Verslag 8e Jaarvergadering
Verslag van de 8e Jaarvergadering van den Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. {Geref.) Kerk, gehouden op Donderdag 17 April 1913 in het gebouw voor K. en W. te Utrecht.
Donderdag 17 April was ditmaal de door het Bestuur vastgestelde dag, waarop de leden van onzen Bond als naar gewoonte weer in de oude bisschopsstad waren saamgeroepen.
Een niet gering aantal had aan dezen oproep gehoor gegeven en het getal dergenen, die zich of persoonlijk óf door hunne afgevaardigden vertegenwoordigd hadden, was ons een bewijs dat er in verschillende gemeenten van ons vaderland inderdaad niet weinigen zijn, die warm voor onzen Bond gevoelen en die, om aan die belangstelling uiting te geven, er een reisje naar Utrecht voor over hebben. Ik weet niet hoe dat-in andere, vereenigingen is, maar vroeger ben ik wel eens op een dergelijke vergadering van de „Confessioueele Vereeniging" geweest en dan trof het mij altoos, dat op een vergadering van menschen, die de pretentie maakten „heel het volk" te vertegenwoordigen, betrekkelijk zoo weinige mannen „uit het volk" aanwezig waren. De meesten waren predikanten. Nu, dat kan van onze Bondsvergadering nog niet gezegd worden. Daar is het domineeselament gewoonlijk — en zoo ook ditmaal — verre in de minderheid. Waar dat vandaan komt begrijp ik niet recht. Misschien staat het wat voornamer en wat gekleeder om een „Vereenigingsman" te wezen dan om een „Bondsman" te zijn. Maar een feit is het, dat de mannen van „heel het volk" er op hunne vergaderingen wel eenigen „uit het volk" bij konden hebben en dat onze Bondsvergadering niet ontsierd zou worden, indien het getal predikanten iets kón worden uitgebreid. Niet dat wij liefst dominé's uit , heel de Kerk" op onze vergadering zouden zien, want dan kon het wel eens zijn dat onze Bond het woord „Gereformeerd" spoedig uit zijn naam zou kunnen schrappen, maar van predikanten die met ons op den bodem van Gods Woord en onze Gereformeerde belijdenis staan, zouden we niets liever wenschen dan dat zij zich niet slechts bij onzen Bond aansloten, maar dat ook onze vergaderingen geregeld door hen werden bijgewoond.
Vooral als we zoo'n vergadering meemaken als we ditmaal weer hadden, heeft het zijn nut en doet het zoo goed elkaar weer eens te ontmoeten en de verschillende belangen, onze Kerk en ons volk betreffend, eensmet elkaar te bespreken. En bovendien, hoe menige vriendenhand wordt op zoo'n dag edrukt, hoe menig broederlijk woord wordt er gesproken Soms zelfs worden oude vriendchapsbanden, die vaak door allerlei misvertand aan 't verslappen waren, vernieuwd. Maar genoeg! Wij zouden haast vergeten dat e ons gezet hadden tot het schrijven van en verslag.
De vergadering dan werd ten 11 uur door onzen Voorzitter, Ds. van Grieken van Delft, geopend met het doen zingen van Psalm 145 : 6 en het voorlezen van 1 Joh. 4 : 1—15. Nadat op verzoek van den Voorzitter Ds. Jongebreur in gebed is voorgegaan, heet de Voorzitter de aanwezigen in een kort inleidingswoord welkom en gaat hierop over tot het uitspreken van zijn referaat over het onderwerp: Waarom wij spreken van een Gereformeerde Kerk en niet van een Volkskerk."
Aangezien dit referaat ook ditmaal weer in druk verschijnen zal, willen wij ons onthouden er een verslag van te geven en wenschen wij te volstaan met de opmerking, dat de referent op duidelijke wijze uiteenzette dat het begrip „volkskerk" niet alleen in strijd met Gods Woord en met de Gereformeerde belijdenis is, maar ook onvereenigbaar met de practijk blijkt te zijn.
Ds. Boonstra die, bij ontstentenis vanden 2en Voorzitter, na het uitspreken van het referaat den voorzittershamer aanvaardt, begint met de gelegenheid te openen om over het gesprokene van gedachten te wisselen. Aangezien zich eerst niemand hiervoor aanmeldt, stelt hij zelf een vraag omtrent de bekende leuze: heel de Kerk en heel het volk. Men heeft hem wel eens gezegd, dat deze uitdrukking van Dr. Hoedemaker getuigt van diep wijsgeerigen zin, maar men heeft hem ook wel eens gezegd dat zij eigenlijk onzin bevat. Hij zou gaarne van den referent vernemen wat het nu van die beiden wel wezen zou.
Ds. Beekenkamp van Delft, hierop het woord vragend, spreekt een woord van lof voor het schoone ideaal dat de referent ons geteekend heeft, maar vraagt in de eerste plaats, of spreker ook den weg niet kan aanwijzen, die bewandeld moet worden om te komen tot het bereiken van dat ideaal en in de tweede plaats wat er met de massa moet geschieden, of we die maar moeten overgeven.
De heer Meerveld van Nieuwendam is het met den vorigen spreker' eens. Hij vraagt zich ook wel eens af: waar brengt ons het najagen van het doel, dat de Bond zich heeft voorgesteld ?
Ook de heer Hooijer van Nieuwveen betuigt zijn instemming met het gesprokene, maar uit een klacht over den droeven toestand onzer Kerk, die mede daarin uitkomt, dat jaarlijks zoovelen tot belijdenis des geloofs worden toegelaten, bij wie er zoo weinig van eenig geestelijk leven wordt bespeurd.
De referent, de sprekers beantwoordend, begint met in antwoord op het gesprokene door Ds. Beekenkamp te zeggen, dat er in het referaat heel veel dingen niet gezegd zijn, waaraan we toch groote behoefte hebben dat zij gezegd worden, b.v. wat de Kerk heeft te doen voor het volksleven, in welken zin Kerk en volk met elkaar in aanraking komen enz. Hij meent echter, dat de opzet van het referaat, door dit alles te behandelen, te breed zou zijn geweest. Hij zegt verder, dat wat de practische toepassing betreft, we voorzichtig moeten zijn.
Den weg te wijzen voor de naaste toekomst gaat niet in bizonderheden; een kleine wijziging in de Kerkelijke toestanden kan zoowel rechts als links een zoo "groote verandering scheppen ; maar in het algemeen gesproken is de zaak die voor de naaste toekomst dringt en over de naaste toekomst kan beslissen: laat ieder zich eerlijk uitspreken en laten allen die bij elkaar hooren bij elkaar komen. „ Verzamelen blazen" onder allen, die leven uit éen beginsel, dat is het eerste en het voornaamste.
En wat de massa betreft: onder de tegenwoordige toestanden in onze Kerk komt er van de massa niets terecht. Al wat men praat n zegt daaromtrent lijdt fiasco. Wat hoe langs oe meer openbaar wordt. De barmhartigeden in deze zijn ten slotte niet tot genezing. Dikwijls meer holle frases dan vol waarachtig heil.
En daarom moet het onder Gereformeerde menschen maar eens duidelijk worden gezegd : die Kerk die grijpen wil naar de massa, terwijl ze geen acht geeft op zichzelf, is erger an een ongeloovige en zal de natie nooit, nooit tot een zegen kunnen zijn. Dat moet voor ons, gereformeerden, vast staan als een muur. Terwijl we hartgrondig uitspreken ls onze heihge en innige overtuiging: die kerk die zelve eerbied betoont voor Gods Woord en uit de waarheid Gods mag leven, die zal de massa tot zegen zijn, waar Gods beloften, die meer waard zijn, dan schoone woorden van menschen, ons borg voor staan.
Laat ons medelijden hebben met de massa die nu bestormd wordt door allerlei geesten ie niet uit God zijn, door zelve mee te werken, dat onze Gereformeerde Kerk weer preke de Woorden Gods, haar van ouds toebetrouwd ; en door te bevorderen dat onze Gereformeerde Kerk weer als een Gereformeerde Kerk wordt ingericht.
Wat de vraag van den heer Meerveld van Nieuwendam betreft, antwoordt de spreker: de vraag is, wanneer we ons ideaal teekenen, of het naar de Schrift is, of het waar is. En indien het waar is wat we zeggen, kunnen we veroordeelen wat deze of gene in '34 of '86 gedaan heeft, maar laat ons dat er toch niet toe brengen, dat we zouden gaan verzwijgen, wat meer en meer onder ons allen luide moet worden uitgeroepen.
We mogen de waarheid niet verzwijgen; we mogen de wonde niet bedekken ; we mogen onze zonde niet vergeten en verbergen. En met deze onze beginselen moet dan gewerkt worden tot herstel van onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk.
Om haar te behouden, om haar te herstellen moet het ons te doen zijn. En daarom moeten onze beginselen, die naar het Woord zijn, uitgesproken worden; telkens en telkens weer.
Wat de vraag van Ds. Boonstra aangaat, is spreker het niet eens met de uitspraak van Ds. Lingbeek dat „Dr. Hoedemaker zich nooit had vergist". Hij gelooft dat de bewuste uitdrukking op zijn zachtst genomen zeer onbegrijpelijk is en dat vele menschen die er zoo mee dwepen verlegen zouden staan als zij eens moesten verklaren wat nu eigenlijk de beteekenis er van is.
Ds. Boonstra dankt den Spreker — en hij deed dat zeker namens de gansche vergadering — voor zijn referaat en voor zijn welwillende beantwoording van de gestelde vragen. Met den heer Hooijer stemt hij in, dat het noodig is dat er meer geestelijk leven onder de Gereformeerden ontwake, daar rechtzinnigheid in de leer, hoewel van belang, niet genoeg is. En wat de befaamde uitdrukking van Dr. Hoedemaker betreft, gelooft Ds. Boonstra, dat wij deze wel kunnen overnemen, maar dan in dien zin, dat wij het woord „heel" niet opvatten als een verkorte vorm van het woord „geheel", maar dat we het afleiden van het werkwoord „heelen", een synoniem van „genezen". „Heel de Kerk en heel het volk" wordt dan: „Genees de Kerk en dan geneest gij ook het volk".
Aldus verklaard is er zeker geen bezwaar tegen om het althans bij de Confessioneelen zoo gevleugelde woord te aanvaarden, zoodat, dank zij de vindingrijkheid van Ds. Boonstra, er voortaan tusschen de „Vereenigingsmannen" en de „Bondsmannen" één verschilpunt minder zal zijn.
Nadat de waarnemende Voorzitter nog de collecte heeft aanbevolen, die aan den uitgang der zaal gehouden zal worden, verzoekt hij Ds. Gosiinga voor te gaan in dankzegging, waarmee de morgenvergadering gesloten wordt.
De middagvergadering wordt te ongeveer kwart voor twee geopend met het zingen van Psalm 119 : 6 en gebed door den Voorzitter.
De Voorzitter meent dat hij ook nu een openingswoord gevoegelijk achterwege kan laten, aangezien er in den regel ook in de navergadering zoovele zaken aan de orde komen, dat men zich gewoonlijk aan het einde bekorten moet.
Terwijl de Secretaris de notulen leest, die ongewijzigd worden goedgekeurd, en de Voorzitter voorlezing doet van een schrijven van de Utrechtsche Jongelingsvereeniging „Eben-Haëzer", inhoudende een betuiging van instemming met doel en streven van den Bond, heeft inmiddels de Bestuursverkieziug plaats. De uitslag van de gehouden stemming, waarmee de Utrechtsche afdeeling zoo vriendelijk was zich weer te belasten, was van dien aard, dat de aftredende leden Ds. M. van Grieken, Ds. P. van Toorn en de heer H. J. Smit met nagenoeg algemeene stemmen werden herkozen. Namen de beide eersten aanstonds hunne herbenoeming aan, aan den laatsten, die kennis gegeven had dat hij wegens ambtsbezigheden, verhinderd was ter vergadering te komen, zal schriftelijk bericht gedaan worden.
Alsnu wordt den Secretaris gelegenheid gegeven tot het uitbrengen van zijn jaarverslag, waaraan we het volgende ontleenen:
JAARVERSLAG
van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. {Geref.) Kerk,
uitgebracht op de verg. van 17 April 1913.
"Wanneer wij geroepen zijn enkele oogenblikken aan het 7de levensjaar van onzen Bond onze aandacht te wijden, dan meen ik dat wij stof hebben om ons te verblijden omdat de Heere het met onzen Bond nog wel heeft gemaakt.
Wel mogen wij niet zeggen dat het leven van den Gereformeerden Bond een zooveel hooger vlucht heeft genomen dan zulks tot hiertoe het geval was geweest. Wel kunnen we niet getuigen dat het ledental in het afgeloopen jaar zoo schrikbarend is toegenomen on evenmin dat er zooveel daden verricht zijn die direct van de allergrootste beteekenis voor ons kerkelijk leven zijn geweest. Maar wat het eerste betreft mogen wij toch van een toename van het aantal leden gewagen — immers we hebben nu ongeveer het getal 800 bereikt — en wat het laatste aangaat meenen we toch dat do arbeid van onzen Bond ook in het afgeloopen jaar verricht niet zal nalaten, zij het dan ook op indirecte wijze, onze Kerk ten goede te zijn.
De Bond is in het jaar, dat voorbijging, voortgegaan op den ingeslagen weg. Hij heeft, voor zooveel het aan hem lag, de waarheid Gods verbreid en verdedigd.
In de eerste plaats is dat geschied in „De Waarheidsvriend" die week aan week onze beginselen weer in honderden, ja we mogen, het steeds groeiend aantal abonné's in aanmerking genomen, wel zeggen in duizenden gezinnen heeft verspreid. Een woord van dank komt daarvoor zeker in de eerste plaats toe aan onzen ijverigen Hoofdredacteur, die Wel de meeste zorgen aan ons Bondsblad besteedt en aan wiens bekwame leiding het zeker voor een niet gering deel te danken is dat ons blad zich in betrekkelijk korten tijd een zoo goeden naam ook naar buiten verwierf.
Behalve door middel van „De Waarheidsvriend" werden onze beginselen ook mondeling gepropageerd en wel door verschillende spreekbeurten, die evenals in den vorigen ook in den afgeloopen winter weer op onder scheidene plaatsen in ons vaderland gehouden zijn. Was het een vorig jaar reeds een aanmerkelijk aantal gemeenten die op het verzoek tot het doen houden van een spreekbeurt waren ingegaan, ditmaal is het getal plaatsen waar een spreker meestal in den dienst des Woords is opgetreden, nog uitgebreid. Voor zoover ons bekend is ditmaal een spreekbeurt gehouden in Ooltgensplaat, Krimpen a/d Lek, Gameren, Jaarsveld, Ouderkerk a/d IJsel, Groot-Ammers, Bodegraven, Arnemuideu, Oude-Tonge, Hasselt, Wilnis, Leerbroek, IJselstein, St. Maartensdijk, Hoogeveen, Vriezenveen, Veenendaal, Kampen, Genemuiden, Otterlo, Barneveld, Ermelo, Rijssen, Leerdam, Sommelsdijk en voorts voor de afdeelingen te Utrecht, Schoonhoven, Benschop, Zegveld en Alphen. De predikanten door wie in deze beurten het woord werd gevoerd, zijn de h.h. Ds. van Grieken, Ds. Remmé, Ds. Gosiinga, Ds. van Toorn, Ds. Boonstra, Ds. Jongebreur, Ds. Luteijn, Ds. Zijlstra, Ds. van Vliet, Ds. Benes, Ds. Beekenkamp, Ds. Kraay, Ds. van den Berg, Ds. den Oudsten en Ds. van der Snoek. Bij den dank, dien wij zoowel aan de Kerkeraden, die deze beurten uitschreven, als aan de sprekers die ze vervulden, toebrengen, willen we slechts betreuren dat er niet nog meerdere gemeenten gevonden worden waar een dergelijke beurt kan worden vervuld en dat er ook onder de predikanten nog zoo betrekkelijk weinigen zijn die zich voor deze inderdaad gewichtige zaak een of meer avonden wenschen beschikbaar te stellen. Evenals een vorig jaar werden wij ook nu weer door sommigen zelfs geen betaald antwoord waardig gekeurd. Hopen wij dat het getal dezer laatsten steeds kleiner worde en de spreekbeurten nog veel mogen bijdragen niet slechts om de beginselen van onzen Bond te verbreiden, maar ook om ons Leerstoelfonds, waarover onze geachte Penningmeester ons straks nader zal inlichten, te versterken.
Wat de handelingen van het Bestuur betreft, verdient in het bijzonder melding gemaakt van een schrijven door het Bestuur gericht aan de Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk, inhoudende een verzoek om een z.g.n. verscherping van de proponentsformule en van de belijdenisvragen. Wel kon dit verzoek in de Synode van het vorig jaar geen meerderheid verwerven, zooals dan trouwens ook niet was verwacht, maar een bericht bij een der Bestuursleden van een der leden der Synode ingekomen, over de wijze waarop het was ontvangen en in menig opzicht boven andere voorstellen was geroemd, gevoegd bij hetgeen in de Handelingen der Synode over de behandeling dezer zaak vermeld staat, geeft ons moed om onze pogingen dit jaar in een ietwat breeder vorm te herhalen en verlevendigt onze hoop, dat op 's Heeren tijd door ons gestadig kloppen de deur ons zal worden opengedaan.
Hiermede meenen wij u het voornaamste van wat het leven van onzen Bond in-het afgeloopen jaar heeft gekenmerkt, te hebben medegedeeld.
Mocht de jaarvergadering spoedig dagen, waarop wij u meer practisch resultaat van onze zwakke pogingen konden doen zien. Daartoe echter zal noodig blijken de samenwerking van allen, die binnen onze Hervormde Kerk de Gereformeerde Waarheid liefhebben en bovenal de zegen van Hem, die bij al ons planten en natmaken alleen machtig is den wasdom te geven.
Nadat de Voorzitter den Secretaris heeft dank gezegd voor zijn verslag en de opmerking gemaakt heeft, dat er nog aan toegevoegd kon worden hoe onlangs te Middelburg — en sinds kort ook te Nijverdal — een afdeeling van den Bond was opgericht, krijgt de Penningmeester het woord om verslag van zijne bevindingen te doen.
Wanneer de imponeerende gestalte van onzen fiscus voor de lessenaar verschijnt, is er in de vergadering altoos een zekere spanning waar te nernen. „Wat zal hij weer hebben", is dan de gedachte die over het algemeen de harten vervult. Nu, hij had ook weer wat. Alles wat hij had is natuurlijk voor publicatie niet vatbaar. In bijzonderheden daar inzage van te nemen, is straks aan een door den Voorzitter benoemde commissie, bestaande uit Dr. Van Baarsel, van Hei-en Boeicop, en de H.H. Jansen van Utrecht en Van de Westeringh van Veenendaal, vergund. Maar het voornaamste mag toch wel meegedeeld worden en dat is dat ons Leerstoelfonds dit jaar ongeveer f 4700.is vooruitgegaan. Naast God hebben we dezen vooruitgang zeker voor een niet gering deel aan onzen wakkeren Penningmeester te danken. Met den dank dien de Voorzitter hem — en naast hem ook aan Mej. Verbeek — bracht, stemde dan ook zeker de gansche vergadering in. Met het woord van Prof. Visscber, dat wij „een juweel van een Penningmeester hebben", gingen zeker alle aanwezigen accoord, en de aan de Bestuurstafel gemaakte zinspeling, dat „een juweel in goud moet gezet worden", heeft zeker algemeen bijval gevonden. Laten we hopen dat deze theorie aan de Apeldoornsche straatweg te Arnhem weldra practijk zal zijn geworden en dat het onzen Penningmeester nog eens gegeven zal worden niet slechts te zaaien, maar ook te maaien en, naar de begeerte van zijn hart, rijke vruchten op zijnen arbeid te zien.
Na het verslag van den Penningmeester kwam aan de orde het Bestuursvoorstel, op de agenda vermeld, om n.l. het boekjaar te doen eindigen inplaats van op 31 Maart, op 30 November en dan, in aansluiting daarmee, de jaarvergadering niet meer in April, maar. wel in Februari te houden. Dit voorstel, door den Penningmeester toegelicht en verdedigd, vond eenerzijds toejuiching, maar anderzijds bestrijding. Vooral wat de datum der jaarvergadering betrof, was er nogal eenig verschil van gevoelen. Sommigen meenden dat het voor de opkomst beter zou zijn het te houden zooals het was en anderen meenden dat de maand Februari gunstiger zou blijken te zijn. Ten slotte werd bij meerderheid van stemmen het Bestuursvoorstel aangenomen, zoodat onze vergadering voortaan wat vroeger in het jaar zal vallen, en in de maand Februari of — om met de Statuten in overeenstemming te blijven — in het begin van de maand Maart gehouden zal worden.
Bij de rondvraag kwamen zooals gewoonlijk, verschillende zaken aan de orde. Breedvoerig werd o.m. gehandeld over ons blad „de Waarheidsvriend", over de noodzakelijkheid om het te verspreiden, over de wenschelijkheid van een z.g.n. propagandafonds, " alsook over den inhoud van het blad. Algemeen was men er van doordrongen dat er nog te weinig actie is en dat wij schouder aan schouder hebben te staan — de schouders van Hooggeleerden niet uitgezonderd — om ook door middel van ons blad de actie voor onze beginselen te bevorderen.
De afgevaardigde uit Utrecht stelt verder enkele vragen en wel 1e, hoe het staat met het adres aan de Synode in zake de proponentsformule enz. 2e, hoe het oordeel van het Hoofdbestuur is in zake het door de Synode voorloopig aangenomen voorstel op dè Wijkgemeenten en 3e, of het niet mogelijk zou zijn enkele aan de orde zijnde kerkelijke kwesties in brochure-vorm te behandelen. Wat punt 2 betreft stelt ook Ds. Leenmans van Utrecht ds vraag hoe wij over het z.g.n. parochiestelsel op Gereformeerd standpunt te oordeelen hebben. Deze vraag wordt in de eerste plaats door Prof. Visscher beantwoord. Z.Hooggel. zegt: bij het parochiestelsel is de zaak deze: indien wij een normale kerkinrichting hadden, zou dit stelsel er reeds lang zijn geweest en dan zou het voor de groote steden ook beslist wenschelijk zijn. Thans echter, nu er geen accoord van belijdenis is, zou de invoering van een dergelijk stelsel niet anders dan tot nadeel van de belijdenis der Waarheid in het midden van onze Kerk blijken te zijn.
De Voorzitter gaat namens het Bestuur met het advies van Prof. Visscher om tegen het voorstel op de Wijkgemeenten te stemmen, accoord. Hij gelooft ook dat bij de invoering van een dergelijk stelsel onder de huidige omstandigheden, onder den schijn van medelijdend op te treden tegenover de massa, ieder zich in de-Kerk nog vrijer zal gaan bewegen dan dit nu reeds het geval is, reden waarom wij ons zijns inziens, ook zeer beslist tegen deze zaak verklaren moeten.
Nadat de Voorzitter ook de andere vragen van den afgevaardigde uit Utrecht nog kortelijk beantwoord heeft, vraagt de heer Hoogendijk van Ouderkerk het woord. Hij meent dat er vooral in de morgenvergadering al te veel gesproken is over wat wij niet kunnen, maar zou ook wel eens de nadruk gelegd willen zien op wat wij wel kunnen. En dan denkt hij aan het diaconaat. Hij zegt dat de idee van barmhartigheid bij de velen totaal weg is en vraagt of het niet mogelijk zou zijn dat er door het Bestuur van den Bond eens een diaconale conferentie zou georganiseerd worden. Wanneer de Synode dat doet voor de verschillende heterogene elementen in onze Kerk, kan dan door het Bondsbestuur niet eens een vergadering worden uitgeschreven waar de zaak van het Diaconaat eens uit Gereformeerd oogpunt beschouwd zou worden?
De Voorzitter zegt overweging van dit denkbeeld toe en Prof. Visscher spreekt naar aanleiding van deae kwestie ongeveer aldus: Vanmorgen is een zeer ernstige vraag door Ds. Beekenkamp in deze vergadering neergelegd, n.l. deze: Waar is de weg om te komen waar we wezen willen ? Daar is maar één zaak voor noodig en dat is deze — en spreker zou wenschen dat allen, die onze belijdenis liefhebben, daar toch, mede om den nood der tijden, recht vau doordrongen mochten zijn — dat allen, die de Gereformeerde Waarheid belijden, zich zoo trouw mogelijk zullen aaneensluiten. En daartoe, zegt Spreker, kon misschien een diaconale conferentie de aanleiding worden om de zoozeer begeerde eenheid te verkrijgen.
Wij zijn dit met Prof. Visscher van harte eens. De eenheid van alle Gereformeerden binnen onze Kerk is allernoodzakelijkst en daarom zou het zeer toe te juichen zijn, indien er werkelijk iets te vinden ware, waardoor de band tusschen allen die de Waarheid liefhebben, kon gelegd worden.
Inmiddels was het alweer ongemerkt laat geworden. De tijd van scheiden was dan ook weldra daar. De Voorzitter sprak nog een woord van dank tot allen die tot het welslagen der vergadering hadden meegewerkt, inzonderheid tot de afdeeling Utrecht voor de voorbereidende maatregelen die zij had getroffen; en nadat door de aanwezigen was gezongen Psalm 27:7, ging op verzoek van den Voorzitter Prof. Visscher voor in dankzegging.
Moge het niet tevergeefs zijn geweest dat de nooden onzer diepgezonken Kerk weer bij vernieuwing besproken en betreurd en voor den troon van Gods rijke genade zijn nedergelegd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's