Staat en Maatschappij.
Wonderlijk gedoe.
De rechtsche partijen hebben in hunne samenkomsten op 24 April besloten het politiek en electoraal accoord, door de hoofdbesturen dier partijen samengesteld, aan te nemen en als gevolg daarvan bij den komenden stembusstrijd samen te werken.
Toch is deze beslissing bij de Christelijk-Historische Unie niet zoo vlot van stapel geloopen als bij de andere partijen. Er was zelfs bij de stemming een niet onaanzienlijke minderheid, die liever verkoos uiteen te gaan dan de coalitie voort te zetten.
Voor onderscheidene afgevaardigden tot die minderheid behoorende ging het daarbij niet om de principieele vraag: „coalitie" of „geen coalitie", maar meer om het voordeel dat uit de coalitie voor eigen partij te verkrijgen was.
Het toegeven op Ommen en Ede was voor die mannen een offer dat zij aan de samenwerking niet konden brengen.
En toen de beslissing gevallen was, waren er die hun lidmaatschap van de Unie opzegden.
Wij zouden van dit voorval in ons blad geen melding maken, als daarna niet iets zeer curieus gebeurd was.
Na de laatste vergadering van de bekende Predikantenveieeniging, die einde April in Utrecht gehouden werd, bleef een groot aantal predikanten bijeen. Op deze bijeenkomst besloot men, nog onder den indruk van het besluit van 24 April tot voortzetting der coalitie, om op Vrijdag 16 Mei te Utrecht eene vergadering te houden om te overleggen over een manifest, waarin zal gewezen worden op de gevaren die de Ned, Herv. Kerk bij het vasthouden aan de bestaande politieke constellatie bedreigen.
Nu ligt het curieuse van het geval niet hierin, dat de malcontente dominees te Utrecht bij elkaar komen om de hersenschimmige gevaren voor den ondergang der Ned. Herv. Kerk aan elkander duidelijk voor te stellen, of om met elkander den steen der wijzen te zoeken over den te volgen weg voor een neuw 'Christelijk regeerbeleid. Wij zien hierin niets bijzonders. Het is den menschen eigen om veel te critiseeren en veel te theoretiseeren, zonder dat al het geredeneer tot eenig resultaat leidt. Maar wat wij in het optreden dezer predikanten wonderlijk vinden is, dat, naar de predikant-medewerker in de N. R. Ct. bericht, tot de vergadering van 16 Mei predikanten opgeroepen worden „van welke richting ook." De oproeping, onderteekend door Dr. J. R. Slotemaker de Bruine en Dr. A. van der Flier G.Jzn., is, met verzoek om opneming, zelfs ook gezonden aan het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden.
De vrijzinnige predikanten vinden dit natuurlijk erg prettig. Een conferentie met rechtzinnige broeders over politeke zaken trekt altijd aan, en dan nog misschien het fortuintje dat met die broeders voortaan ook eendrachtig op kerkelijk terrein zal kunnen samengewerkt worden — het is haast te veel voor éénmaal.
Het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden gaat vast op verkenning uit. Het schrijft over deze aangelegenheid:
«Uit deze oproeping mag worden opgemaakt, dat de onderteekenaars en degenen, die hen machtigden, het goed recht der vrijzinnige predikanten in de Hervormde Kerk erkennen, en er allerminst aan denken, mede te werken tot maatregelen, waardoor hun het leven in de Kerk ondragelijk zou worden gemaakt. Het zou immers weinig minder dan verraderlijk wezen, vrijzinnige predikanten op te roepen tot een actie voor het behoud der Kerk, en intusschen rond te loopen met plannen, om op de positie der vrijzinnigen in de Kerk een aanval te doen, en hen zoo mogelijk de Kerk uit te dringen. «Toch zal het zaak zijn, allereerst daarover ter vergadering tot klaarheid en zekerheid te komen. Want voor zoover wij weten, hebben de heeren Slotemaker de Bruine en van der Flier nog met eerder getoond, van het recht der vrijzinnigen in de Kerk overtuigd te zijn. Wij meenen zelfs, nog niet lang geleden, althans van den heer Slotemaker de Bruine, heel andere klanken te hebben gehoord. Wij hopen, dat vele vrijzinnige predikanten in de gelegenheid zullen zijn, de vergadering op 16 Mei bij te wonen.»
De aansporing voor de vrijzinnigen om op 16 Mei de vergadering der malcontente heeren predikanten bij te wonen, zal zeker niet te vergeefs zijn gedaan. In gedachten zien wij de drommen vrijzinnigen al optrekken naar „Kunsten en Wetenschappen." Liberalen, radicalen en socialisten, beraadslagende met Dr. Slotemaker de Bruine en Dr. van der Flier over de gevaren die de Ned. Herv. Kerk bedreigen en de middelen overwegende die er toe kunnen leiden om de positie der Kerk te sterken. Het is curieus!
Als de zaak niet te ernstig was, zouden wij een glimlach niet kunnen onderdrukken.
Wat is in zulk een wijze van doen toch een naïviteit gelegen.
Het zou ons niet verwonderen als de vergadering te Utrecht in een Poolschen Landdag verliep,
Geen liefde, maar eerbied.
Is het in strijd met de neutraliteit van het openbaar onderwijs dat de onderwijzer den kinderen liefde inprent voor het Oranjehuis?
Kan van den openbaren onderwijzer geeischt worden dat hij daartoe zijne medewerking verleent?
Aanvankelijk meende de heer Roodhuijzen, de bekende palstaander voor de openbare school, dat dit laatste wel mocht. Later kwam hij, naar het Orgaan van den Bond van Neder-landsche onderwijzers meldt, daarop terug.
Het aankweeken van liefde voor het Oranjehuis was van den openbaren onderwijzer wat te veel gevraagd; hoogstens mocht men spreken van eerbied.
Of de heer Roodhuijzen met deze veranderde zienswijze, die waarschijnlijk met de aanstaande Juni-gebeurtenissen in verband staat, de positie van de openbare school heeft versterkt, betwijfelen wij.
Men weet het dus: „geen liefde, maar eerbied" voor het Oranjehuis.
Verder mag men niet gaan.
Postdienst.
De Standaard wijst er op, dat er van meer dan êene zijde weer aandrang komt om den postdienst nog méér dan tot dusver op Zon en feestdagen te temperen,
„Vanzelf' zegt het blad, „komt deze drang 't sterkst op van christelijke zijde en men durft dien drang uitoefenen omdat men acht dat 't kan.
„Wel geeft men toe, dat er op de bureaux op een bepaald uur van den Zondag voor wat expresse spoed-orders betreft gelegenheid tot behandeling moet bestaan, maar in de meeste plaatsen kon dit met een uur afloopen en in groote steden zou toch ook hiervoor een dienst van enkele beambten, zeg gedurende twee uren, voldoende zijn.
„Hoofdzaak blijft maar, dat de bestelling op Zondag nog worde ingekort en dat ze Zaterdagsavonds bijtijds stop worde gezet. Al weet men toch dat de handel hiertegen mokt en mort, met den handel is nooit een accoord aan te gaan. De handel blijft altoos materialistisch en heeft zich niet dan zeer noode in de bepalingen die nu reeds gelden, geschikt.
„Vergete men bovenal ook bij den postdienst niet, dat gelegenheid voor rustige Zondagviering een geheele schare van ernstige personen beschikbaar zou stellen, die nu om den Zondag den postdienst mijden, en in verband hier mede, dat het karakter van het personeel hooger komt te staan, bij welken dienst ook indien de Zondag zijn heiligende kracht kan oefenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's