Uit het kerkelijk leven.
Een medewerker schrijft ons:
Ongevraagde recensie van een recensie.
II.
De Kerk is volgens Dr, Gerretsen het door den Heiligen Geest geïnstrumenteerde Gemeenteleven, het volkomen harmonieuse geheel van elkander dienende krachten, naar Gods gedachten de sfeer van de herstelde zedelijke harmonie." Ongetwijfeld is het juist, dat de Kerk in ideëlen zin al den organischen rijkdom van het menschelijk leven in zijn onderscheiding van het individueele bestaan der personen, ook in organisch verband met den kosmischen schat van het natuurleven vertegenwoordigt, 1) maar feil gaat Dr. G.'s definitie daarin, dewijl zij niet voldoende in het oog houdt dat de Kerk geen vergadering van werkingen, maar van personen is: het zijn menschen, die door den Heiligen Geest worden wedergeboren en tot het geloof gebracht en die als zoodanig, als nieuwe menschen het wezen der kerk vormen. De kerk is een vergadering van geloovigen, 2) hetgeen in het vijfde artikel van Dr. G. beter uitkomt: „de Kerk is de vergadering der geloovigen en het volk Gods."
Deze opmerking dan in het voorbijgaan gemaakt, gelijk Dr. G. in het voorbijgaan zijn meening omtrent het eigenlijke wezen der Kerk heeft neergeschreven. Erger is wat hij zegt aangaande onze belijdenisschriften. ln de belijdenisschriften is niet hier en daar iets niet in orde, maar de geheele stand van de belijdenisschriften deugt niet. Zij moeten worden omgesmolten. Zij moeten, willen ze de uitdrukking van de Christelijke waarheid zijn, een absoluut nieuwe gestalte ontvangen." (art. 2). Als bewijs daarvoor noemt hij allereerst dit: „Onze Gereformeerde theologie en implicite ook onze belijdenisschriften missen alle eschatologie. Eschatologie is de leer der laatste dingen, wat in de Gemeente heet de wederkomst van Christus. Geheel de H. Schrift is eschatologisch. In onze belijdenisschriften nu wordt neen niet gezwegen van de wederkomst van Christus, doch ze wordt slechts terloops genoemd en zij bevat niet meer dan het komen des Heeren ten gerichte."
Het is waar, dat de verwachting van de wederkomst des Heeren in de oudste Christelijke gemeente een grootere plaats in haar geloofsleven innam dan dit in latere eeuwen bij de algemeene Christelijke Kerk het geval is geweest. Paulus moest de gemeente van Thessalonica waarschuwen, dat zy niet haastelijk bewogen werd alsof de dag van Christus aanstaande ware (2 Thess. 2:2) en Petrus herinnert er in zijn tweeden brief aan — met Calvijn houden we aan de echtheid daarvan vast — dat één dag bij den Heere is als duizend jaren en duizend jaren als één dag. De Heere vertraagt de beofte niet (gelijk eenigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons (3 : 8, 9.) Doch is het juist niet geweest het kenmerk der secte (die ook volgens Dr. G. individualistisch is, geen historie kent, en daarom ook geen vervulling van den Raad Gods in de historie, onmiddellijke realisatie van het heil Gods wil, niet wetend, dat alle dingen in het Koninkrijk Gods groeien, dat is: zich geleidelijk ontwikkelen (art. IV)) alle eeuwen door, dat zij zich zoo rusteloos verdiept in de vragen die met de wederkomst des Heeren saamhangen, dat de veel dieper liggende vragen, die de kennis onzer zonde en de rechtvaardigmaking van den zondaar raken er nauwelijks meer aan het woord komen en heeft daarom niet de kerk van Christus met wijze voorzichtigheid nu deze achttien eeuwen steeds de zielkundige vraagstukken op den voorgrond geschoven en de vraagstukken, die op de laatste dingen betrekking hebben eenigzins in de schaduw gesteld 3) ? Men kan niet geheel en al zonder grond beweren, dat de Gereformeerde gezindheid uit eenzijdige reactie tegen het Chiliasme er toe gekomen was om op schuldige wijze het Maranatha in haar geloofsblazoen te laten verbleeken. Maar ook anderzijds hebben we toe te zien, dat we ons door deze beweging niet tot een vervallen in het andere uiterste laten verleiden, 1) waarvoor Dr. G. heel veel kans loopt. Is het slot onzer geloofsbelijdenis: aarom verwachten wij dien grooten dag met een groot verlangen, niet de zuivere weerklank op het: Ja kom Heere Jezus van Johannes' Openbaring, terwijl ook onze Catechismus zeker niet terloops over de wederkomst van Christus om te oordeelen de levenden en de dooden, de opstanding des vleesches en het eeuwige leven spreekt, maar deze artikelen des geloofs op gelijke lijn met de andere behandelt.
Ook uit een ander punt blijkt volgens Dr. G. dat alleen algeheele omsmelting der belijdenis baten kan. „De Reformatie heeft in tegenstelling met Rome de transcendentie Gods sterk op den voorgrond gebracht, d.i. de verhevenheid Gods boven het schepsel. Rome leed aan een te ver gedreven immanentie Gods, waarvan het gevolg was, vereenzelviging van Schepper en schepsel, dus in principe heidendom. In haar leer. der verkiezing, in haar leer der verzoening, in haar leer van den bijbel is zij ongetwijfeld eenzijdig transcendent. Deze eenzijdige accentuatie van het transcendente loopt door de geheele confessie heen."
Eigenaardig doet het, wanneer wij dit lezen, aan om daarbij Scholten's meesterwerk, De leer der Hervormde Kerk ter hand te nemen, hoe volgens hem Calvijn reeds nadert tot het juiste christologische begrip der eenheid van het goddelijke en menschelijke.2} Is aan Dr. G. onbekend, dat er bijna geen met pantheïstische neigingen behepte ethische of moderne — en die zijn er zooveel! — is geweest, die voor zijn standpunt steun heeft gezocht in Calvijns overbekend woord, dat de natuur, mits op godvruchtige wijze opgevat, God genaamd kan worden, 3) dat woord daarbij tegen de duidelijk uitgesproken bedoeling van Calvijn in verwringend? Doch heeft Calvijn ook niet in zijn uitspraak, dat wij om God te leeren kennen niet buiten onszelven behoeven te gaan 4) een stelling geponeerd, die tot ernstig misverstand aanleiding kan geven door haar eenzijdige accentuatie van het immanente Heeft Dr. G. dan nooit de schoone bladzijde gelezen, waarin Calvijn het werk des Heiligen Geestes beschrijft, dat deze overal tegenwoordig zijnde, alle dingen in hemel en aarde onderhoudt, versterkt en levend maakt? 5) Wordt aan Zwingli geen pantheïsme aangewreven op grond van zijn gezegde: „dat het zijn der dingen het zijn Gods is"? „Zijn wijsgeerige beschouwingen naderen het pantheïsme, waarmee zijn leer van de voorbeschikking nauw samenhangt", lezen we in Ueberweg Heinze's meesterlijke Grundriss der Geschichte der Philosophie 6) en Harnack spreekt in zijn niet minder beroemde Dogmengeschichte van het Paneutheismus Zwinglis. 7) Het is de eer der Gereformeerde Kerk geweekt, dat zij zich met nadruk tegen de heidensche creatuurvergoding gelijk die der Luthersche Kerk, dat zij zich tegen de joodsche werkheiligheid richtte, 8) maar is het, al heeft de transcendentie Gods voor ons een anderen zin dan voor onze vaderen verkregen 9) wanneer wij van bovengenoemde uitspraken van Zwingli en Calvijn kennis nemen, niet al te dwaas om te beweren, dat de Reformatie eenzijdig transcendent is? Prof. Scholten getuigt juist, dat de waarheid van Gods immanentie door de Hervormers, inzonderheid door Zwingli en Kalvijn, diep gevoeld is !!! 10) De grondlegger der 'ethische richting in ons land. Prof. Ch. de la Saussaye, spreekt desgelijks van „de meer dynamische en minder transcendente wereldbeschouwing der Gereformeerden, die hen van de Lutherschen onderscheidde, waardoor hun de gansche wereld as openbaring van de heerlijkheid Gods." 11) Begint in overeenstemming daarmee onze belijdenis niet met de betuiging, dat we God ennen door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, overmits deze oor onze oogen is als een schoon boek in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke ingen Gods geven te aanschouwen, namelijk ijn eeuwige kracht en Goddelijkheid ? 12) Het waren veeleer de Socinianen en Remonstranen, die in bovengenoemde eenzijdigheid vervielen. 13)
Blijkt uit al deze dingen niet dat Dr. G. schrijft zonder ook maar eenige dege kennis te hebben van de Reformatorische theologie, terwijl hij uit de dagen zijner jeugd, toen hij voor het voorbereidend kerkelijk examen zeker ook Scholten bestudeerd heeft, beter kon weten? Wat noodig is: niet om de belijdenis ten dezen opzichte in den smeltkroes te werpen, maar dat Dr. G. niet schrijft voor en aleer hij de dingen onderzocht heeft. Hij moge zijn artikelen, gelijk de brochure van Dr. S. de B., op wiens antwoord wij met smart wachten, als de opening van een schaakspel beschouwen, waarin de pionnen eenvoudig worden uitgezet, hij bedenke, dat degene die kaatst den bal moet verwachten en dat hij, die in het publiek optreedt, ook in het publiek de critiek over zijn werk moet hooren.
Tot zoover over Dr. G.'s „bewijzen", „dat onze belijdenisschriften, willen ze uitdrukking van de Christelijke waarheid zijn, een absoluut nieuwe gestalte moeten ontvangen, dat alleen algeheele omsmelting baten kan; " een volgenden keer over de belijdenis, die in de kerk moet gelden.
1) Dr. A. Kuyper, Encycl. der H. Godg. III2 blz, 192, 193.
2) Dr. H. Bavinck Gereformeerde Dogmatiek IVs bk. 333-
3) Dr. A. Kuyper. De gemeene gratie I blz. 222.
i) Dr. A. Kuyper a. w. I blz. 437.
2) a. w. I* blz. 292, 293 Noot 1. Wij laten Sch.'s qualificatie van de eenheid van het goddelijke en menschelijke natuurlijk voor zijn rekening.
3) Institutio I V 5.
4) Instit. I V 3.
5) Institutio I XIII 14.
6) IIIi» Berlin 1907 S 25.
7) III* Tubingen 1910S89S Anmerkung. Vgl. Zö(7/j Dogmengesckichte^ Halle 1996 S 797 805.
8) Vgl. Scholten a. w. II* blz. 309.
9) Dr. H. Bavinck Wijsbegeerte der Openbaring Kampen 1908 blz. 17.
10) a. w. I* blz. 292 Noot I.
11) Beoordeeling van het werk van Dr. J. H. Scholten over de leer der Hervormde Kerk 2 blz. 62.
12) Art. 2.
13) Vgl. Dr. A. Kuyper Dictaten dogmatiek 21 Locus de Deo Eerste deel blz. 312.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's