De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

26 minuten leestijd

Het wordt te min.

Onder dit typeerend opschrift schrijft het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden:

»De inhoud van De Waarheidsvriend wordt zöo min en onwaardig, dat wij er over moeten gaan denken, er voortaan geen notitie meer van te nemen.«

Dit vernietigend vonnis werd geveld naar aanleiding van ons artikeltje „Op de catechisatie", en wel bizonderlijk naar aanleiding van déze woorden:

»Een predikant of godsdienstonderwijzer, die de Hervormde jengd onderricht geeft en het geloof in een drieëenig God heeft verworpen, de belijdenis aangaande de Godheid van Christus loochent, van de verzoenende kracht van Christus' bloed niet wil weten — mag niet als een consciëntieus man beschouwd worden.»

Het wordt hier een stukje „ethiek".

Het gaat hier over wat eerlijk en behoorlijk is.

Of het behoorlijk en eerlijk is om juist precies het omgekeerde te doen van 't geen beloofd is, of het eerlijk is om juist te ontkennen, wat beleden moet worden.

Nu willen we in deze eens niet zeggen wat wij zouden antwoorden op dit bestraffend stukje van onze perszuster.

Maar we willen eens even opslaan wat b.v. V. Oosterzee in zijn Practische Theologie, Achelis in zijn Practische Theologie (bewerkt door Dr. L. W. Bakhuizen van den Brink te Utrecht) en wat Ludwig Lemme in zijn Christelijke Ethiek (bewerkt door Dr. G. Vellenga, predt. te N. Loosdrecht) zoo ongeveer in betrekking tot zaken als deze zeggen; om ten slotte ook even Scholten „de leer der Herv. Kerk" op te slaan. We gaan dus niet terschole bij „gereformeerde" theologen, maar met opzet bij mannen die nu juist niet precies in óns kringetje geplaatst kunnen worden, opdat mogelijk het oordeel van déze theologen gemakkelijker aanvaard zal worden dan een oordeel van „de zwarte bende".

Prof. van Oosterzee zegt dan (deel II blz. 151 etc.)

»Die het catechetisch onderwijs ontvangen, zijn in het algemeen dezulken, die verlangen in den schoot der christelijke gemeente te worden opgenomen ....«

»De Catechese is het middel, waarvan de Kerk zich bedient, om aan dien wensch te voldoen. Haar inhoud is dus niet de Godsdienst in het algemeen, ook' niet de verschillende waarheden en plichten van het Evangelie, maar de Heilswaarheid, in en door Christus geopenbaard, waarvan de geloovige belijdenis de door den Heiland • zélf gestelde voorwaarde is van des zondaars eeuwig behoud".

»Als de dienaar der Kerk en in haren naam geeft de catecheet onderricht, allereerst in de beginselen der heilswaarheid, door welker belijdenis zij zich onderscheidt van de ongeloovige en ongedoopte, wereld.

Hij heeft dus ten taak, niet zijn eigene, bloot subjectieve denkbeelden mede te deelen, die wellicht zoo scherp mogelijk tegen de christelijke heiijdenis over staan, maar die heilswaarheid, waarvan de erkenning en beoefening mag verwacht worden van hen, die gereed staan zich naar den naam van Christus te noemen.

Het catechetisch onderwijs toch wordt als zoodanig niet door bizondere personen, maar door wettig aangestelde dienaren der gemeente, hetzij leeraren of helpers (Godsdienstonderwijzers, catechiseermeesters) gegeven, van wie verondersteld, Immers verlangd mag worden, dat zij in beginsel op den bodem van Evangelie en belijdenis staan.

Daarin te onderwijzen, is hun roeping....« »In de catechisatiekamer worden wekelijks de fundamenten gelegd, waarop de plaatselijke gemeente van over jaar en dag staan moet«.

Nu slaan we Achelis op (blz. 281 etc.)

»De taak van den katecheet is niet enkel didaktiscb, maar vooral paedagogisch: opvoeding, op grond van den doop, tot de volle rijpheid der christelijke mondigheid.»

»Zal hij fungeeren als vertegenwoordiger der Kerk, dan moet in hem leven hetgeen de Kerk tot Kerk maakt.« Aangezien de Kerk in hare uitwendige verschijning zich als een veelheid van belijdeniskerken openbaart, moet de katecheet deel hebben aan het leven en de leer der Kerk van die bepaalde belijdenis, wier lid en mandataris hij is."

»De eisch is onbekrompen instemming met de Kerkelijke belijdenis...« 

Vervolgens geven we als toepassing voor allen die publiekelijk in de hoofdwaarheden van onze gereformeerde, Kerkelijke belijdenis verschillen en toch maar rustig in de Hérv. Kerk blijven het oordeel van Prof. Ludwig Lemme over deze handelwijze (Deel II, blz. 1091 etc.)

»de Kerk is nu eenmaal confessioneel....«

»in de Protestantsche Kerk is de H. Schrift richtsnoer; leer en practijk moeten met de H. Schrift overeenstemmen en daaraan altijd weer getoetst worden...

"Wie reformatie wil buiten het Evangelie en de Schrift om, blijft geen Protestant en valt zelfs buiten het Christendom.*

»In onzen tijd is het zoo anders dan vroeger... vroeger stond men op christelijken bodem, maar nu niet meer. Men breekt met den Christus der Schrift en verlangt een wezenlijk nieuwe religie. Maar in plaats van daarvoor rond uit te komen en een eigen Kerk te stichten, blijft men in de Christelijke Kerk. Daardoor ontstaat groote verwarring en een onzedelijke toestand. De Kerk is te zwak om er uit te zetten en degenen die «hervorming* willen niet eerlijk genoeg om er uit te gaan.

De Engelsche Kerk is in dit opzicht flinker dan de Protestantsche Kerk in Duitschland. Daar heeft een krachtige organisatie het Unitarisme afgestooten, maar de Duitsche Kerk zit verlegen met het Naturalisme.

Van de andere zijde mist dit Naturalisme, dat den Christus der Schrift verwerpt, zeer tot eigen religieuse en zedelijke schade, de eerlijkheid en den moed om zelf eene »Kerk« te stichten*.

»ln Duitschland mist men den moed. om n.l. eerlijk voor zijne overtuiging uit te komen en de consequenties te aanvaarden.*

Hierbij konden we het gevoegelijk laten. Maar we willen ten slotte nog even een paar uitspraken. van den modernen Prof. Scholten aan deze dingen toevoegen.

't Past er zoo aardig bij.

Bij Prof. Scholten in zijn „De leer der Hervormde Kerk" (deel 1 blz. 16, 22 enz.) lezen we:

»Geen Kerk zonder belijdenis*.

»De Gereformeerde Kerk heeft bepaalde grondbeginselen.*

De Nederlandsche-Hervormde Kerk was in haar recht, toen zij op verschillende synoden, te Armentiers in 1563, te Antwerpen in 1566, te Wezel in 1568, te Emden in 1571, te.Dordrecht in 1574 en 1578, te Middelburg in 1581 en '91, te 's Gravenhage in 1586, te Veere in 1610, de geloofsbelijdenis van Guido de Bres en den Heidelb. , Catechismus voor de uitdrukking van haar geloof verklaarde en op de synode te Dordrecht in 1618 en '19 haar grondbeginsel Gods souvereiniteit en vrije genade, de eenige grond der zaligheid,  tegen de volgers van Arminius uitsprak en handhaafde.«

Waarbij dan Prof. Scholten als zijn oordeel te kennen geeft:

De Kerk het recht te betwisten om de grondwaarheden uit te spreken en van de getrouwe belijdenis er van de toetreding harer leden af hankelijk te stellen, ware ongerijmd*.

Waarbij hij nader verklaart:

"Wij geven toe, dat geen instemming met eenige geloofsbelijdenis iets beteekenen kan, zonder een gehéele instemming met haren inhoud, zonder voorbehoud."

Nu moet het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden maar eens verklaren of wij dus in princiep anders gesproken hebben dan deze binnen-en buitenlandsche godgeleerden. En of wij geen recht hadden om te zeggen, dat menschen die in hun beroepsbrief beloven naar Gods heilig Woord te zullen spreken en die verklaard hebben met de grondwaarheden der Herv. Keik, in hare belijdenisschriften neergelegd, in te stemmen, oneerlijk zijn als ze een leer verkondigen, waarin voor het geloof in een drieëenig God geen plaats is, waarin het boven natuurlijke in onzen Heere Jezus Christus en Zijn ontvangenis uit den H. Geest wordt geloochend, waarin de Heiland diensvolgens als een gewoon meusch, als een modern theoloog wordt voorgesteld; waarin Zijn zondeloosheid en diensvolgens Zijn goddelijke vereering wordt ontkend en veroordeeld ; waarin Zijn opstanding, Zijn hemelvaart. Zijn Middelaarsambt, Zijn regeering van hemel en - aarde. Zijn wederkomst ten oordeel enz. enz., alle hoofdwaarheden van onze Ned. Herv. Kerk, te niete worden gemaakt — en dan toch in de Ned. Herv. Kerk blijven en dan toch optreden als catecheet, om de kinderen der gemeente te onderwijzen in de leer die naar de godzaligheid is.

Wij nemen deze zaak zéér ernstig.

Laat het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden het ook doen.

We zijn naar het antwoord met belangstelling uitziende.

Ons eerlijk oordeel is, dat de moderne, behept met de Pelagiaansche dwaling, met de geref. belijdenis in alles verschilt en in alles bestrijdt — en diensvolgens niet in de Herv. Kerk thuis hoort.

Antwoord van „de Heraut".

Niet lang geleden spraken wij over de openbaring van de Gereformeerde Kerk in ons Vaderland ; de Kerk die met een Geref. belijdenis onder een Geref. Kerkeorde behoort te leven, in het midden der natie uitkomend als een getuige des Heeren, een pilaar en vastigheid der waarheid.

„De Heraut" ging in deze beschouwing accoord, maar maakte de opmerking of het wel aan gaat dan te spreken van de Gereformeerde Kerk en of het dan niet moet zijn de Gereformeerde Kerken. . '

Wij hebben geantwoord, dat we voor het woord Gereformeerde Kerken niet bang zijn, gelijk ook in de Dordtsche Kerkeorde gesproken wordt van Kerken b.v. in art. 20, art. 37 enz. Om met name art. 87 even te noemen, daar staat „In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn".

Ook spreekt b.v. Voetius van „in onze Kerken is dit overal gewoonte" (zie Vragenbus in „de Waarheidsvriend" van 2Meij.l.)

Die dus de vriendelijkheid hebben om het altijd voor-te stellen dat het spreken van „Kerken" iets „van de doleerenden" is — een stok die altijd nog al makkelijk rumoer in het hoederhok maken kan — die bewijzen daarmee, dat zij of tegen een leugentje om bestwil niet opzien óf dat ze heel weinig weten wat onder de Gereformeerden van ouds gewoonte is geweest. 

De Geref. Bond houdt dan ook altijd vol, dat wy hebben te staan naar een toestand, dat de plaatselijke gemeente, de plaatselijke Kerk, weer vrij komt, om met een Geref. belijdenis naar de lijnen van onze oude Geref. Kerkeorde te kunnen leven. 

Ds. Lingbeek schreef wel, dat dit geleek op een koffiepot met een hoogen hoed — zeker naar een gewoonte in Groningerland — maar we blijven altijd nog bij ons oude idee, staande naar een presbyteriaansche Kerkregeering.

Daarom schreven we in 1904 ook, bij de uitgave van „Kerkenordening, gesteld door de Dordtsche Synode, gehouden in de jaren  1618 en 1619" de volgende aanteekening: „'t Is niet om het oude onveranderd terug te krijgen, dat wij het oude weer aan de onzen willen voorleggen. Maar 't is omdat het nieuwe zoo slecht is — en omdat onze Vaderen in het oude lijnen getrokken hebben, die wij noodzakelijk weer voor oogen zullen moeten houden, wil er van het nieuwe ooit iets goeds terecht komen!"

Dat was dus onze meening reeds vóór de Geref. Bond werd opgericht.

Maar of nu daarbij niet gesproken mag worden, wanneer we zien op het geheel der Kerken, in Kerkelijk verband naar Geref. ordening saamlevend, van Geformeerde Kerk, dat betwijelen we.

Daar is een openbaring van de plaatselijke Kerken als éen geheel.

Ook in de Schrift is daar sprake van.

Wanneer gesproken wordt van de vergaderingen der christenen dan komt de veelheid telkens duidelijk uit.. Niet alleen de veelheid van plaatselijke Keiken als b.v. „de zeven gemeenten die in Azië zijn", maar ook de veelheid van samenkomsten te Jeruzalem, Rome, Corinthe, Colosse en Laodicea (Hand. 2:41, 46, 47; 4:4; 5:14; 8:3; 11:21; 12:17; 21:8; Rom. 16:23; 1 Cor. 16:19; Filémon 2; Coll. 4:15.)

Evenwel — de éénheid van "het lichaam van Christus werd daarbij niet uit het oog verloren, gelijk blijkt uit tal van schriftuurplaatsen.

Zoo is er in Hand. 5:11 sprake van „heel de gemeente en allen die geloofden"; in Hand. 8:1 en er werd te dien dage eene groote vervolging tegen de gemeente, die te Jeruzalem was"; in Rom. 12:5 „alzoo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elkeen zij wij elkanders leden"; in 1 Cor. 12:12—28 „want gelijk het lichaam éen is en vele leden heeft en al de leden van dit eene lichaam, vele zijnde, maar éen lichaam zijn, alzoo ook Christus". (Zie ook 1 Cor. 15:9; Gal. 1:13; Fil. 3:6; Ef. 1:22; Ef. 5:32; Coll. 1:18, 24, 25.)

En om dat nu zooveel mogelijk te bewaren, dat de eenheid van de Kerk, als het lichaam van Christus, uitkome in ons Vaderland spreken we van de Gereformeerde Kerk, waar bedoeld wordt het samen leven en samen belijden van de verschillende plaatselijke Kerken.

Dat komt natuurlijk niet uit in het burgerlijk leven met de burgerlijke gemeenten.-We spreken dan van gemeente-wet — en weten dan, dat er geen vergadering van gemeenten bestaat in ons Vaderland, waar al de burgerlijke gemeenten als éen geheel uitkomen.

Doch dat is wel in het Kerkelijk leven. In Synode vergaderd is daar de Gereformeerde Kerk van Nederland, waarbij de plaatselijke Kerken in belijdenis en Kerke-orde, in correspondentie en verklaring zich éen voelt.

"Vandaar spreken wij ook gaarne, als wij denken aan de Kerk des Heeren, die met Geref. belijdenis en Kerke-orde zich in ons Vaderland openbaart, van de Gereformeerde Kerk.

Hier uit volgt dat, hoé dankbaar we zijn voor het duidelijk en uitvoerig antwoord van „de Heraut", 't welk we hier laten volgen, we ons toch voorloopig houden aan ons gebruik om te spreken van de Gereformeerde Kerk in ons Vaderland, waarmee we bedoelen de openbaring van de plaatselijk-belijdende Kerken, die, vele leden zijde, saam als éen lichaam zijn te rekenen, gelijk in het Synodale leven, naar uitwijzen van de Dordtsche Kerkeorde, uitkomt.

nu, wat „de Heraut" ons ant­woordde ziehier :

Kerk Of Kerkenordening.

De Waarheidsvriend, die notitie nam van onze opmerking, of het niet beter is te spreken van de Gereformeerde Kerken in Nederland, dan van de Gereformeerde Kerk, stemt toe, dat onze vaderen niet bang waren om van Kerken in het meervoud te spreken, maar vraagt of in het door haar bedoelde verband (ze sprak over de Kerkenordening) het gebruik van het meervoud toch niet foutief zou geweest zijn. Immers gelijk uit de Fransche en Latijnsche vertaling blijkt (ordre de l'Eglise en ordo Ecclesiae), is het woord Kerken of  Kerkenordening geen meervoud maar enkelvoud.

De juistheid dezer opmerking geven we voetstoots toe, in zooverre het de verklaring betreft van de uitdrukking Kerkenordening. Evenals in Kerkenraad is in Kerkenordening het woord Kerken geen meervoudsvorm, maar een thans verouderde genitiefvorm van het enkelvoud. Zooals Kerkenraad is de raad der Kerk, zoo is Kerkenordening de orde van (of voor) de Kerk. Alleen de conclusie, die De Waarheidsvriend hieruit trekken wil, alsof het woord Kerk (enkelvoud) hier dus zou doelen op de gezamenlijke Kerken, die in één kerkverband leven, is onjuist. Het best kan dit wel blijken, wanneer men het woord Kerkenordening vergelijkt met het woord gemeentewet; omdat gemeente hier enkelvoud is, zal toch wel niemand beweren, dat er maar étn gemeente is in Nederland, bestaande uit plaatselijke afdeelingen; ieder voelt, dat gemeentewet zeggen wil, de wet, die gegeven is oor elke plaatselijke gemeente. De genitiefvorm duidt in zulke gevallen de soort aan. En zoo is het ook ier. Kerkeordening wil niet anders zeggen, dan de orde, die voor elke plaatselijke Kerk heeft te gelden. ok de inhoud van de Kerkeordening zelf toont dit aan, want de Kerkeordening begint niet met algemeene bepalingen over het bestuur der Kerk (in algemeenen zin) te geven, maar handelt over de plaatselijke Kerk, haar ambten enz. Het is dus de orde, die de gezamenlijke Kerken in hare Synode, voor elke Kerk hebben vastgesteld en waarnaar elke Kerk heeft te leven. Dat het foutief zou wezen, in verband met het woord Kerkeordening van Kerken te spreken, kunnen we derhalve niet toegeven; eer omgekeerd blijkt uit het woord Kerkeordening juist, dat onze vaderen altoos uitgingen van de plaatselijke Kerk.

De Openbare School.

Bij het voorstel van Dr. Kromsigt dat de Overheid te zorgen heeft voor een Christelijke Openbare School, kwam het uit, dat die Overheid dan een Christelijke Openbare School, een neutrale Openbare School, een Roomsche Openbare School en een Joodsche Openbare School moet bouwen.

En die 4 soorten kunnen gerust nog met een paar vermeerderd worden. Of zouden er onder de Protestantsche menschen van ons Vaderland maar 2 soorten van menschen zijn: christelijke en neutralen?

Van het hooge ideaal: „heel de natie in de Christelijke Openbare School" komt dan niets terecht. Gelijk ook zeer begrijpelijk is. Want heel de natie laat zich niet brengen waar Gods Woord als Gods Woord gebruikt wordt.

En dat gedeelte van de natie, dat, indien het niet al te veel of niets kost, de kinderen wel christelijk onderwijs wil laten geven op school — dat is, bij volkomen gelijkstelling van bizonder en openbaar onderwijs veel meer geholpen door de School met den Bijbel dan door een Christelijke Openbare School.

Wij begrijpen ter wereld niet, waarom men een onbijbelschen, knoeierigen weg begeert boven den weg die naar Gods Woord is en in de practijk beter werkt.

Niet de Overheid toch, maar de Ouders hebben te zorgen voor het onderwijs hunner kinderen; en is nu niet reeds het bewijs geleverd, door de 1090 Scholen met den Bijbel, (lat, als er volkomen gelijkheid op het terrein van het onderwijs komt, de vrije school regel wordt?

Dan is het protestantsche gedeelte vau onze natie geholpen.

Dan kunnen, zonder eenige verontschuldiging en zonder eenig becwaar alle kinderen die gedoopt zijn Christelijk onderwijs genieten.

Dan kan de Bijbel als Bijbel gebruikt worden overal.

Dan kan van stad tot stad en van dorp tot dorp naar het Woord onderwezen worden.

Dan zijn de steenen op dezen weg weggeruimd.

We moeten het eerlijk bekennen, we begrepen van de hooge idealen van Dr. Kromsigt in deze niets en we vleien ons met de gedachte, dat ónze idealen meer naar het Woord zijn en ... veel hoóger gaan.

Die liefde tot onze natie koestert en zich wil laten leiden door de beginselen van Gods Woord, die zal instemmen met de leuze: „de vrije school voor héél de natie; de bizondereschool regel en de openbare school aanvulling.''

Bij de discussie in deze hebben wij onlangs meegedeeld wat „Kerkblaadje" aan Dr. Kromsigt als vragen meende te moeten stellen.

„Kerkblaadje" vroeg: wat heeft het plan van Dr. Kromsigt voor boven de plannen der Antirev.: de vrije school voor heel de natie? „Kerkblaadje" meende, dat bij de splitsing van christelijke-, neutrale-, Roomscheen Joodsche soholen er van de éene christelijke openbare school niet veel overbleef.

Daarop heeft Dr. Kromsigt geantwoord.

En daarop antwoordt het „Kerkblaadje" nu weer: „"We blijven dan in het oog houden, dat het voorstel Dr. Kromsigt evengoed als het stelsel der Anti-revolutionairen de lijn van Art. 36 verlaat."

Is het niet ontzettend?

Ook Dr. Kromsigt ontrouw aan art. 36!

Ook Dr. Kromsigt besmet met afscheidingsbeginselen.

Ook Dr. Kromsigt Kuyperiaan.

't Is om te sidderen,

Wie weet wat er nog voor de deur staat!

Een medewerker schrijft ons:

Ongevraagde recensie van een recensie.

IV.

Dr. Gerretsen is niet van de meening, dat het vraagstuk van de handhaving der belijdenis onoplosbaar is. Anders was het bestaan van de Kerk — zoo zegt hij — een onmogelijkheid. Een kerk, die hare belijdenis niet handhaaft, die dus allerlei richtingen en stroomingen ia haar midden duldt, welke misschien lijnrecht tegen de kern van hare belijdenis ingaan, vertoont een beeld van wanorde, dat met haar eigenlijk wezen in strijd is. Daarom moet io een kerk tucht, dat is orde, worden gevonden. Een kerk zonder tucht is geen kerk meer. De confessioneelen, die tegen dezen toestand opkomen, staan volgens Dr. G. verre boven alle „ethischen", die zich bij dezen toestand zonder eenig protest neerleggen. Die tucht moet zijns inziens gehandhaafd worden door het geestelijke leven der gemeente, hiermee een van zin met Dr. S. d. B. Maar hoe men, wanneer men, gelijk deze wil, de belijdenisschriften als belijdenisschriften laat staan, verwachten kan, dat zij door het leven der gemeente zullen worden gehandhaafd, is Dr. G. een raadsel. De belijdenisschriften staan daartoe veel te ver van het actueele leven der kerk, zooals zich dit in de samenkomsten der gemeente openbaart, af. Wanneer komen wij met deze formulieren in aanraking? Nimmer. Zij staan ergens achter in ons kerkboek gedrukt. Dat is alles.

Maar geheel anders komt volgens Dr. G. de zaak te staan, wanneer de belijdenis in de liturgie der Gemeente is opgenomen. Dan kan daarvan wel sprake zijn, doch op één voorwaarde: dat de Gemeente leeft, 1) Het is goed, dat hij dit laatste erbij voegt. Want het is hem toch zeker niet onbekend, dat in Duitschland in de Luthersche liturgie het voorlezen der apostolische geloofsbelijdenis is opgenomen, waartoe alle predikanten van welke richting ook verplicht zijn (in de laatste jaren is hierin in sommige Bondsstaten verandering gebracht) doch wat is dat voorlezen voor vele liberale gemeenten anders dan hetgeen art. 11 van het Algemeen Reglement voor onze Kerk is, hetwelk naar men weet de handhaving der leer voorschrijft aan een ieder, die met kerkelijk bestuur belast is? Hoe worden niet allerlei slinksche uitwegen gezocht door de moderne predikanten in de Duitsche staten om die apostolische geloofsbelijdenis te laten voor wat zij is, zonder dat zij gerekend willen worden, haar in haar geheel te onderschrijven. „Hoort aan de geloofsbelijdenis der Christenheid" (waarmee ze zichzelf dus feitelijk buiten het Christendom plaatsen) of, „zooals die door de oude kerk geformuleerd is" enz., totdat men — zooals gezegd — b.v. in Baden naar wij meenen, er toe gekomen is, om het voorlezen daarvan af te schaffen en aldus de gewetensbezwaren der liberale predikanten tegemoet te komen!

Doch om nu eens op enkele voorbeelden te wijzen uit ons kerkelijk leven. De gebruikelijke formule, waarmee de H. Doop wordt bediend, is die: in (door vele modernen veranderd in: tot) den naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes. En nu moet een vrijzinnige er al een zonderlinge exegese van op nahouden, gelijk Mr. J. Schokking onlangs terecht in een polemiek over de belijdenisvragen met Dr. Niemeijer opmerkte, wanneer hij die formule met een eerlijk geweten durft te gebruiken. „Bederf met uwe potsenmakerijen"zou Dr. Jonckbloedt tot zulk een als Dr. Niemeijer is zeggen — niet, hetgeen onzen Vaderen heilig was." Wanneer men die formule beschouwt, zooals zij in den loop der historie is opgevat en oorspronkelijk ook is bedoeld, moet dan een moderne eerlijkheidshalve niet weigeren haar te gebruiken en het voorbeeld van den anarchistischen ar-predikant Domela Nieuwenhuis volgen, die éénmaal doopte tot geloof, hoop en liefde, of beter nog, gelijk in de Vrije Gemeente geschiedt, den Doop kort en goed afschaffen ? Toch doen de moderne dominees het niet. Waarom anders dan omdat zij dit niet kunnen en waarom preeken velen van hen op Hemelvaartsdag ? Is het niet omdat zij niet zoo radicaal durven of willen zijn, gelijk echter reeds op sommige plaatsen in N.-Holland geschiedt, hier geheel mee af te rekenen? De in zijn latere periode als schoolopziener, befaamde predikant Moene moet eens gezegd hebben: "Ïk moet nu over de hemelvaart preeken, maar ik geloof er niets van." Hem is het kort daarop toch te machtig geworden en hij heeft zijn ontslag uit de bediening genomen. De belijdenis van de H. Drieeenheid, de feiten van de opstanding en hemelvaart des Heeren zijn dus opgenomen in het kerkelijk leven der modernen, maar wat worden zij niet tot onherkenbaar wordens ontzield!

Is het bij de ethischen dienaangaande veel beter gesteld, of zij geheel vrij uitgaan Waag ik toch te betwijfelen. Hoe staat het met Dr. G. zelf ten opzichte van de leerstukken van de wondervolle ontvangenis des Heeren van den H. Geest, zijn geboorte uit de maagd Maria en de wederopstanding des vleesches, die in zijne liturgie als artikelen der Apostolische Geloofsbelijdenis zijn opgenomen? Zoo wij goed zijn ingelicht, dan is Dr. G. gewoon in de namiddag-en avondbeurten den Catechismus te behandelen — die volgens hem om uitdrukking der Christelijke waarheid te zijn algeheel inoet worden omgesmolten, doortrokken als hij is van een cultuur van lang vervlogen dagen! Wie reimt sich das zusammen ? Of geschiedt de behandeling van den Catechismus voor de gemeente door Dr. G. op de wijze zooals Doedes hem als belijdenisschrift der Ned. Herv. Kerk in de negentiende eeuw getoetst en beoordeeld heeft? Dat zal dan wel een zeer stichtelijke dienst zijn voor de „verstandelijk onontwikkelde, theologisch niet gevormde" 2) kerkgangers. Indien hij dit niet doet, maar den Catechismus eenvoudig verklaart gelijk een tekst of een pericoop uit de H. Schrift, dan heeft hij aan een even groote dosis reservatio mentalis behoefte als de modernen op de groote feestdagen en bij de bediening van den H. Doop.

We hebben zijn geschrift over Christologie, de Persoon en, het werk des Heeren niet gelezen waarin hij echter — indien wij prof. Eerdmans mogen gelooven 3) — zelf moet beweren, dat hij zich genoodzaakt ziet de orthodoxe leer der Drieeenheid te verwerpen. Indien dit zoo is, dan brengt hij, telkens wanneer hij doopt in den naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes, een goed deel der belijdende gemeente op een dwaalspoor al merkt niet ten onrechte Prof. Eerdmans op: „Doch raadselachtig blijft het, hoe een rechtzinnige gemeente een herhaald aantasten van de duidelijke beteekenis der Schriftuurlijke uitspraken en een principieel ontkennen van de christelijke geloofsbegrippen zonder krachtige teekenen van verzet, gelaten over zich kan laten heengaan."

„Tucht is, volgens Dr. G. een zedelijk begrip, wordt niet door uitwendige machtsmiddelen bereikt. Een goed onderwijzer, heerscht in zijn klas zouder uitwendige machtsmiddelen. Waar veel straf is, is weinig tucht. De kerkelijke tucht moet een zedelijk geestelijk karakter dragen, of er is geen tucht. Waar tucht wordt gemist, kan men tijdelijk door uitwendige dwangmaatregelen éenige orde in de 'Kerk bewaren, op den duur zullen deze dwangmaatregelen niet baten." 4) Om nu niet in herhaling te vervallen, verwijzen we naar hetgeen we dienaangaande reeds tegenover Dr. S. d. B. geschreven hebben 5). De Apostelen Johannes en Paulus doen een ander geluid hooren (2 Joh. 10, 11, Tit. 3:10, 11), dat meer met het onze overeen komt, terwijl Salomo het aangaande het toedienen van straf met Dr. G. wel niet in allen deele eens zou zijn (Spr. 13 : 24!)

Dr. G, beweert, „dat een ongeloovige, die tot een avondmaalsviering zou willen toetreden in een kerk, waarin de H. Geest niet alleen is en werkt, maar heerscht, dit niet kan, niet durft, hij weet zelf niet waarom, en indien hij zijn schroom zou overwinnen, en toch zou gaan aanzitten en brood en wijn nemen, hij door de heiligheid der Gemeente ten doode toe zou worden getroffen. Hij zou hetzelfde lot ondergaan als een Ananias en Saffira." Nu was de gemeente te Corinthe niettegenstaande hare groote gebreken zeker wel eene waar de H.. Geest heerschte en daar kwam het voor, dat er bij de bediening van het H. Avondmaal zelfs dronken waren, zoodat het niet meer des Heeren Avondmaal was, maar een groot drinkgelag (1 Cor. 11 : 20, 21). We kunnen niet met alle beslistheid volhouden, dat Judas aan het Avondmaal heeft deelgenomen, maar waarschijnlijk is het wel. 6) Volgens den maatstaf van Dr. G. is hier geen kwestie van zonder dat hij daarvoor eenigen grond kan bijbrengen en was de Christelijke gemeente te Corinthe even heidensch gebleven als zij vóór Paulus' prediking was. Het zijn beweringen, die Dr. G. neerschrijft: meer niet, welke in de geschiedenis ook niet maar eenigen steun vinden. Want hetgeen met Ananias en Saffira is geschied, is iets exceptioneels, iets behoorend tot den wondercyclus, die in de dagen van 's Heeren verschijning op aarde en een poos daarna gezien werd. 7) Op grond van het feit, dat, hetgeen met Ananias en Saffira toen gebeurd is, ook nu in een kerk waar de H. Geest heerscht, geschieden zal, kan een van de aanhangers der Pinksterbeweging met even veel recht opmaken, dat ook thans nog dooden worden opgewekt, wijl Petrus Dorcas en Paulus Eutyches in het leven teruggeroepen heeft. Misschien dat Dr. ook deze stelling beaamt. Zoo niet, dan is hij hoogelijk inconsequent. Zoo ja, dan zijn we zeer nieuwsgierig naar de dingen, die komen zullen.

„Kan de Gemeente de pharizeën niet uitbannen, dan kan zij niets, " zegt Dr. G. „Een Pharizeër is een veel gevaarlijker vijand dan een Sadduceër. Een helaas vrijwel algemeen aangenomen stelling is: Ecclesia non iudicat de internis (bedoeld is: intimis): de Kerk oordeelt niet over het inwendige." 8) Nu schijnt Dr, G. meer te kunnen dan Samuel b.v., die wel onder de grooten in het Koninkrijk Gods genoemd kan worden. Hij zag Eliab aan en dacht: zekerlijk is deze voor den Heere zijn gezalfde, doch de Heere zeide tot hem: zie zijne gestalte niet aan noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen. Want het is niet gelijk de mensch ziet, want de mensch ziet aan wat voor oogen is maar de Heere ziet het hart aan (1 Sam. 16:6, 7), of dan de discipelen zelfs, die niet wisten wie het was, die hun Heere verraden zou, en onder elkander begonnen te vragen wie van hen het toch mocht zijn (Luk. 22 : 23), ja tot Hem zeiden: en ik het Heere? (Matth. 26:22). Wordt hiermee niet afdoende weerlegd het „idealistisch"—om niet te zeggen hersenschimmig — beweren van Dr. G., dat de „geestehjke tucht onfeilbaar werkt, van zelf, zonder geweld, de reactie der Gemeente op alles wat niet bij haar, dus ook niet bij haar belijdenis behoort." Of zou voor onze „diep vervallen" 9) kerk nog mogelijk zijn, wat in den kring der discipelen, die met den Heere zelf het. Avondmaal vierden, niet vermocht te gebeuren?

Wat Dr. G. wil, is niets anders dan hetgeen in sommige kringen zoo gebruikelijk is, die zich als keurmeesters zetten, of iemand wel of niet bekeerd is en gaan staan op een plaats, waar zij niet behooren, oordeelende waar zij niet oordeelen mogen.

Ten slotte aangaande de uitoefening der tucht nog een vraag aan Dr. G. In het verband is immer sprake van leertucht, zooals ieder begrijpt, waartegen geen dwangmaatregelen mogen worden genomen. Waarom dan wel in zake van handel en wandel ? (alhoewel Dr. O. hierover zwijgt). Is het nu niet zuiver gedacht, dat de kerk ook in deze dingen volgens Dr. G. alleen dusgenaamd zedelijk geestelijk moet optreden, in geen geval dus met het uitoefenen van censuur voor korter of langer tijd, ja zelfs met algeheele opheffing van lidmaatschap of ontzegging van het bekleeden van kerkelijke ambten en bedieningen? Sluit het eene niet het andere in?

Een volgenden keer over het kenmerk, dat volgens Dr. G. alleen de kerk kan redden.


1) Art. III.

2) Art. II.

3) Theol. Tijdschr. van Nov. 1912, aangehaald in de N.R.C.wzXi 7 Nov. 1912, Avondblad A.

4) Art. III.

5) Ethische voorlichting VI nummer van 31 Jan.'13.

6) Zie over deze kwestie de Vragenbus van Ds. Lingbeek in De Geref, Kerk van 30 Jan. 1913.

7) Dr. H. Bouwman De kerkelijke tucht Kampen 1912 blz. 36. Tot de gewone tuchtorde der apostelen mogen evenwel niet gerekend worden gevallen als van Ananias en Saffira Hand. 5 : 3—11 en van Elymas den toovenaar Hand. 13:6—12. Hier is sprake van een direct ingrijpen Gods, waarbij de apostelen optreden als openbaringsorganen, die op buitengewone wijze Gods wil, tot uitvoering van het gericht Gods,

bekendmaken. 8) Art. III.

9) Art. IV.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's