De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Confessioneelen en Gereformeerden.

Waar er nog al wat wrijving is tusschen confessioneelen en gereformeerden, is het misschien wel eens goed om ons te herinneren hoe de vijand over ons denkt. Die zet ons in een hoek. Dan is er ook éénheid, althans een aanknoopingspunt tusschen ons beiden — en hoe meer het uitkomt, hoe liever dat we het hebben.

Wat éen is behoort bij elkander. En als we nog gescheiden zijn (mede een vrucht van de zonde) moeten we trachten ons beider streven maar zoo duidelijk mogelijk temaken — dan gaat het bloed kruipen waar 't niet gaan kan!

Maar om nu op het oordeel van een vijand terug te komen. We vonden dezer dagen een oude aanteekening uit het Evangelisch Maandschrift „Geloof en Vrijheid" (1906, 5de afl.) waar Ds. Beversluis het heeft over de Confessioneelen en de Bondsmannen.

Hij schrijft daar naar aanleiding van de bekende brochure van Dr. P. J. Kromsigt „Reorganisatie, eisch van Gods Woord" (een brochure die wij den lezers van „De Waarheidsvriend" nog eens aanbevelen) het volgende:

„Dr. Kromsigt bepleit in deze brochure (het eerste gedeelte) het wenschelijke der reorganisatie in dien zin, dat de classicale, provinciale en synodale Besturen werden vervangen door de classicale, provinciale en synodale Vergaderingen; of liever, dat de Bestuursmacht der eersten overging aan de laatsten, vooral ook met het oog op de gewenschte en weer in te voeren leertucht.

In het tweede gedeelte van de brochure (eene bijlage „de nieuwe actie") bespreekt hij de plannen van den Gereformeerden Bond en komt tot 't resultaat, dat om méér dan éene reden deze niet tot 't gewenschte doel voeren zullen, om dan opnieuw zijn eigen denkbeeld van Reorganisatie aan te wijzen.

Het verschil tussehen Kromsigt c. s. en Prof. Visscher c. s. — ofschoon door den eerste nog al breed uitgemeten en bijna tot een principieel verschil gemaakt, — komt mij voor tamelijk van ondergeschikte beteekenis te zijn. Beide groepen stellen als ideaal onzer Kerk een weer bindend gezag hebben, van de „Drie Formulieren." Beiden wenschen te komen tot een „Gereformeerde Kerk", die geen leervrijheid meer toelaat. Beiden wenschen hartelijk dat weder de leerdwang ingevoerd worde; en langs dien weg hopen beiden dat het komt tot een uittreden (of uitdrijven) van alle „vrijzinnigen."

Of men dit doel nu zoekt te bereiken door eene „reorganisatie", waarbij feitelijk aande classicale vergaderingen, ergo aan eenige vergaderde predikanten en ouderlingen, leertucht wordt opgedragen en dus de meerderheid over de „rechtzinnigheid" der minderheid zal hebben te beslissen, — of wel, dat men den Staat wil bewegen de geldigheid der organisatie van heden te vernietigen, zoodat eene nieuwe organisatie noodig wordt, waarbij dan desnoods de vrijzinnige elementen uittreden kunnen, en er hoop is eene „Gereformeerde" Kerk te verkrijgen, naar het, hart van de mannen van Dordt — het is m. i. tamelijk wel van ondergeschikt belang. Hoofdzaak, waarin beide fracties overeenkomen is, dat de tegenwoordige organisatie der Kerk, waarbij leertucht onmogelijk en leervrijheid algemeen heerschend is, geacht wordt verkeerd te zijn, en dat het noodig is op de eene of andere wijze te komen tot eene andere, nieuwe organisatie, waarbij leervrijheid uitgesloten en leertucht algemeen ingevoerd wordt.

Van dit gemeenschappelijk doel, waarnaar Kromsigt c. s. en Visscher c. s. ieder op eigen wijze streven, zeg ik van harte: verhoede God, dat het ooit bereikt worde!" — Men roept ach! en wee! over de vrijheid om te leeren en te prediken wat de voorganger waarheid acht en vindt het vreeselijk dat „zelfs een man als Baehler" gehandhaafd wordt; dat er geen „tucht" kan uitgeoefend worden op zijn „leer".

Maar men vergeet vooreerst dat niet de leer maar het leven ten slotte hoofdzaak is; en het vrij wat ergerlijker is, dat personen van erkend zedeloos leven, waarvan men weet, dat hunne prediking huichelarij moet zijn, gehandhaafd worden als predikant, omdat hen niets bewezen worden kan, terwijl het volk hen als „rechtzinnig" viert. Men vindt het ergerlijk, dat „de leer" niet gehandhaafd wordt en vrijheid van leer feitelijk bestaat in onze Kerk. Maar men vergeet, dat die leer door duizenden, ook door ons, geacht wordt in vele punten een dwaalleer te zijn, zoodat. het gelukkig is, dat, waar ze nog ongehinderd kan gepredikt worden door mannen als Kromsigt, althans vele voorgangers er de onwaarheid van inzagen en iets anders en beters trachten te brengen dan die bekrompen het evangelie verdonkerendé leer.

O zeker, 't is een bedroevende toestand, dat er zooveel spraakverwarring is in onze Kerk en ook wij zouden wenschen, dat er op de eene of andere manier een einde kwam aan dien de Kerk verwoestenden strijd der richtingen. Maar nog liever aanvaarden wij den tegenwoordigen gebrekkigen toestand, waarbij de leervrijheid feitelijk bestaat, dan het wenschelijk te achten dat de leertucht weer werd ingevoerd.

-De waarheid laat zich toch niet binden door uiterlijk gezag; geen banbliksem van Rome, geen inquisitie of kettervervolging waren in staat haar te knechten. Zij breekt zich baan ondanks alle organisaties en kerkordeningen.

De Gereformeerde of Calvinistische leer is geoordeeld; zij is in strijd met de waarheid en zal ten ondergaan, ook al mocht zij — wat God verhoede! — weer in onze Kerk tot volle heerschappij komen. Het heerlijke ruime Evangelie der Goddelijke liefde in Christus geopenbaard zal erkend worden als ook voor onzen tijd het Eéne noodige; hetzy dan in of buiten de Kerk. En mannen als Kuyper, Kromsigt en Visscher zullen eens met smartgevoel inzien, dat zij gearbeid hebben aan een ijdel doel: om tot" nieuwe kracht te brengen „wat oud en verouderd en nabij de verdwijning is." —

Ziehier wat Ds. Beversluis denkt van Confessioneelen en Bondsmannen.

Hij oordeelt, dat Dr. Kromsigt het verschil tusschen die beiden nog al breed uitmeet, terwijl ze beiden eigenlijk precies hetzelfde bedoelen: te komen tot een Gereformeerde Kerk van Nederland, met een Gereformeerde belijdenis en Gereformeerde Kerkorde. Iets, waarbij Ds. Beversluis glimlacht, zeggende: „dat is oud en verouderd en nabij de verdwijning" — maar Waarbij wij met heilig verlangen kunnen zeggen: och, dat we elkander eens beter mochten gaan begrijpen en dat 't geen we gemeen hebben eens meer op den voorgrond, 't geen waarin we verschillen eens meer op den achtergrond mocht komen staan!

Een medewerker schrijft ons:

Ongevraagde recensie van een recensie.

III.

Dr. Gerretsen wil evenals Dr. S. de B., dat de kerk belijden zal. Niemand, die ook maar even over wat kerk is heeft nagedacht, zal dit volgens hem willen ontkennen, wat we grif toegeven: dat Prof. Meyboom, v. Manen c. s. dit gedaan hebben, gelooven we niet. Voor hen is een kerk ongeveer gelijk aan een debating-society.

De belijdenis dan, die volgens Dr. G. in de kerk moet gelden, is die van den Christus Gods, van den naam des Heeren Jezus, die gestorven is. die opgewekt is en die gezeten is aan de rechterhand der kracht Gods. Hij toont meer historisch inzicht te hebben dan Ds. Lingbeek, want hij zegt: „Men zal hier onmiddellijk tegen opmerken, dat dit standpunt veel te elementair is. Wie zulk. een simpele belijdenis eischt van de leden der Chr. Kerk uit onzen tijd, doet aan de rechten der historie te kort. De kerk van Christus toch is zich in den loop der tijden hoe langer hoe meer bewust geworden van wat de Christus-belijdenis in zich heeft. De in het verleden na veel strijd verworven kennis mag niet prijsgegeven worden, maar — aldus brengt Dr. G. tegen deze redeneering in —: Heeft een kerk een theologisch uitgewerkte belijdenis als grondslag, dan van tweeën één. Of zij sluit vele van hare leden uit, die. onmogelijk instemming kunnen betuigen met belijdenisschriften, die hun te hoog gaan, óf zij laat de menschen dingen zeggen, die zij niet begrijpen, en kweekt aldus uitwendigheid, erger pharizeïsme. Daarom moet een belijdenis het essentieele der waarheid bevatten, in casu den naam des Heeren, meer niet."

Nu schijnt Dr. G. meer te begrijpen dan wij vermogen te doen, hoezeer ons meer dan eens verweten is, dat wij intellectualistisch zijn uitgevallen. Wij voor ons kunnen van het zitten des Heeren aan de rechterhand der kracht Gods beslist geen duidelijke voorstelling maken, laat staan bet begrijpen— en we vermoeden van Dr. G. ook niet. Eigenaardig voor een ethische, die zijn naam ontleent aan het feit, dat hij het zedelijk karakter der waarheid goed wil doen uitkomen, om zoo op het begrijpen den nadruk te leggen; als een gereformeerde het deed, zou men het aanstonds als zijn richting typeerend aan de kaak stellen. Verstandsmenschen zijn die gereformeerden en anders niet! Moet de medewerker aan De Waarheidsvriend dan Dr. G. herinneren aan het woord van zijn medestander, die door hem anders zoo bijzonder hoog wordt gesteld, nl. van Beets: „Met begrijpen zal 't niet gaan. Grijp, het onbegrepen aan." Is het woord van Elihu tevergeefs voor hem geschreven: God is groot en we begrijpen het niet ? en weet hij niet, dat iets te begrijpen de dood is voor de aanbidding daarvan ? Hoören wij hier bij Dr. G., soms de naklank van het moderne gejammer over: onbegrepen dogma's, die aan de kinderen worden ingestampt, alsof niet het mysterie het levenselement der dogmatiek ware! 1) Hoe kan een ethische, die vóór alles geen verstandsmensch wil zijn, zoo iets terneer schrijven en hoe rijmt zich hiermede dat volgens Dr. G. zelf de belijdenis van een kerk een zedelijk karakter moet dragen en niet met intellectueele elementen mag worden bezwaard?

Hèt is daarenboven vrij onnoozel van Dr. G., wanneer hij denkt „door dezen broeden opzet van zijn geloofsleven degenen die buiten zijn . te kunnen winnen voor het Evangelie, waar wij de intellectueelen zijn kwijt geraakt, om dat wij het hun door ons eng en onnoodig eng kerkelijk standpunt, ons vasthouden aan formulieren, die een cultuur van lang vervlogen dagen representeeren, onmogelijk gemaakt hebben bij ons te blijven." 2) Zou hij denken, dat de intellectueelen b.v. meer gekant zijn tegen de geboorte des Heeren uit de maagd Maria, welke door Dr. G. zooal niet in twijfel wordt getrokken dan toch zeker van ondergeschikt belang gerekend, dan tegen Zijne hemelvaart ? - Hij leze om zich hiervan te overtuigen b.v. Rigting én leven van Dr. A. Pierson, die zoo één dan toch zeker wel tot de intellectueelen kan gerekend worden, en in 't bijzonder de bladzijde, waar deze genoemd heilsfeit op spottende manier als onhoudbaar en in strijd met het Copernicaansche stelsel tracht voor te stellen. Zou Dr. G.'s belijdende kerk méér de volkskerk der intellectueelen kunnen worden dan die welke in den stijl van den Gereformeerden Bond zal worden opgetrokken ? Hij moet met zijn eschatologische ideeën al vrij naïef zijn, wanneer hij dit meent.

„De Reformatoren hebben volgens Dr. G. de scholastische opvatting van waarheid overgenomen, dat waarheid is de overeenstemming van een ding met zijn voorstelling. In den grond der zaak is deze beschouwing zuiver Grieksch. Deze beschouwing van het wezen der waarheid nu is beslist onschriftuurlijk. Volgens de H. S. toch draagt de waarheid niet een intellectueel, maar een ethisch karakter. Waarheid is daar werkelijkheid, het feit, het ding; niet de beschouwing van het diug, het feit. Christus zegt: Ik ben de waarheid. Niet de beschrijving van den Christus, de Christologie, maar Christus is de waarheid, Christus zelf."0) Ook hier geeft Dr. G. door zijn eenzijdigheid een verkeerde voorstelling. Er wordt nl. in de philosophie drieërlei begrip van waarheid onderscheiden: metaphysische, ethische en logische waarheid, 1) En nu doet Dr. G. alsof de Reformatoren alleen maar het laatste begrip van waarheid kenden en voor de andere hun oogen gesloten hadden. Hij leze om zich beter te vergewissen de plaatsen eens na, waar de Moor en v. Mastricht over de velerlei waarheid handelen. De logische en de ethische waarheid kunnen bij God niet van elkander gescheiden worden — zegt de Moor 2) en Dr. Bavinck zegt in denzelfden geest, dat de waarachtigheid Gods niet alleen een deugd des verstands, maar ook een deugd van den wil is. 3) Het begrip van „waarheid" mag eerst in het gevolg der zonde zijn opgekomen en in het: ik ben de waarheid des Heeren ook beteekenen, dat in Hem alleen geestelijke verweerkracht schuilt om zich in volstrekten zin aan de macht van het valsche te onttrekken, 5) het feit, dat een autoriteit als Cremer, die op lexicaal gebied van het N. T. zijn evenknie niet heeft, beweert, dat het Nieuw-Testamentisch begrip van waarheid in alle Nieuw-Testamentische geschriften aan waarheid in het wijsgeerig spraakgebruik aansluit, d.i. dat van het gewone Grieksch, 6) had Dr. G. reeds voorzichtig moeten maken om zijn beweringen zoo maar klakkeloos ter neer te schrijven en zich schuldig te maken „aan een pantheïstische vermenging .van noetica en ethica". '7) „De belijdenis moet volgens Dr. G. (gelijk we reeds opmerkten) een zedelijk karakter dragen en mag niet met intellectueele elementen worden bezwaard. Zij mag niet redeneeren. Slechts wat beschrijving, uiting is van onmiddellijke ervaring mag in de belijdenis worden opgenomen." Wanneer Dr. G. zich dit — gesteld dat het waar was — even goed had ingedacht, hij zou zeker in de pen gehouden hebben dat die belijdenis het geloof in Jezus Christus is, die is gestorven, opgewekt, ten hemel gevaren, zittende ter rechterhand Gods. „Er zijn religieus ethische ervaringen — zegt Prof. Bavinck volkomen naar waarheid.— in alle godsdiensten op het terrein der algemeene openbaring en bijzonder ook in het Christendom; schuldbesef, gewetenswroeging, twijfel, ongeloof, gevoel van Godverlatenheid, verlangen naar God, gemeenschap met God, vreugde in God en vele andere meer behooren daartoe. Ervaren wotden eenige religieus ethische aandoeningen van schuld, berouw, vergiffenis, dankbaarheid, vreugde enz. Maar al het andere, dat in een historische religie voorkomt, valt in strikten zin buiten de ervaring. Voor geen enkel der twaalf geloofsartikelen kan het: ik geloof door het: ik ervaar vervangen worden. Dat God Schepper is van hemel en aarde, dat Christus is Gods eeniggeboren Zoon, ontvangen van den H. Geest, geboren uit de maagd Maria enz. is uiteraard voor geen ervaring vatbaar. Zelfs, al gaat zeer zeker een rechtstreeksche werking in de gemeente uit van haar verheerlijkt Hoofd in den hemel, dat Christus opgestaan is en ten hemel gevaren en thans gezeten is aan Gods rechterhand, weten wij enkel en alleen uit de H. Schrift." 8)

Een van tweeën: wanneer alleen uiting van onmiddellijke ervaring in de belijdenis mag worden opgenomen, dan alle historisch feit van Jezus' lijden en sterven, opstanding en hemelvaart daaruit verbannen, gelijk Ds. P. H. Hugenholtz van de Vrije Gemeente wilde, om te komen tot het standpunt van Harnack b.v. in zijn Das Wesen des Christenturns ontwikkeld, dat God onze Vader is en wij Zijn kinderen zijn, óf wanneer Dr. Q. terecht inziet, dat de religieuse ervaring onvoldoende is, wijl zij voor allerlei willekeur op godsdienstig gebied de deur opent en feitelijk het anarchisme, de Religion als Privatsache1) ten troon verheft, dan ook verder gegaan met de kerk van alle eeuwen, die in doopbelijdenis, apostolische geloofsbelijdenis en uitgewerkte confessie en catechismus den regel des geloofs vaststelde, die getoetst werd aan de Heilige Schrift en veel meer inhield dan hetgeen uiting van onmiddellijke ervaring was, omdat zij de historische feiten van 's Heeren verschijning op aarde in het middelpunt stelde.

Met al zijn polemiseeren tegen het intellectualisme der Reformatoren 2) en het poneeren van het zedelijk karakter der belijdenis, vergeet Dr. G., hoewel hij erkent dat het Evangelie een intellectueele zijde heeft, dat de religie een zaak is van den geheelen mensch, van zijn verstand, van zijn wil, van zijn gevoel, gelijk we dit in Matth. 22:37 reeds vinden aangeduid en niet van één zijner vermogens i. c. van wil of gevoel alleen.

Tot dusver over de opvatting van Dr. G. aangaande de plaats, die aan de belijdenis in de Christelijke Kerk moet worden toegekend : een volgenden keer over zijn gedachten betreffende hare handhaving.


1) Dr. H. Bavinck a.w. II« blz. I.

2) Art. VI.

o) Art. II.

i) Dr. H, Bavinck a. w. II 202.

2) Comment, perpetuus in Joh. Marckü Compendium Lugduni Batavorum 1761 I 676.

3) t.a. p. blz. 201.

4) Dr. A. Kuyper Encycl. der H. Godg. II2 blz. 62.

5) Zie a. w. blz. 61.

6) Dr. J. M. S. Baljon Grieksch theologisch woordenboek .Utrecht 1895 I 165, 162 (woord van Cremer overgenomen.)

7) Dr. A. Kuyper Dictaten Dogmatiek P blz. 403. Vgl. blz. 402. Gemeenlijk is de opvatting in het Nieuwe Testament meer overeenkomende met het klassieke Grieksch.

8) a. w. 18 blz. 569, S70.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's