Uit het kerkelijk leven.
Confessionalisme.
Confessionalisme. We moeten als Hervormde menschen confessioneel van karakter zijn. Dat wil zeggen: we moeten ons stellen op den bodem van de belijdenis onzer Herv. Kerk. Maar dan moet die belijdenis ook genomen worden zooals zij is, n.l. dat die belijdenis de Schrift vóór alles en boven alles laat gaan. De Schrift is regel voor leer en leven.
Die zich dus beroepen op een art. van de belijdenis b.v. art. 36 of welk artikel ook, zonder aan de Schrift als hoogste autoriteit recht te doen, dwalen. Die zijn niet confessioneel meer, maar vallen in de fout van het confessionalisme, dat zweert bij de belijdenis als hoogste autoriteit. Die hooren thuis in een z.g.n. belijdeniskerk en niet in een belijdende Kerk.
De Gereformeerden hebben daar nooit van willen weten.
Die belijden dat de geref. belijdenisschriften zoo goed mogelijk de grondlijnen hebben willen aangeven, naar uitwijzen van de Schrift, maar dat de uitspraken van de belijdenis steeds moeten gecontroleerd worden aan de Schrift zelve en dat ook de oude waarheden en nieuwe vraagstukken telkens nader behandeld moeten worden, met handhaving van de geheel eenige waarde der Schrift en tot verdieping van de echt christelijke waarheid in betrekking tot het tegenwoordige leven, zoo rijk aan wisselingen.
Als de belijdenisschriften b.v. zeggen dat er overeenkomst is tusschen doop en belijdenis, is daarmee niet alles gezegd en mag men — met de belijdenis in de hand — maar niet zeggen: de doopspractijk moet conform de besnijdenispractijk zijn; alle Joodsche kinderen werden besneden en dus ook alle kinderen, uit Christen-ouders geboren, moeten gedoopt worden.
Dat hoort thuis in een belijdeniskerk, die dood is.
Wat de belijdenis in art. 86 zegt van de taak der Overheid, mag niet genomen worden als onbetwistbaar en onverbeterlijk, om zwerende bij vroegere practijken van menschen, te weigeren den zin der Schrift in deze na te speuren.
Die de confessie recht kent en eert, zooals de confessie zélf dat wil, belijdt: dat de H. Schrift norma normans is en de belijdenis norma normata. Dat wil zeggen: dan wordt de Bijbel als regel voor, leer en leven geëerd en de Kerk moet in hare belijdenisschrifien dan het Woord van God naspreken, naar de mate de Kerk des Heeren deelen mag in het licht des H. Geestes, die in alle waarheid leidt.
Daarom wenschen de Gereformeerden ook niets liever, dan dat de Kerk des Heeren hier te lande verklaart niets anders te weten, dan 't geen de Heere in Zijn Woord heeft geopenbaard, om, in éénheid van die belijdenis naar de Schriften, met alle broeders en zusters in den geloove voor den Christus Gods te buigen en te wandelen naar Zijne bevelen.
„Gods Woord ten licht en Christus tot Gids", is de gereformeerde leuze van ouds.
En zóo kan de Gereformeerde Kerk, me hare gezonde en levende belijdenis, ook den toon aangeven in het midden van het volksleven, terwijl het confessionalisme met doode visschen in dood water speelt, waaraan kracht noch heerlijkheid is en waarvan het volk zich afwendt.
Een stem van de Ethischen.
In Groningen ging het heet toe bij de stemming voor Gemachtigden. Modernen, Ethisehen, Confessioneelen deden hun best om hun mannen in het Kiescollege gekozen te krijgen. Wat heerlijken aanblik geeft onze Hervormde Kerk toch, vooral in dagen van verkiezingen ! Wat is het toch een „non plus ultra" in onze lieve Volkskerk ! Alle richtingen zy'n er vertegenwoordigd. Wat gist onder het Volk gist na in de Kerk. Elke geestes-strooming kan kostelijk tot uiting komen in onze Vaderlandsche Kerk. 't, Is een ideaal-toestand, voor waar 't Liep tegen de herstemming in Groningen en 't ging om 12 plaatsen in het Kiescollege. De vrijzinnigen likten al om den mond. Een stukste van den buit te mogen meedragen zou toch wel aardig zijn. En daarom, — men moet van den nood een deugd maken — een voorstel ingediend bij de Ethischen: of men niet bereid was saam te werken voor de herstemming, dan konden de confessioneelen geslagen worden en de ethischen mochten dan het grootste deel van den buit, als de vrijzinnigen ook maar wat kregen !
Zonder hoop was men niet bij de Vrijzinnigen, dat de Ethischen zouden toehappen. Die weten toch ook wel hoe hun positie in het nauw komt langzamerhand. En hoe lief deed pas Dr. Gunning nog niet naar links, toen hij rechts den wassenden stroom van het gereformeerd beginsel zag. En dan Dr. Gheel Gildemeester in den Haag, die zei immers ook: er zijn moderne leden van de Gemeente, dan moeten er ook maar een paar moderne predikanten komen...
Er was wezenlijk wel hoop, dat de samenwerking lukken zou. In Middelburg was men toch ook al aardig op weg.
In Dordt niet het minst.
Maar ach, arme ! Daar komt het antwoord van de Ethischen in Groningen en — 't is een bedankje.
Doch dat is het ergste nog niet.
't Wordt nog veel vreeselijker.
Niet alleen dat de Ethischen niet wilden samenwerken met de Modernen in Groningen. Maar de Ethischen hebben ook een circulaire toen verspreid om de Ethische candidaten aan te bevelen, waarin de vrijzinnigen feitelijk buiten de Kerkelijke gemeenschap gezet worden.
Want in die circulaire (onderteekend door de predikanten A. de Visser voorz. van de Ethische Kiesvereenig. „De goede belijdenis" en Ds. M. ten Broek secr.) wordt van de Vrijzinnige Hervormden gelegd:
»Zij meenen en beweren den Bijbel naar den geest te verstaan en uit te leggen, maar zij berooven hem naar onze vaste overtuiging van zijn wezenlijken en rijksten inhoud. Immers de persoon van Chiistus valt als Verlosser van zondaren voor hen weg en daarmee is o. i. wezen en kern van het Christendom aangetast.*
Dat was voor de Vrijzinnigen om woedend te worden!
't Is feitelijk buiten de Kerkelijke gemeenschap gezet te worden ; buiten het Christendom zelfs. Want „die den Bijbel van zijn wezenlijken en .rijksten inhoud berooft" en die „wezen en kern van het Christendom aantast" is natuurlijk geen Christen meer. Evenmin als een Jood of een Mohammedaan Christen genoemd mag worden.
En die circulaire van de Ethische Kiesvereeniging was voorzien van een verklaring van instemming door de hoogleeraren Dr. I. van Dijk, Dr. L. H. Bleeker en Dr. A. van Veldhuizen en door Ds. C. W. Coolsma.
(Welke professor was dat ook al weer die zeide dat de ethischen zich weinig inlieten met verkiezingswerk en slechte verkiezingsagenten waren? )
De Vrijzinnigen boos!
En die óok een circulaire aan 't verspreiden.
Daar stond ongeveer dit in:
»Met algemeene stemmen is ons voorstel tot samenwerking door de ethischen verworpen. Het is eenvoudig onbegrijpelijk van de ontwikkelde leden der vereeniging »De Goede Belijdenis»; het is onbegrijpelijk van haar predikanten, van den President (ds. de Visser), die zoo dikwijls ijvert voor de benoeming van vrijzinnige elementen in bestuurscolleges en van den Secretaris ds. ten Broek), die nog kort geleden samenwerking vroeg aan de vrijzinnige gemeenten in ons Vaderland voor zijn philanthropischen arbeid; maar het meest onbegrijpelijk is het van de H.H. Professoren, die in hun ethische theologie gebroken hebben met het uitwendig gezag der Schrift, die in de Schrift mythen en legenden aannemen en vele subjectieve menschelijke voorstellingen, die op tallooze punten van de oude Kerkleer afwijken en die derhalve het zedelijk recht missen anderen buiten te sluiten, die, de wetenschap beoefenend volgens dezelfde methode, in hun historische kritiek nog wat verder meenen te moeten gaan.
Toen eenigen tijd geleden het jubile werd gevierd van den vrijzinnigen Professor Meyboom, kwamen diezelfde heeren als wijzen uit het Oosten aandragen met hun goud en wierook en myrrhe in hun waardeerende toespraken en geschenken, en thans wordt de invloed van 'diens godsdienstige en wetenschappelijke overtuiging zóo gevaarlijk geacht, dat men zijn geestverwanten en leerlingen zulfs geen plaats in de Ned. Herv. Kerk wil verzekeren.
Het is eenvoudig onbegrijpelijk.
Als twee buren ruzie krijgen, dan hoort men wat!
Intusschen hebben de Ethisehen het in Groningen gewonnen, want de Confessioneelen moesten het afleggen, behalve één-, die gekozen werd omdat hij ouder was dan zijn ethisehen tegencandidaat, die evenveel stemmen had als hij.
't Heeft er dus gespannen in Groningen, waarbij de Ethisehen zich duchtig hebben geweerd, óok tegen de Confessioneelen.
Daar waarschuwden ze ook tegen in hun circulaire en wel ongeveer op déze wijze:
»Aan den anderen kant moeten wij verklaren, dat de belangen der gemeente bij de confessioneelen niet veilig zijn, omdat dezen door hun beginsel gedwongen worden eenzijdig te zijn en slechts predikanten van éen richting te beroepen, terwijl de Ethischen altijd in de gemeente rekening hebben gehouden met de verschillende schakeeringen der Rechterzijde en diezelfde gedragslijn in het belang der gemeente wenschen te handhaven.*
Lieve menschen, die Ethischen! Die deelen altijd liefst gelijk op met anderen.
Alleen dan moet men niet zoo „eenzijdig" zijn als de gereformeerden en geen calvinistische allures vertoonen en geen dwaasheden uithalen van geen gezangen te laten zingen, want.... dan krijgt men niets.
Intusschen sloeg die lieve circulaire in. Want de candidaten der confessioneelen kregen bij de herstemming nog 30 stemmen minder dan bij de eerste stemming, en de ethischen gingen 50 stemmen vooruit, dat scheelt 80.
Pluriformiteit.
Dat vreemde woord, gebruikt in betrekking tot de Kerk, wil dan uitdrukken dat er een Gereformeerde Kerk is, een Remonstrantsche, een Luthersche, een Roomsche enz.
De Kerk doet zich hier op aarde in meer dan één vorm voor.
Door het feit van de zonde te verklaren. Ook nooit weg te nemen. In vele opzichten tot groote ellende.
Zoo is altijd de meening geweest. Nooit heeft men anders gezien en anders verklaard.
Hoewel men wel dikwijls in dwazen ijver, vol lust naar succes en wereldsche grootheid, met plakkaten, boeten en knuppels heel die pluriformiteit op zij heeft willen zetten, eischende dat er maar één Kerk zou zijn in ons Vaderland, terwijl allen, die niet in die Kerk saamwoonden, of zich bij die Kerk moesten voegen óf opgehangen worden.
Dat was ook de eenvoudige consekwentie. Want b.v. de Roomschen naar een ander land verbannen kwam in strijd met de tweede tafel der wet, waar geleerd wordt: dat we een ander land niet mogen opschepen met wat we zelf niet willen hebben.
Onze Geref. Vaderen hebben in deze, omringd van allerlei on-Schriftuurlijke beschouwingen, dikwijls misgetast.
Maar toch bleef hun grondprinciep, — wat ze ook ten slotte in ons land, het land der vrijheid, in practijk toonden — dat er één Gereformeerde Kerk moest wezen, waar allen met de Gereformeerde belijdenis instemden, terwijl de anderen: Roomschen, Lutherschen, Remonstranten enz. enz. met betrekkelijk recht afzonderlijk moesten blijven, uitsprekende dat deze Kerken in hun vrijheid niet mochten verkort.
Door verkeerde beschouwingen geleid dachten velen wel, dat de Roomsche Kerk de Antichrist was. Dat er geen hooger gruwelbedrijf denkbaar was dan tot de Roomsche Kerk te behooren. Maar de Heere heeft het ons in den voortgang der tijden wel anders geopenbaard. Gelijk dan ook Calvijn, zelf uit de Roomsche Kerk bevrijd, aanstonds wel leerde, dat in het vrijdenkers-systeem de moeder was te zien van grooter monster, dat tegen alles wat Christelijk was — Roomsch en Gereforrneerd en Luthersch saam — zou optrekken om het, zoo mogelijk, uit te roeien.
De openbaring der Kerk stond daar dus in velerlei vorm.
En heel die Kerk, Roomsche, Gereformeerde en Luthersche saam, was omringd van geduchte vijanden,
Ja, in die Kerken zouden de vijanden als wolven in schaapskleeren binnendringen, om de zielen te verderven.
Dat was de schrikkelijkste aanslag die gepleegd kon worden.
En daarom gingen onze Vaderen niet aan 't opsmelten van Roomsche, Gereformeerde en Luthersche Kerk, — zooals in de minst besliste kringen van Duitschland en Nederland wel voorgestaan is — die pluriformiteit aanvaardden de Gereformeerden overal. Uitwisschen van de grenzen wilde men niet. Maar in de Gereformeerde Kerk wilde men van geen pluriformiteit weten. Daar moest eenerlei „forme" zijn in belijden, in kerkregeering, in liturgie, in sacramentsbeschouwing en bediening. En nauwkeurig moest acht gegeven worden of het alles vloeide uit één Bron en alles was naar het ééae Woord.
De leer van de verkiezing — het cor ecclesiae, het hart der kerk — en de leer der algemeene verzoening kon en mocht niet saam geduld in de ééne Gereformeerde Kerk. 't Eén was tot heerlijkheid Gods en 't ander tot verheerlijking van den mensch.
Als trouwe wachters op Sions muren werden allen, die in het midden der Geref. Kerk wenschten te buigen voor Gods Woord en stonden op den bodem der belijdenis, door onze Vaderen telkens opgeroepen om te waken en te strijden.
Geen pluriformiteit in de Kerk.
Eén geloof, éen doop, éen in openbaring onder de menschen als Gereformeerde Kerk van Nederland, daarbij in ondergeschikte dlngen elkander vrijlatende.
En nu zien we het wondere verschijnsel, dat de Confessioneelen tegen de pluriformiteit der Kerk te velde trekken.
Er mag maar éen Kerk zijn; de Hervormde Kerk. En in die Kerk héél het volk saamwonend.
En dan in die Kerk geen vrijlating in... ondergeschikte dingen, maar wel pluriformiteit in ... belijdenis !
De Confessioneelen leeren, dat de Gereformeerden die geen gezangen zingen met afscheidingsbeginselen besmet zijn; geen Christus-prediking kunnen brengen, in de Hervormde Kerk eigenlijk niet thuis hooren; overal waar ze komen de boel in de war sturen en daarom overal ook geweerd.
Maar in zake belijdenis willen ze de afwijkingen van ethischen enz. dulden. Zelfs zou het verlies van de Modernen niet weinig te betreuren zijn voor de Herv. Kerk.
Er moet pluriformiteit zijn in de Kerk, leert men tegenwoordig.
En men doet met den dag lief en vriendelijk tegenover de ethischen.
Pluriformiteit in de Kerk.
En daarom hooren de Gereformeerden er eigenlijk niet in. En moeten ze ook overal geweerd worden.
Daarom wil men op Zendingsgebied niet meedoen met de Gereformeerden.
Niet meedoen op schoolgebied. Niet meedoen in Jongelingsbond.
In zake Gymnasiaal onderwijs mag het niet gereformeerd zijn, maar christelijk, om speelruimte over te laten voor ethisehen enz. In Volksonderwijs eveneens.
Vooral moet de pluriformiteit in de Kerk bewaard worden. Men moet niet uitsluiten.
En men ziet alles verloren gaan, in niet gereformeerde handen komend. Omdat men de wacht niet betrekt bij het beginsel.
Omdat men zich niet fier stelt tegenover wat principieel met het Gereformeerd beginsel verschilt, 't Is een vreemde wereld waarin we leven.
Die menschen die beschuldigd wórden van de pluriformiteitsleer voor te staan, daar ze eenvoudig uitspreken, dat er, van wege de zonde, een Gereformeerde, Luthersche, Remonstrantsche, Roomsche, Doopsgezinde Kerk is, die niet kunnen en niet mogen opgesmolten worden tot éen Kerk, waar men in-belijdenis, doop, Kerkvorm enz. verschilt — daarbij belijdende, dat onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk de Kerk onzer Vaderen is, die zich weer als de Gereformeerde Kerk heeft te openbaren, waar alle broeders en zusters die éen zijn in belijden en saam willen bukken voor den Christus Gods moeten saamwonen, — ziet, die mensche worden voorgesteld als Kerkverwoesters, slechte Hervormden, nieuwlichters, afgescheidenen.
Terwijl die mannen, die de pluriformiteit van de Kerk met krachtwoorden ontkennen en zweren bij éen Kerk voor héél het volk, pluriformiteit in de Kerk willen toestaan en dan ook in al hun werk toonen, dat ze liever met de ethischen optrekken dan met de gereformeerden. En die menschen van die pluriformiteit zijn dan de echte Hervormden die het alleen wél meenen met Kerk en Vaderland.
Schleiermachers filosofie is niet noodig bestudeerd te worden om te gevoelen, dat we in een vreemde wereld leven op't oogenblik!
Een medewerker schrijft ons:
Ongevraagde recensie van een recensie.
V.
Er is maar één ding, dat volgens Dr. Gerretsen een kerk kan redden d.i. heiligheid. Alle andere pogingen zullen jammerlijk falen. Een kerk, die niet in heiligheid, maar in uitwendige maatregelen haar heil zoekt, gaat onvermijdelijk onder in phariseisme. Zij wordt een witgepleisterd graf. (art. VIII) Dit is — zoo zal men allicht naar zijn eigen beweren mompelen: de oude dwaling van Montanisme en Labadisme. Een volmaakte kerk is op deze aarde, zoolang wij in het vleesch verkeeren een onmogelijkheid. Wie dat wil, laat de toekomst des Heeren geen toekomst. Hij anticipeert (art. IV). Dr. G. stemt dadelijk toe, dat het gevaar van anticipatie bestaat. Men meene niet, dat het door hem ontwikkelde standpunt met zich meebrengt, dat de Kerk al dadelijk alleen uit heiligen of volmaakten zou moeten bestaan. Dit is onjuist. In de eerste plaats omdat voor een uitoefening van tucht als boven beschreven wel menschen noodig zijn in wie de H. Geest heerschappij voert over het vleeschelijke, dat nog in hen gevonden wordt, maar niet menschen in welke geen vleesch meer gevonden wordt.
Na hetgeen wij in ons vorig artikel gestaafd met verschillende bewijzen uit de H. Schrift te berde gebracht hebben, zal het wel niet noodig zijn bij het onver werkelijke hiervan langer stil te staan. Dr. G. meent beslist, dat door het gebruik van geestelijk zedelijke middelen degenen, die in hun afkeerigheid volharden, wanneer deze tot vijandschap overslaat, uit de Gemeente moeten worden uitgestooten, een daad van ontzachlijke beteekenis, het overgeven van de zoodanigen aan Satan (1 Cor. 5 : 5; . Alsof dat zoo maar gaat en men dan niet de toevlucht zal moeten nemen tot een formulier van den ban of der afsnijding van de Gemeente van Christus, gelijk dit door onze vaderen reeds voor meer dan drie eeuwen is opgesteld, terwijl door het bestaan der verschillende Christelijke kerken naast elkaar de tucht soms illusoir wordt gemaakt, wanneer de een als broeder opneemt, die door een ander als heiden of tollenaar wordt afgesneden, 1)
Het is evenwel goed er even nota van te nemen, dat, waar sommige ethischen het er immer over hebben dat die gereformeerden maar willen uitbannen en altijd maar uitbannen, waaraan men wel een begin kan krijgen, maar geen einde, 2) er hier een onverdacht ethische is, die meer dan eenmaal spreekt van uitbannen door de Gemeente van besliste tegenstanders, alhoewel hij zich dat als vanzelfgaande, zonder eenig daadwerkelijk optreden, voorstelt.
Daarmee hangt ook samen, dat volgens Dr. G. de bestaanswijze der Kerk charismatisch (charisma = genadegave) pneumatisch is. Hij volstaat er mee te constateeren, dat er naar de ontwijfelbare uitspraken der H. Schrift ambten zijn. Deze ambten zijn voor het welzijn der Kerk onmisbaar. „Een Kerk zonder ambten is als een lichaam zonder organen." Hierin toont hij een beter inzicht te hebben dan Dr. S. de B., die op dit punt zuiver Darbistische tendenzen heeft en de ambten als zoodanig (in een referaat op de Utrechtsche predikantenvergadering voor enkele jaren gehouden) loochent.
„Maar — zoo gaat Dr. Gerretsen voort — „het spreekt wel van zelf, dat van een gekozen worden van deze personen tot hun ambt geen sprake kan zijn, allerminst van een gekozen worden bij meerderheid van stemmen. Inde Gemeente zijn apostelen, profeten, evangelisten, leeraren enz. Zij komen er niet door keuze. Men vindt ze eenvoudig. Zij worden eenvoudig herkend en daarom erkend." 3)
Het is goed, naast deze apodictische uitspraken, eens de gegevens te leggen die het Nieuwe Testament ons. aan de hand doet. Wat b.v. het diakenenambt betreft, wij lezen daarvan in Hand. 6:3, 5, 6: Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des H. Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak. En zij verkozen Stephanus, en Philippus e. a., welke zij voor de Apostelen stelden en deze leiden hun de handen op.
Wat het ambt van ouderling aangaat: In Hand. 14:23 vinden we: En als zij in elke gemeente met opsteken der handen Ouderligen verkozen hadden en Titus wordt zelfs van paulus vermaand (1:5) dat hij van stad tot stad ouderlingen zou stellen gelijk hij hem bevolen had. Zoo er iets dus duidelijk is, dan is het, dat er niet alleen naar ontwijfelbare uitspraken der H. Schrift ambten zijn, maar dat men daartoe ook verkozen wordt. Zeker — er is een groot onderscheid tusschen de buitengewone ambten van apostelen, evangelisten en profeten en de gewone ambten van presbyters en diakenen. De profeten en leeraars werden natuurlijk niet door de gemeente verkozen wijl zij vrij optraden en meer een gave hadden dan een ambt, 4) maar Pr. G. spreekt van ambten in het algemeen en niet van enkele bijzondere en tijdelijke. Daarom is zijn beweren onhoudbaar. Qui bene distinguit, bene docet.
Over de mogelijkheid van een dergelijke charismatisch-pneumatische bestaanswijze van de Kerk van Christus, die zou neerkomen op een navolging van hetgeen in de oudste 'Christelijke gemeenten — en dat maar heel kort onder bijzondere omstandigheden gevonden werd, laat Dr. G. zich niet uit. „De werkelijkheid brengt volgens hem in dezen haar eigene oplossing" — een antwoord, dat her innert aan de manier, waarop de "socialisten zich menigmaal van lastige vragen aangaande hun toekomststaat afmaken.
Ook op dit punt heeft Dr. G. geen oog — evenmin als bij het uitoefenen der tucht — voor het verschil tusschen de kortstondige periode na de hemelvaart des Heeren, waarvan we in 1 Cor. 12 en 14 lezen en hetgeen in later eeuwen eisch zou zijn, gelijk dit in de Pastoraalbrieven (die aan Timotheüs en Titus) is ontwikkeld. Dr. G. ontpopt zich hierin als de eerste de beste Irvingiaaa, schoon dezen nog een aanstelling tot het ambt kennen.
Volgens Dr. G. meent de Gereformeerde theologie, dat de Kerk ingericht moet worden als een republiek. In den grond der zaak heeft de Gereformeerde Kerk hier hèt liberale systeem van regeeren gehuldigd. Het eigenaardige van het liberalisme is in den grond der zaak, dat het bij den opbouw van den Staat en van de maatschappij begint bij het individu. Het liberalisme is niet anders dan uitgewerkt individualisme. Het is atomisme. Op dit standpunt moet men vervallen in het meerderheidssysteem. Geheel naar dit liberale systeem is de Gereformeerde Kerk ingericht. Een enkele blik op onze Kerk zal voldoende wezen om de waarheid van deze stelling te bewijzen. De Kerkeraad is in onze Kerk de grondvorm der Kerkregeering. Deze Kerkeraad wordt door alle mannelijke lidmaten, die niet onder censuur staan, gekozen en die aldus gekozen Kerkeraad vormt de regeering der Kerk. Het zal wel duidelijk zijn, dat deze Kerkinrichting een onvervalscht liberaal karakter draagt. De eigen opinie heerscht in de Kerk bij alle erkenning van het Woord Gods ongestoord. De meerderheid en niets dan de meerderheid beslist in de Kerk. De meest geprononceerde ultra in onze Kerk huldigt formeel het liberalisme, wanneer hij n.l. de Kerkinrichting, zooals deze onder ons gevonden wordt, als normaal aanvaardt." 5)
Dat zal wel waar zijn. Maar wat ik nog nooit gehoord had is dit, dat de reglementenbundel dei Ned. Herv. Kerk — een zeer licht getimmerte, gelijk Dr. G. terecht zegt — HET handboek is om Gereformeerd Kerkrecht te bestudeeren. Ik voor mij grijp dan liever naar het Tractaat van de Reformatie dèr Kerken door Dr. A. Kuyper, als goed-Hervormde geschreven, en ik lees daar van het Collegiale systeem, naar welks model ook de Hervormde Kerken thans voor een goed deel georganiseerd zijn, hetwelk puur revolutionair-is. De leer der volkssouvereiniteit als bron van alle gezag ook in de kerk van Christus, ziedaar het hoofdkenmerk ervan. (Luister, collega G.) Het Woord houdt op autoriteit te hebben en hetgeen alleen autoriteit heeft en over kan dragen, is eenvoudig het enkele lid met de andere leden, beslissende naar het stelsel van de helft plm één. 6) De groote fout van Dr. G. is dus, dat hij het Gereformeerde en Collegiale stelsel van kerkregeering met elkander hopeloos verwart.
Reeds dadelijk — om hiermee te bewijzen dat hetgeen Dr. Kuyper zegt juist is — hebben de Gereformeerde theologen tegen zulk een volksreferendum (in de kerk) partij gekozen. Toen Jean Morelli toch in zijn Traite de la discipline et police chrétienne het algelïièene stemrecht voor kerkelijke verkiezingen verlangd had, werd die leer op de Synode van Orleans in 1562, geheel in overeenstemming met het gevoelen van Beza, veroordeeld, welk vonnis door latere Synoden bevestigd werd. 7)
Daarmee willen wij niet geacht worden in de tegenwoordige omstandigheden te adviseeren het recht tot beroeping van predikanten en van benoeming van ouderlingen en diakenen in handen van den kerkeraad te laten, wanneer deze modern of ethisch is — integendeel, want het is thans niets dan een kwestie van politiek gelijk de redacteur van het Kerknieuws in de N. R Ct. opmerkte, doch dit doet niets af aan de principieele kwestie, dat de kiescolleges, waarin de kerkeraad en een dubbel getal van door de gemeente gevolmachtigden zitten, zoo ongereformeerd mogelijk zijn.
„Ook onze Kerkinrichting moet worden verbroken, vervangen door een geheel nieuwe orde van zaken", zeggen we Dr. G. na, maar in anderen zin dan hij het bedoelt om te kómen tot een zuiver gereformeerde, waarin de kerk geregeerd wordt door den kerkeraad — hare ambtsdragers 8) — in gebondenheid aan de H. Schrift. Dat toch kon Dr. G. wel weten, dat wij Gereformeerden de kerkinrichting zooals die onder ons gevonden wordt, niet als normaal aanvaarden, of is hij dan alleen een vreemdeling in ons kerkelijk Jeruzalem, dat een Babèl van verwarring is geworden ?
1) Vgl, Ds. Lingbeek in de Vragenbus van De Geref. Kerk van 23 Jan. 1913 Een kern van waarheid kan aan zijn beschouwingen niet worden ontzegd, alhoewel hij op zijn gewone manier wat doordraaft.
2) Prof. J. Muller in zijn Handboek der Dogmatiek.
3) Art. V.
4) Dr. H. Bavinck a. w. IV blz. 368, 374.
5) Art. V.
6) a. w. Volksuitgave blz. 51.
7) Scholten a. w. Il* blz. 450, 452 vgl. P. R. E.s III S. 786. Zie nog F. J. Krop De Presbyteriaansche kerkorde in Frankrijk in Troffel en Zwaard 15e jaarg. 4e en 5e afl. 1912 blz. 271.
. 8) Dr. G. maakt tusschen deze twee: t. w. den kerkeraad en de personen, die de organen zijn, waardoor het lichaam van Christus handelt, een door en door verkeerde tegenstelling, alsof deze elkaar uitsloten!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's