen voor W-aarheid en Vrede van Januari en Februari jL!

5) Nummer van Jan. 1913.

1) Lees° daartoe de Kroniek van de Stemmen voor Waarheid en Vrede van Maart j 1.

2)'Zie Standaard 4 Mrt. 1913.

3) Br.. A. Kuyper Encycl. der H. G. II' blz. 64.

4) Dr. H. Visscher Religion und soziales Leben bei den Naturvolkern, Bonu 1911, I S 57. In allem religiösen Leben ist noch ein Wahrheitselement, aber in dem religiösen Leben, das unter der speziellen Wirksamkeit des Logos steht, sind alle Wahrheitsclemente zusammengebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's