Stichtelijke overdenking.
En anderen spottende, zeiden : zij zijn vol zoeten wijn. Hand. 2:13.
Vol zoeten wijn.
Het is een bekende spreuk die wij allen meermalen gehoord en misschien ook wel gebezigd hebben: „waar God Zijn Kerk bouwt, daar bouwt de Satan zijn kapel." De beteekenis van deze spreuk zal voor ieder wel duidelijk zijn. Het wil dit zeggen dat als God bezig is in Zijn Kerk te werken, de vorst der duisternis gereed staat om door allerlei middelen te trachten het werk des Heeren krachteloos te maken.
En nu spreekt het wel van zelf: hoe krachtiger het werk is dat de Heere hier op deze aarde verricht, hoe meer de Satan in woede ontvlamt en hoe meer hij al zijn krachten inspant om het werk des Heeren te verhinderen. Hoe schooner het gebouw is dat in den dienst des Heeren wordt opgetrokken, hoe meer er den Satan aan gelegen is om zooveel mogelijk steenen uit de muren van dat gebouw af te brokkelen. Ja, waar de Heere het allerheiligste aan den mensch aanbiedt, daar wordt Satan vaak in zijn allergrootste onheiligheid openbaar.
Zoo was het bij de geboorte van Christus. Nauwelijks had het kindeke Jezus uit den schoot Zijner moeder het licht dezer wereld aanschouwd, of Herodes stond gereed om in den kindermoord van Bethlehem dat uit God geboren leven te blusschen.
Zoo was het bij de opstanding van den Heiland. Nauwelijks was de blijmare: „De Heere is waarlijk opgestaan" verbreid, of de leugen der wachters dat „Hij door Zijne discipelen was gestolen" trachtte die blijdschap te dooven.
En gelijk op het Kerstfeest en op het Paaschfeest, zoo heeft Satan ook bij het heilsfeit, waaraan het Pinksterfeest ons weer heeft herinnerd, zijn aard niet verloochend en zich ook toen weer doen kennen als een tegenstander van God en Zijn volk. De woorden, die wij hierboven schreven, bepalen ons daarbij. Immers we worden hier herinnerd aan den verschillenden indruk dien de uitstorting des Heiligen Geestes teweeg heeft gebracht. Eenerzijds was het ook nu weer gebleken dat Christus, wiens volbracht Middelaarswerk hier immers verzegeld werd, gezet was tot een val en opstanding, want daar waren er reeds velen geweest die zich ontzet hadden en die het in twijfelmoedigheid elkander afgevraagd hadden: Wat wil toch dit zijn? En van deze twijfelmoedigen zijn er zeker niet weinigen geweest die het straks in verslagenheid des harten den apostelen hebben toegeroepen: „Wat zullen wij doen, mannen broeders? "
Maar waar Hij eenerzijds gezet was tot een hoofd des hoeks, daar zou diezelfde Christus ook hier anderzijds weer blijken te wezen een steen des aanstoots en een rots der ergernis.
Ook op den Pinksterdag zou.de profetie van Simeon vervuld worden dat Hij ook was „een teeken dat wedersproken zou worden."
Hoe duidelijk komt dat uit in de beschuldiging, die op den Pinksterdag de discipelen trof.
Is er iets dat hier in de eerste plaats onze aandacht verdient dan is het zeker wel dit dat Satan meer dan één wapen heeft waarmee hij de onderdanen van het Godsrijk bestrijdt. Hij heeft zelfs allerlei soorten van wapenen, waarmee hij het volk des Heeren aanvalt en vaak op allerlei wijzen bestookt.
Soms heeft hij dat gedaan door brandstapels en schavotten voor de Kerk van God op te richten, maar altoos weer bleek het, als hij te vuur en te zwaard de gemeente des Heeren trachtte te verwoesten, dat het bloed der martelaren dan het zaad werd van de Kerk. Hoe meer hij op deze wijze woedde hoe grooter steeds het aantal van de belijders van den Naam des Heeren werd.
Daarom heeft hij ook vaak andere wapenen gebruikt. De Vorst der duisternis is immers niet slechts een sterke vijand, hij is niet slechts een briesende leeuw, maar hij doet zich ook zoo menigmaal voor als een engel des lichts. Ook tegen de listen van den Satan, die ook den apostel Paulus niet onbekend waren, verheft het Woord des Heeren zoo telkens weer zijn waarschuwende stem. Zoo kan b.v. Satan met u meegaan op uwen weg, hij kan u in den waan brengen dat gij o zoo braaf, zoo vroom en zoo deugdzaam zijt, en als gij ten slotte diep genoeg in dien waan zijt geworteld dan maakt hij dat uw schip op de klip der eigengerechtigheid stranden moet.
Maar behalve zijn macht en zijn list heeft Satan nog andere wapenen te zijner beschikking, en een der scherpste en meest giftige wapenen, waarmee hij de gemeente des Heeren bestrijdt, is het wapen van den spot. Dat wapen heeft hij ook op den Pinksterdag gehanteerd en wel door de beschuldiging, die hij tegen de discipelen inbracht: „Zij zijn vol zoeten wijn."
In dit enkele woord komt heel de aard, heel het satanisch karakter van den Vorst der duisternis uit. Want ziet eens, wij moeten ons dat optreden van Satan eens goed indenken. Wij moeten ons zelve eens afvragen waarom hij op deze wijze is opgetreden. Satan immers zag dat hij op den Pinksterdag terrein verloor; dat hij meer terrein verloor dan hij nog ooit verloren had. Tot hiertoe toch was het Godsrijk op enkele uitzonderingen na, alleen tot het volk van Israel beperkt gebleven. De heidenen had de Heere laten wandelen in het goeddunken huns harten. Over de heidenen was Satan tot hiertoe zoo goed als onbeperkt gebieder geweest. Maar thans was niet slechts aan de Joden, maar in verschillende talen ook aan de heidenen het heil in Christus verkondigd. Thans was van Godswege ook aan de heidenen de hand der verzoening aangeboden. Verstaat gij dan nu, waarom Satan zich in zijn macht zag bedreigd? Begrijpt gij dan nu, waarom de Booze het werk des Heeren van den Pinksterdag zoo fel mogelijk moest tegengaan en dat hij hiertoe ook nam het meest giftige wapen dat in zijn tuighuis voorhanden was?
O, Satan begreep wel dat hij thans met zijn macht niets uitrichten kon. Daarvoor was de indruk onder de schare te machtig geweest. Straks, als die eerste indruk wat voorbij was gegaan, dan zou hij trachten wat hij te vuur en te zwaard zou kunnen doen. Zijn list kon hem hier ook niet baten. Immers, menschen die vervuld zijn met den Heiligen Geest wijs te maken dat hun eigen werk den Heere nog welbehagelijk zou zijn, o Satan gevoelde wel dat het tevergeefs zou zijn. Of is het niet juist de Heilige Geest die de wereld van zonde, gerechtigheid en oordeel overtuigt en die het den ontdekten zondaar leert, dat alleen de gerechtigheid van Christus het kleed is dat zijn schuld voor het aangezicht des Heeren bedekt?
Maar wat hij thans met zijn macht en zijn listen niet kan bereiken dat zal hij nu op andere wijze trachten te doen. Spotten, de zaak helachelijk maken, dat is het middel dat nu het meest voor de hand ligt. Immers als hij gaat spotten, dan zullen de hoorders niet meer zoo ernstig zijn, dan zullen zij niet meer zoo diep nadenken over het woord dat in verschillende talen door de discipelen verkondigd wordt.
Zij zijn vol zoeten wijn! O hoe schrikkelijk was het vergrijp, waaraan deze spotters zich als instrumenten in de hand van Satan hebben schuldig gemaakt. Het werk des Heiligen Geestes werd door hen voorgesteld als het werk van den drankduivel. De woorden der apostelen, die de Geest hun gaf uit te spreken, werden gelijk gesteld met het gezwets van een dronkaard.
Indien ergens, dan mag zeker hier bij deze spotters gedacht worden aan het aangrijpende woord, des Heeren dat alle zonde en alle lastering den menschen zal vergeven worden, maar dat alleen de lastering tegen den Heiligen Geest den menschen niet vergeven zal worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. Deze rampzaligen immers lieten zich door Satan gebruiken om het werk des Geestes niet alleen tegen te staan, maar zelfs in een bespottelijk daglicht te stellen, en zoo behoorden zij tot degenen, van wie de apostel in zyn brief aan de Hebreen getuigt: het is onmogelijk degenen die eens verlicht zijn geweest en de hemelsche gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig werden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekeering als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.
En nu moeten wij ons niet al te zeer verwonderen over dezen Satanischen spot, waarmee de slang van den laster op den Pinksterdag haar venijn heeft uitgespuwd. In de eerste plaats hierom niet, omdat hetzelfde wat men hier de discipelen verweet Christus zelf immers ook was verweten. En de discipel is toch niet meerder dan zijn Meester, noch de gezant meerder dan degene die hem gezonden heeft. Welnu, ook den Meester had men immers gescholden voor een vraat en een wijnzuiper, voor een vriend van tollenaren en zondaren. En als men het Hem gedaan had, zou men het dan ook Zijne gemeente niet doen ? Ja, op den Pinksterdag moest het aanstonds door de Kerk des Heeren reeds ondervonden en geleerd worden wat haar Hoofd en Koning haar eenmaal had voorspeld: Indien zij Mij vervolgen, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mij versmaden, zij zullen ook u versmaden, ja de ure komt dat wie u zal dooden, zal meenen Gode een dienst te doen.
Maar daar is nog een reden waarom wij ons niet al te zeer verwonderen moeten dat men de discipelen op den dag van het eerste Pinksterfeest heeft bespot. En die reden is deze dat, wat toen geschiedde, heden ten dage nog geschiedt. Of meent gij dat het geslacht der spotters is uitgestorven? Maar dan moest immers de apostel Petrus het ons niet voorspeld hebben dat in het laatste der dagen spotters komen zouden, die naar hunne eigene begeerlijkheden zouden wandelen. En inderdaad, als we het leven onzer dagen eens nagaan, als we eens rondom ons zien, merkt gij dan niet, hoe de wapenen van den spot steeds scherper geslepen worden en hoe men met niets sparende bitterheid de belijders der Waarheid daarmee op ieder terrein des levens bestookt?
O daar zouden uit alle landen en ook uit ons vaderland mannen genoemd kunnen worden, dichters en schrijvers, door God niet zelden met groote gaven Zijner algemeene genade verrijkt, die er zich op toegelegd hebben om de zaak des Heeren belachelijk te maken, om datgene wat Gods volk dierbaar is boven alles, in een bespottelijk daglicht te stellen. Misschien hebt gij zelf wel eens dergelijke satyren gelezen of dergelijke teèkeningen gezien, waarop het heilige u als iets belachelijks voorgesteld werd. En wat dunkt u, zou deze zonde niet dezelfde zonde zijn als die van de spotters op den Pinksterdag, die van de apostelen durfden zeggen: zij zijn vol zoeten wijn?
O, dat we toch genade mochten zoeken om voor deze zonde van spot met het heilige, waarvan de kiem immers ook in onze harten gezaaid ligt, te worden bewaard. En als we hooren dat deze zonde vaak zoo gieriglijk door anderen bedreven wordt, o dat wij dan iets van de vrijmoedigheid van Petrus mochten hebben om te getuigen tegen dien geest van spotternij, waardoor de Naam en de zaak des Heeren ook in deze dagen zoo gedurig wordt aangerand.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's