Vragenbus
Belijdenisvragen.
VRAAG. Hoe ging vroeger — ik bedoel in de 17de eeuw — het «belijdenis doen« ; werden er ook vragen gesteld ? welke ? ging het over het geloof of over de leer ? en hoe ging het met aannemelingen uit andere plaatsen en met het indienen van attestaties?
ANTWOORD. Wij zijn op het oogenblik niet in staat zoo héél veel in deze zaak te zeggen, daarom zal ons antwoord kort moeten zijn. Maar hoe het b.v. in de dagen van Voetius (1577—1649) ging, kunnen we wel even meedeelen.
Voetius spreekt van »aannemelingen« en zegt, dat »zijn zij, die na een behoorlijk onderricht in de geloofsleer, verlangen tot den doop of het avondmaal of tot beide en dus tot de kerkelijke gemeenschap toegelaten te worden, zooals thans genoemd worden zij, die zich bij een bedienaar des woords of bij een ouderling of bij den geheelen Kerkeraad aangegeven hebben.«
En omtrent de wijze die gevolgd moet worden »bij het aannemen van leden en hunne toelating tot de gemeenschap van eene reeds georganiseerde Kerk of bij de eerste oprichting van eene kerkelijke gemeenschap onder ongeloovigen of nieuwe bewoners eener plaatst zegt hij dan dat de volgende handelingen moeten plaats hebben:
1e. dat voorafga de onderwijzing door Gods Woord. Dat wordt echter niet vereischt bij het toelaten van zulke "leden, die ergehs anders in |de gemeenschap eener rechtzinnige Kerk hebben geleefd;
2e. dat bij de eerste planting eener nieuwe Kerk allen, hetzij geloovigen, of wel (zoo er geene anderen zijn) aannemelingen, tot éene vergadering bijeen komen en verklaring afleggen van hun wensch, hunne overeenstemming en hun voornemen;
3e. dat zij, die op het punt staan, opgenomen te worden in de gemeenschap, belijdenis van hun geloof afleggen, openlijk voor de gemeente óf voor den kerkeraad in de kerkeraadskamer der Kerk en wel met geopende deuren, zoodat alle geloovigen- en catechumenen de gelegenheid hebben erbij tegenwoordig te zijn; óf voor gedelegeerden van den Kerkeraad, hetgeen om dringende redenen en in zekere .gevallen somtijds pleegt te geschieden.
Waar verder eene Kerk reeds is opgericht, daar zal door den bedienaar des Woords een onderzoek ingesteld worden, loopende over alle hoofdstukken van den catechismus, waarbij de aannemelingen of candidaten voor de kerkelijke gemeenschap de vragen beantwoorden en, waar ze maar kunnen, de voornaamste punten door Schriftuurplaatsen bevestigen.
Tot dit doel wordt e er ook voor gezorgd, dat, indien sommigen niet geoefend zijn, dezen gedurende eenige weken voor het doen der belijdenis, eenige malen afzonderlijk genomen worden tot oefening en onderricht en dat dit onderricht allen candidaten door de dienaren bij hun huisbezoek en openlijk bij de bekendmaking van de viering des Avondmaals aangeboden worde.
Bij aldien dan bij deze private oefeningen en voorbereidingen iemand bevonden wordt, nog niet geheel geschikt te zijn tot het doen van belijdenis, zoo worde hem aangeraden, nog een weinig te wachten.
Deze prijzenswaardige gewoonte wordt dan ook in onze Kerken in acht genomen
Zoo er overigens geloovigen zijn, die voorheen elders belijdenis hébben gedaan, kunnen dezen het belijdenis doen in de nieuwe gemeente vervangen door vertooning van eene attestatie, waaruit blijkt dat zij reeds belijdenis gedaan hebben.
Voor het toelaten van geloovigen tot eene reeds georganiseerde Kerk, waartoe verandering van woonplaats aanleiding kan geven, kan'eene attestatie voldoende zijn, zonder dat er een nieuw onderzoek ingesteld of opnieuw belijdenis gedaan wordt, tenzij men afwijking in de leer vermoedt.
Ook dit is de gewoonte in onze Kerken.
4e. moeten de aannemelingen of door kerkelijke getuigschriften (zoo zij n.l. uit een andere Kerk hier heen verhuizen) of door geschikte getuigen, die zij bij het onderzoek en het afleggen hunner geloofsbelijdenis moeten meebrengen (wier namen ook nevens die der nieuwe leden in het lidmatenboek opgeteekend worden) hunne vroomheid en reinheid van leven en 'zeden bewijzen, nadat de zaak te voren reeds nauwkeurig onderzocht is door de ouderlingen en den dienaar der wijk.
Ook wordt, naar ik meen, deze zeer loffelijke gewoonte in de grootere Kerken van Nederland overal in acht genomen; althans in deze onze Kerk te Utrecht houdt men zich hier stipt aan, voor dat zij in het vertrek, voor de aannemelingen bestemd, worden toegelaten. En nadat zij daar zijn toegelaten wordt, door op de rij af een catechetisch examen in te stellen, een tijd lang onderzoek gedaan naar hunne kennis en rechtzinnigheid.
5e. Verder wordt eene verbintenis of gelofte vereischt, waarbij zij aan God en de Kerk beloven in de gemeenschap der heiligen te blijven en toe te nemen.
Men zie in onze Liturgie het formulier voor het doopen van volwassenen, evenzoo het formulier voor de bediening van het avondmaal.
Maar meer uitdrukkelijk geven zij, die op het punt staan toegelaten te worden tot het Avondmaal en de gemeenschap der Kerk, dit heilig verbond aan, wanneer zij antwoorden niet alleen op de vragen, die in het bizonder over het schuldgevoel, het geloof en de dankbaarheid gedaan worden, en wel met toepassing . op zichzelven, maar ook op die vragen, welke van meer algemeene strekking zijn en de rij van vragen sluiten:
1e. of zij de leer onzer Kerken voor de rechtzinnige leer en voor den weg ter zaligheid erkennen;
2e. of zij beloven, door Gods genade in de belijdenis van die leer tot aan hun dood te zullen volharden;
3e. of zij beloven, heiliglijk en op eene deze leer waardige wijze te zullen leven;
4e. of zij zich onderwerpen aan de kerkelijke tucht.
Dit nu is de wijze, waarop in onze Kerken de verbintenis aangegaan en de belofte gedaan wordt.
Wat het verbinden door een eed of het onderteekenen van eene formule of bewijsstuk betreft, dit komt mij voor onnoodig te zijn. Een mondelinge verklaring voor vele getuigen is voldoende.»
Tot zoover Voetius in zijn » Verhandeling over de zichtbare en georganiseerde Kerk.(Holl. vertaling
bij J. H. Kok te Kampen 1902) blz. 13—16,
Daar ziet men dus, dat er een voorbereidend onderricht noodig is; dat er geen leerlingen van buiten de gemeente mochten toegelaten worden, dan met bewijs van vroomheid en reinheid van leven en zeden«, waarbij getuigen noodig waren; dat er een tijd lang een onderzoek bij de aannemelingen werd ingesteld naar hunne kennis en rechtzinnigheid; dat de vragen van het formulier vóór het doopen van volwassenen of de drie stukken van de «waarachtige zelfbeproeving, voorkomend in het formulier van het Avondmaal, gevraagd werden, maar bizonder de vier bovengenoemde" vragen; dat een attestatie voor lidmaten, van elders voorkomende voldoende was, tenzij men afwijking in de leer vermoedde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's