De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

26 minuten leestijd

Het volgende adres zal door den Geref. Bond aan de Synode worden verzonden:

Aam. de Algemeene Synode der Nederl. Hervormde Kerk

's-Gravenhage. Het Bestuur van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid in dè Nederlandsche Hervormde {Gereformeerde) Kerk, komt beleefd tot U, Hoog-Eerwaarde Synode, met het navolgend verzoek, dat door U welwillend in overweging worde genomen en Uwe goedkeuring moge wegdragen.

Art. 27 van het Reglement op het Examen (de z.g.n. proponentsformule) worde aldus veranderd:

"Wij ondergeteekenden, door het Provinciaal Kerkbestuur van X (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken) tot de openbare Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk toegelaten, beloven in het diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, dat wij daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn naar uitwijzen van Gods Woord, overeenkomstig de Formulieren van Eenigheid; om alzoo het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen en de belangen van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned. Herv, Kerk in 't bijzonder te bevorderen, ons daarbij onderwerpende aan alle wettige orde in Gods Kerk."

Vervolgens worde art. 19 van het Reglement op het Godssdienstonderwgs (de godsdienstonderwijs-verklaring) aldus veranderd:

»Wij ondergeteekenden, bij het Classicaal Bestuur van X (De Waalsche Commissie) geëxamineerd en toegelaten tot het geven van Godsdienst-onderwijs, beloven, dat wij, in gehoorzaamheid aan onze roeping en in vertrouwen op God, daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn, om de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de twaalf artikelen des Christelijken Geloofs begrepen is -  en in de Formulieren van Eenigheid door de Herv. Kerk - zelve omschreven —, te onderwijzen en alzoo het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen; om de belangen van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned. Herv, Kerk in het bijzonder naar vermogen te bevorderen, in alles ons onderwerpende aan alle wettige orde in Gods kerk."

En eindelijk zij het verzoek, dat art. 89 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs (de belijdenisvragen) aldus worde gewijzigd :

 »De bevestiging van lidmaten heeft plaats in eene daarvoor bepaalde godsdienstoefening, bij welke hun de volgende vragen ter beantwoording worden voorgesteld:

In tegenwoordigheid van God en van Zijne Gemeente vraag ik U:

Gemeente vraag ik U: Vooreerst: belijdt gij, op grond van Gods Heilig Woord en in overeenstemming met de belijdenisschriften der Kerk, te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den H. Geest ?

Vervolgens: belooft gij bij deze belijdenis in leer en leven door Gods genade te volharden ?

Eindelijk: belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned. Herv. Kerk in 't bijzonder in gehoorzaamheid aan Gods Heilig Woord naar uw vermogen volijverig mede te werken en U te onderwerpen aan alle wettige orde in Gods Kerk?

Gaarne willen wij dit verzoek vergezeld doen gaan van een woord van toelichting.

Welwillend is ons verzoek ten vorigen jare, betreffende dezelfde zaken als nu genoemd, door Uw Bestuur ontvangen en in behandeling genomen, maar Uwe hooge goedkeuring en uwe hartelijke instemming mocht het helaas niet verwerven.

Dat smart ons zeer, meer om de wille van de Kerk zelve dan om onzentwil.

Nu is het onze heilige overtuiging, dat deze zaak aan de orde moet blijven, waarom Wij het andermaal wagen met een schrijven tot U te komen. Onze Ned. Herv. Kerk heeft, gelijk ten slotte élke kerk, hare belijdenis. Die belijdenis moet aanvaard worden, door ieder die Hervormd zich noemt, naarden zin door de Kerk zelf bepaald, gelijk ook in uwe circulaire No. 488 d.d. 20 Augustus 1912 wordt gezegd met deze woorden: „in art. 39 wordt, nevens vrijheid van formuleering toch een vaste band gelegd, wijl de predikant bij de bevestigiug gebonden is aan de belijdenis, verklaring en belofte in de voorgeschreven vragen vervat."

En ziet, dat nu juist wordt blijkbaar in onze Ned. Herv. Kerk niet gevoeld en niet toegestemd door velen.

Er heerscht zoo groote willekeur in deze!

Publiek houdt men vol, dat men niet gebonden is aan de belijdenis, verklaring en belofte in de belijdenisvragen vervat, volkomen vrij zijnde om die belijdenis naar eigen meening om te zetten en de verklaring-en belofte naar eigen zin te wijzigen.

Of — om éen voorbeeld te noemen uit vele — heeft men de eerste van de nu in art. 39 voorgeschrevene vragen niet aldus gewyzigd:

Belijdt gij te gelooven in God, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde en in Jezus' Evangelie, dat ons dien God als den Vader aller menschen leert liefhebben en aanbidden en in den Heiligen Geest, door dat Evangelie gewekt?

Waarop in het niet-officiëele gedeelte van , de Kerkel. Courant" gedoeld werd, toen men daar adviseerde : „zonder z'n overtuiging geweld aan te doen" zich bij de bevestiging van lidmaten „wat nader aan te sluiten bij de traditioneele formules dan somtijds geschiedt" ; terwijl dan „met name wel iets meer zou kunnen gezegd worden van Jezus en ook iets van den Heiligen Geest."

Na welk advies Dr. O. J. Niemeyer, Herv. predt. te Bolsward, toen voorstelde de eerste vraag aldus te stellen:

»Belijdt gij te gelooven in God, den Vader, den Almachtige, die met wijze en heilige liefde alles in stand houdt en leidt, in den adel der aan God verwante menschenziel, ons het zuiverst en duidelijkst getoond door Jezus Christus, den mensch, het kind Gods bij uitnemendheid en in den Heiligen Geest, die louterend en bezielend inwerkt op de menschheid en haar vormt voor Gods Koninkrijk."

In déze woorden, zoo schrijft dr. Niemeijer, komt geest en hoofdzaak der belijdenisvraag  tot hun recht, waarom wij ook zoo vrij zijn ook déze formuleering al is zij misschien wat lang, in overweging te geven." (Zie Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden van Donderdag 17 April 1918.

Na Uwe circulaire No. 488 van 20 Aug. 1912 wordt dus, WelEerw. en Eerw. Heeren, zonder blikken of blozen in de belijdenisvragen b.v. ingelegd: „Jezus Christus-, de mensch, het kind Gods bij uitnemendheid."

Wij vragen in bescheidenheid: wordt zóo gezien „dat de predikant bij de bevestiging gebonden is aan de belijdenis in de voorgeschreven vragen vervat? — gelijk in Uwe circulaire aan de Kérkeraden te lezen staat ?

Onze heilige overtuiging is, dat de grootste willekeur wordt aangetroffen in onze Herv. Kerk waar het onze kerkelijke belijdenis betreft, waar het gaat om de waarheid naar de Schriften. Iets, wat noodzakelijk moet medewerken om het huis onzer Kerk tegen zich zelf verdeeld te doen zijn, wat den ondergang ten gevolge zal hebben, als de Heere het niet genadiglijk verhoedt en indien Uw Bestuur in deze niet leeit acht geven op de teekenen der tijden.

Wij wilden in deze ook dit jaar niet zwijgen. De nood om andermaal te spreken is ons opgelegd. En daarom — met verwijzing naar onzen brief van 28 Juni 1912 (Handel. Syn. 1912 blz. 381 etc.) — vragen wij andermaal aan Uw Hoog College, onder Gods voorzienig bestel op dezen oogenblik het Hoogste Bestuurslichaam zijnde: laat de Herv. Kerk hare leer en hare belijdenis voorleggen èn aan de proponenten èn aan de Godsdienstonderwijzers èn aan de lidmaten, om van die allen te eischen, dat men met deze belijdenis instemming betuige, naar den zin door de Kerk steeds daaraan gehecht.

Laat men toch niet zeggen, gelijk helaas !. ook in het midden van uwe vergaderingen in den jare 1912 gezegd is, dat ons verzoek eigenlijk gaat om anderen aan menschelijke formules te binden.

Want gansch iets anders is ons eerlijk bedoelen in deze.

Men weet toch, dat het hier gaat om de Bijbelsche waarheid, van ouds de levenskracht der Kerk, te verdedigen en te handhaven.

Men verwerpt toch geen woorden en geen formules slechts in het midden van onze Herv. Kerk. Men verwerpt de waarheid zelve, zooals Jezus zelf die waarheid heeft geleerd en zooals ons die door de Schrift is overgeleverd. Men verwerpt het Evangelie in het Evangelie!

En dat mag, en dat kan de Herv. Kerk niet ziender-oogen toelaten. Zij zou dan tevens haar eigen karakter schenden, haar eigen natuur verloochenen. Zij zou dan tegelijk met alle macht meewerken aan eigen ontbinding en ondergang.

Nu ongeveer 100 jaren achtereen is op onderscheidene wijze over deze zaak gehandeld in Uwe hooge vergadering. Ongeveer een eeuw lang is betoogd, dat het wezen der Herv. Kerk zoo dikwijls stout en publiek geloochend wordt; dat de hoofdzaak harer leer geschonden wordt; dat de beginselen harer belijdenis worden verkracht; dat tegen den geest der verordeningen wordt gezondigd — wij willen ook dit jaar nog weer eens hij vernieuwing er op wijzen, dat vlak voor de oogen van de Gemeente van Christus en vlak onder het oog der onderscheidene Besturen in onze Herv. Kerk aan de bijbeische waarheid te kort gedaan wordt en alzoo het voortbestaan der Herv. Kerk bedreigd.

Veel zal van uwe vergadering gevraagd worden. Misschien zullen ook andere adviezen in zake kerkherstel niet ontbreken.

De Heere wone dan rijkelijk in Uw midden met Zijnen Heiligen Geest, opdat de hooge ernst der tijden mag worden gevoeld en opdat verstaan mag worden, dat de grootste zonde in het midden van onze Herv. Kerk is, dat zij het niet meer durft te wagen met de waarheid ons door Jezus overgeleverd, in de Schriften bewaard en door de Kerk zelf in hare belijdenisschriften van ouds uiteengezet, met de kennelijke bedoeling, dat die waarheid in haar midden zou worden geëerbiedigd, zou worden beleden, zou worden bewaard.

De Heere geve, dat begonnen mag worden bij 't begin — en dat het voor allen in onze Herv. Kerk weer gaan mag om de waarheid die naar Gods Woord is, zoo hartelijk en eenvoudig en schoon uiteengezet in onze belijdenisschriften,

't Welk doende,

Het Bestuur van den Geref. Bond voornoemd:

Ds. M. VAN GRIEKEN, Voorz.

Ds. M. JONGEBREUR, Secr.

Een Copie van den Poolschen landdag.

Met begrijpelijke belangstelling hebben velen — van welke richting ook — zeker wel uitgezien naar het verslag van de vergadering, die in Utrecht door Dr. Slotemaker de Bruijne en Dr van der Flier is belegd ter verdediging van het bestaan van de Ned, Herv, Kerk.

Wat de onderteekenaars van het bekende manifest, deze vergadering ter inleiding rondgezonden, wilden, had eigenlijk niemand begrepen. En, oordeelend naar de verslagen in de N. Rott Ct., Nederlander, Utrechtsch Nieuwsblad enz. verschenen, heeft de groote vergadering — er waren wel 44 menschen opgekomen! — ten slotte ook niet veel klaarheid gebracht.

Hierover verwonderen we ons allerminst.

Ga koffiedik nu eens helder en doorschijnend maken. Dat kan immers niet.

En wat is het anders geweest dan onzin, héél de redeneering van Dr. S. d. Br. toen hij zeide: we hebben voor de Herv. Kerk op te komen — maar dan moeten we nu niet spreken over handhaving der belijdenis, over de reorganisatiebeweging, over de rechten der vrijzinnigen enz. enz., neen ! we hebben de vraag te behandelen hoe hebben we ons te stellen tegenover degenen, die onze kerk willen oplossen en er naar hunkeren dat onze kerk zal verdwijnen."

We hebben altijd gedacht, dat wanneer we de kerkelijke kwestie grondig wilden behandelen, dat het dan juist gaan moet over de dingen die Dr. S. d. B. maar even buiten 't debat wilde stellen.

Of staat de welstand van de Kerk niet allereerst in verband met de toestanden in de Kerk? Raakt het bestaan van de Kerk de belijdenis niet meer? Is het onverschillig of Christus geloochend wordt of dat Hij wordt beleden als "te zijn de eenige en algenoegzame Zaligmaker?

Waar moet het heen, als men met een ernstig gezicht gaat zeggen: laat orthodox en vrijzinnig toch eens saam komen om te praten over 't geen gedaan kan worden om onze Herv. Kerk te redden, maar 't mag niet gaan over gelooven en belijden. Wat denkt men toch wel van de Herv. Kerk?

Wat wil men de menschen toch wijs maken ?

Wat maakt men zichzelf toch wijs?

Is de Herv. Kerk dat lichaam, waarvan de Haagsche Synode de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht is; waar orthodox en vrijzinnig saam woont; waarbij de een den ander helpen moet om haar toch vooral te laten blijven wat ze nu is en waarbij men dan elkander weer buiten de Kerkelijke gemeenschap sluit?

Dr. Slotemaker de Bruine die aan de Modernen anders het recht ontzegt om in die Herv. Kerk te wonen, wilde ze nu wel gaarne gebruiken om hen het vuur uit de sloffen te laten loopen, om die Kerk te laten blijven zooals ze is — om ze dan later, wanneer hij ze gebruikt had, als een uitgeknepen citroen uit te werpen.

In welke wereld leven we toch?

Denkt men nu, dat men op de kermis staat en daar boeren, burgers en buitenlui alles kan wijsmaken? De modernen hadden van hun standpunt volkomen gelijk, dat ze Dr. Slotemaker lieten praten en niet kwamen. . 't Mag een aardig gezicht zijn voor een ander om te zien dat een poes met éen muis speelt; maar de verstandigste muizen hebben op school toch geleerd om liefst niet aan dergelijke potsenmakerij mee te doen.

Zoo ook de modernen. Ze wilden niet komen. Die menschen gaan ook al spreken van „waarborgen" en roepen ook al om „een vast accoord." En we kunnen hen geen ongelijk geven 1

De Modernen bleven dus weg. Maar gelukkig waren er toch 44 predikanten bij elkaar. Wat een voorrecht, dat het toch door zoo'n groot aantal predikanten gevoeld wordt, welke onheilen onze Kerk bedreigen en welke vreeselijke rampen er over ons Vaderland staan te komen, 't Komt alles nog wel terecht ! Met de blaasbalg van de liberale pers zal' men 't vuurtje wel wit doen vonken! Onze Kerk kan gerust zijn. Waar zooveel trouwe wachters op de muren staan is er geen nood!

Dr. Slotemaker de Bruine zette helder uiteen waar het eigenlijk om ging. 't Ging over de coalitie en niet over de coalitie, want coalitie-mannen moesten toch ook vooral teekenen. 't Ging overde politiek en niet over de politiek, want er moest voor gewaakt worden dat de vergadering geen politieke kleur droeg. 't Ging over de toestanden in de Kerk en niet over hen die binnen de Kerk leven, want de Modernen moesten toch vooral niet denken dat het tegen hen was.

't Ging — of laten we even 't woord geven aan een verslaggever, die ons berichtte: Nadat gezamenlijk gezongen was Ps. 25:2 ging Dr. Slotemaker de Bruine voor in gebed, waarna hij allen het welkom toeriep.

Spr. wees op de prealabele vraag, die ons thans moet bezig houden, namelijk hoe wij ons moeten stellen tegenover degenen die buiten staan en dat wij ons met moeten bezighouden met de vragen, die naar binnen rijzen.

Ten tweede moeten wij ons — zei spr. buiten de politiek houden. Wij dienen ons te onthouden van politiek advies. Ons doel ligt hóoger dan het politieke votum.

Wij moeten — zoo vervolgde spr. — spreken over 't welzijn onzer Kerk en wij moeten getuigen zoowel naar buiten als naar binnen.

Hij hoopt dat de Herv. predikanten (die 44? ) -zich toonen zullen; toonen naar buiten; — en hun die aan de Herv. Kerk willen raken steeds zullen toeroepen: handen thuis.

Hiermee opent spr. de vergadering."

Wie dit nu niet begrepen heeft is gewoon een uilskuiken, En het is duidelijk als glas: onze Herv. Kerk mag gerust zijn. Met deze vertooning is de zaak gered. De meiboom kan in de kap.

Dr. van der Flier, de tweede spreker, zette voorts het concept-manifest uiteen. Hij deed dat ongeveer zóo: er zijn onderscheidene feiten die eensklaps de gevaren hebben doen zien, die de Ned. Herv. Kerk bedreigen."

Heel de vergadering was een en al gehoor.

Zou er een schilderij komen van den voortwoekerenden geest onder de etbischen om in zake Bijbel-critiek van kwaad tot erger te brengen?

Zou geteekend worden het^brutaal optreden van de vrijzinnigen of zou een schets worden gegeven van de groote schare, die in de Kerk zijnde, vervreemd van God en Zijn dienst, dreigt verloren te gaan?

Onnoozele, die zoo iets verwacht had. Zijn dat nu dingen van beteekenis om op een predikantenvergadering te bespreken?

Neen — luister een oogenblik en gij voelt waar de wind vandaan komt:

De benoeming van Prof. Visscher, de benoeming van Prof. Noordtzij, het voorstel van wijziging inzake art. 171 van de Grondwet en het optreden van den Geref. Bond zgn , de onderscheidene feiten", die aan Dr. van der Flier plotseling hadden duidelijk gemaakt „dat dit ten slotte moet uitloopen op een uiteenspringen der Kerk."

En dat zegt dan een predikant, die pas uit Middelburg komt, waardoor het saam konkelen van Christus-loochenaars en mannen van de algemeene verzoening de plaats van Dr. van der Flier is ingekomen door een modern predikant !

Zóo iets doet de Kerk heelemaal niet springen.

Zóo iets is de moeite niet waard om te noemen.

Neen — dan mannen als Prof. Visscher.

Dan de Geref. Bond.

Daar, daar zit het gevaar voor de Herv. Kerk!....

Als 't niet zoo ernstig was, zouden we eens hartelijk lachen.

Maar nu vragen we alleen: „hoe zoo'n scherpzinnig man, zoo iets onnoozels zeggen kan"....

Vooral over art. 171 ging het. Zóo, dat later iemand bij de gedachtenwisseling zei: we moeten toch oppassen dat we daar niet zóo over spreken dat we den indruk geven „dat het ons alleen om de dubbeltjes te doen is."., .Art. 171 is in gevaar. En dan-— zoo zei Dr. V. d. Flier, dan zou onze Herv. Kerk „verschrompelen." Daarom „wij hebben recht voor onze Kerk op te komen, want het ongehinderd voortbestaan der Ned. Herv. Kerk is van groot belang voor ons volk, voor zijn heiligste goederen."

Prachtig gezegd!

Maar ongelukkigerwijze vroeg b.v. Ds. Blanson Henkemans: wat bedoelt men met de Ned. Herv. Kerk ?

Is dat die verzameling van menschen, die nu met kracht en geweld bij elkaar gehouden worden, terwijl ze niet bij elkaar hooren? Of moet van onze Herv. Kerk weer gemaakt worden wat ze zijn moest: de Kerk des Heeren in dezen lande sprekende en levende naar Gods Woord?

En ja — daar mocht nu toch wezenlijk wel eens over gesproken zijn. Of men met de Herv. Kerk bedoelt wat men er in 1816 van gemaakt heeft en zooals de modernen haar 't liefst houden — of dat onze Herv. Kerk zich ook als Kerk van Christus heeft te openbaren en of onze Herv. Kerk ook nog naar Gods Woord heeft te vragen. Maar... dat was nu niet aan de orde.

Onze Herv. Kerk zou „verschrompelen" als art. 171 werd aangeraakt en onze Herv. Kerk zou „uiteen barsten" als de Geref. Bond nóg meer invloed kreeg.

Dat was het paardje waarop Dr. van der Flier manhaftig door de leege zaal reed. Merkwaardig is, wat hij daarbij eigenlijk voor beschouwing naar voren bracht.

Eigenlijk zei hij: die kwestie van art. 171 was niet zoo eenvoudig als men dacht en.men moest vooral in 't oog houden, dat de juridische kant van deze kwestie eigenlijk nooit afgehandeld was; ook in '86 niet. Toen de Hooge Raad wel gezegd, dat de Herv. Kerk de eenig rechthebbende was op de kerkeIjke goederen en op de tractementen, maar juridisch was het eigenlijk nooit geheel uitgewerkt en er kon nu wel eens een tijd komen, dat de Hooge Raad anders besliste en dan zouden we moeten deèlen met de afgescheidenen en met de doleerenden.

Dr. van der Flier meende, dat het laatste woord in zake de kerkelijke goederen nog niet gesproken is. Dat door de hoogste rechter nog wel eens een ander oordeel kin worden uitgesproken dan in '86.

Iets wat hoe langs hoe meer gedacht wordt. En in plaats dat nu Dr. van der Flier als ethisch man er voor zou wezen dat de financieele kwestie dan eens door bekwame rechtsgeleerden b.v. uit dê Hervormde Kerk.en uit de Geref. Kerken enz. onderzocht werd, plaats dat hij b.v. eens ging meedeelen wat Hervormde rechtsgeleerde Jhr. Mr. O. Q. Swinderen, oud-president der arrondissets-rechtbank te Groningen wil — niets van. Geen eerlijk, rustig onderzoek.

Neen, een knuppeljacht, orthodox en vrijzinnig in bond, tegen Rome, Kuyper, Visscher, Noordtzij en vooral tegen den ... Geref. Bond. Wat hebben we toch hoogstaande mannen tegenwoordig, die in geschrifte en met het woord dag aan dag voor de Herv. Kerk opkomen.

Dan moet men daarnaast eens leggen wat dr. van Swinderen blz. 15—18 van zijn brochure „Een struikelblok'. schrijft.

Wat staat dat lijnrecht tegenover elkaar. En Mr. van Swinderen is óok Hervormd !... geen lid van den Geref. Bond.

Heel veel heeft de vergadering evenwel van Dr. Slotemaker de Bruine en Dr. van Flier niet begrepen.

Men kon het ten minste maar niet met elkaar eens worden wat men nu eigenlijk  moest.

't Leek bij de gedachtenwisseling wel een Poolsche landdag.

En men besloot maar naar huis te gaan. Terwijl er toch gelukkig nog één oogenblik in stem gehoord is, die zeide: de groote ellende van onze Herv. Kerk is, dat men bij elkander houdt wat niet bij elkaar behoort.... Jammer, dat het stuk vuurwerk van Ds. Hoogenhuyze van Amsterdam, dat hij aanstonds afstak toen het dankgebed was uitgesproken, zoo nat was geworden en niet wilde branden. Er zaten zooveel schitterende pijlen in het stuk en zoo'n massa knalpatronen. Maar het wilde niet branden.

En de vergadering ging uiteen — terwijl buiten door een kwajongen geroepen werd: barbertje moet hangen!

Maar die jongen wist er niets van, van wat daar binnen besproken was.

Een medewerker schrijft ons:

Ongevraagde recensie van een recensie.

VI.

0p onze kerk als zoodanig heb ik geen hoop meer. Zij gaat onder. Handhaaft zij zich op eenigerlei wijze toch, dan zal zij ophouden van beteekenis te zijn voor het Koninkrijk Gods", zegt Dr. Gerretsen aan het eind van zijn vijfde artikel. Op het eerste gezicht zou men denken, dat hij al heel dicht om niet te zeggen in hetzelfde vaarwater komt als velen onzer medestanders, die de idee van : kerkontbinding, oplossing in hare verschillende richtingen propageeren, die ook op de kerk als zoodanig de hoop hebben verloren om nog trachten te redden wat er te redden is, het hem volmondig toegevende, dat wij geen Jesaiaansche maar Jeremiaansche tijden beleven: God breekt af en bouwt. Hij bouwt door af te breken." 1) Wanneer twee echter hetzelfde zeggen, is het nog niet hetzelfde." 't wordt ook hier bewaarheid, want wanneer men het zesde artikel ter hand neemt, dan zal men daarin, gelijk in het eerste de reden vinden waarom'Dr. G. dit terneer schrijft. Deze — schrik niet, o argelooze lezer! — omdat voIgens hem de „confessioneelen" voor de toe-komst de kerk veroveren zullen. „Het zal dan met onze Kerk gaan zooals het gegaan is met Isael en de oud-christ. kerk. Israel is ten slotte ondergegaan in Judaïsme, de Oud-Christelijke Kerk in Roomsch-Katholicisme. Zoo zal onze kerk ondergaan in confessionalisme. Uit of naast onze Kerk zal dan iets nieuws geboren worden', zooals naast en uit het Judaïsme de eerste Gemeente, naast en uit het Roomsch-Katholicisme het Protestantisme is geboren. Onze volkskerk heeft uitnemende diensten aan ons volk bewezen. God heeft Zich gedurende langen tijd van haar bediend om ons volk te zegenen. Doch dit zal niet zoo blijven.  De dagen van onze Kerk zijn geteld." Dit bedoelt Dr. G. niet in dezen zin alsof onze kerk van den aardbodem zou verdwijnen. Hij verwacht, dat onze Kerk als Kerk van de mannen van den Gereformeerden Bond zal blijven voortbestaan, Onze Kerk zal een Gereformeerde belijdeniskerk worden en aldus als een naast de andere Gereformeerde Kerken a en b voortbestaan. Het verschil in kerkopvatting zal tegenover de principieele leerstellige eenheid verdwijnen. Té gemakkelijker zal dit kunnen geschieden omdat in een kerk opgetrokken in den stijl van den Gereformeerden Bond de idee van volkskerk, het groote verschilpunt van heden tusschen de afgescheidenen en doleerenden eenerzijds en de Ned. Herv. Kerk anderzijds toch te loor gaat. Dr. Kuyper, die in 1886 een kerkrechtelijke nederlaag leed, heeft wezenlijk in onze Kerk getriomfeerd."

Natuurlijk zegt Dr. G. al deze dingen niet groot voorbehoud. Doch indien hij juist ziet en onze Kerk confessioneel wordt, dan heeft zij als zoodanig volgens hem hare beteekeüis voor het Godsrijk verloren. „Onze Kerk is nl.. als zij confessioneel is geworden, tegelijk secte geworden. Rustende op den grondslag van de drie formulieren van eenigheid, zal het onze Kerk onmogelijk zijn de cultuur van den nieuwen - tijd in zich op te nemen. Haar theologie en haar wetenschap zal opgaan in een scholastische bewerking en verdediging van de overgeleverde leerstof. Een dogmatiek als van prof. Bavinck is van de waarheid van deze stelling een sprekend bewijs."

Hier hebben we dan in korte trekken de toekomstverwachting van Dr. G. voor ons. Zoo somber als de kleuren zijn, waarmee hij haar als ethisch man teekent, zoo idyllisch is zij — de schildering van onze richting natuurlijk daargelaten. Prof. Bavinck b.v. is voor hem op zijn best de Johannes Damascenus van de Gereformeerde Kerk — voor den gereformeerde. Eerlijk — zóo optimistisch, als Dr. G. de toekomst ons voorstelt, zijn wij niet. Zeker, wij weten het, dat wij aan de winnende hand zijn, dat tal van groote en kleine plaatsen van ethisch en links-confessioneel den kant van den Gereformeerden Bond uitgaan, maar dat deze zijn vleugelen over heel onze kerk, over Noord-Holland b.v. benoorden het vroegere IJ, over het platteland van Groningen en zoovele streken in Friesland zal uitslaan, dat durven we niet gelooven. Maar zoo wij ons hierin vergissen en het werkelijk zoover zal komen, het is ons te liever.

Wij verwachten eerder voor de naaste toekomst, dat de tegenstelling tusschen de belijders der zuivere waarheid en de ongeloovigen — in vroeger eeuwen de „preciesen" en de „rekkelijken" — scherper zich zal toespitsen, de strijd te feller zal worden gestreden : vóór of tegen den Christus, de ethische richting daartusschen kleur zal moeten bekennen, kiezen of deelen en dat — de teekenen der tijden wijzen het uit: het gebeurde b.v. in Dordrecht en Middelburg, Gouda en Amersfoort— hare meerderheid gevonden zal worden aan de zijde van het moderne cordon. Zoo metterdaad onze Kerk als Kerk van de mannen van den Gereformeerden Bond zal blijven voortbestaan, dan zal dit niet wezen naast de andere Gereform. Kerken a en b, want een verschil van kerkopvatting is er tusschen ons en de broeders van de andere zijde niet. Zoo er één idee is, die wij bekampen, dan is het wel die vai\ de volkskerk. Daarom heeft Ds. van Grieken, onze Bondsvoorzitter, ook op onze laatste jaarvergadering een referaat gehouden over het onderwerp: „ Waarom wij spreken van Gereformeerde Kerk en niet van Volkskerk." Dit groote verschilpunt bestaat dus alleen in de verbeelding van Dr. G.

Nu echter iets over die lieve vergelijking, dat gelijk Israel ten slotte is ondergegaan in Judaïsme en de Oud-Christelijke Kerk in Roomsch-Katholicisme, zoo onze kerk zal ondergaan in confessionalisme. Dit sluit in, dat de Gereformeerden van heden de Pharizeërs zijn van de dagen van den Heere .Jezus Christus. Tegen zulke dingen vecht men niet meer. Die hoort men zonder blikken of blozen, ze voor kennisgeving ook aannemende. In zijn eerste artikel had Dr. G. gezegd, dat de ethischen de confessioneelen en dus ook ons — want tusschen beide richtingen is er volgens Dr. G. geen wezenlijk onderscheid — niet missen kunnen, hetgeen de ethischen nooit vergeten moeten en in zijn zesde artikel — neen sterker nog: in hetzelfde eerste — is hij zoover om Confessioneelen en Gereformeerden voor identiek met de Pharizeën te verklaren, de erfvijanden van alle religie, veel gevaarlijker dan de Sadduceërs! 2) Hoe is het een met het ander in overeenstemming te brengen? Wij kunnen het niet. Het versje van den leekedichter komt ons bij het laatste vanzelf voor den geest: —

Fatsoen gebiedt te zwijgen.

Een snuifje bood men u. U werpt met.... Doch hierom — hetwelk voor een hofprediker een hem al zeer weinig jassende bezigheid is —niet getreurd, maar iever de bewering van Dr. G., dat onze Kerk gelijk het protestantisme in confessionalisme zal ondergaan aan de onwraakbare feiten der historie getoetst. Wij voor ons hadden nog nooit anders gehoord, dan dat het protestantisme van meet af aan sinds zijn optreden confessioneel is geweest. De Evangelischen ontvingen vanwege hun op den rijksdag van Spiers 1529 ingeleverd protest den naam van Protestanten, legden in het volgende jaar op den rijksdag van Augsburg 1530 hun geloofsbelijdenis af en in 1533 reeds was ieder die aan de Wittenbergsche Universiteit wilde promoveeren, verphcht deze geloofsbelijdenis te onderschrijven 3) zooals het nu aan de Vrije Universiteit met de drie formulieren van eenigheid het geval is. Dat was een ondergang van het protestantisme in confessionalisme, toen het ternauwernood zijn naam had ontvangen. Of kon het nog gauwer?

En ook onze Kerk — is zij van stonde aan niet eene geweest, die een welomschreven belijdenis eischte van hare leeraren? Op de Synode van Emden reeds (1571) ondertekenden alle leden om die eendrachtigheyt " in de Leere de Nederlandsche en de Fransche confessie (art. 2). Dat het protestantisme confessionalisme zal ondergaan, verraadt dus zeker weinig historische kennis — in elk geval een historischen kijk à la prof. Kühler, want dat is het om in dit spraakgebruik te blijven reeds meer dan driehonderd vijftig jaren.

Maar we begrijpen wel wat Dr. G. bedoelt nl. dat het Protestantisme, voordat het nog zijn naam had, vrij van uitwendig gezag is opgetreden en in een latere periode — vooral die der epigonen — is versteend. Dit aan te toonen is het doel geweest van de laatste van Harnacks beroemde voorlezingen over het Wezen van het Christendom gelijk dit breedvoeriger in zijn Dogmengeschichte wordt ont wikkeld. „ De Reformatie d. i. het begrip vaa het evangelisch geloof heft het dogma op. 4) De herleiding van hetgeen de kerk als religie bood, tot de openbaring van den genadigen God in het Evangelie, d. i. in den menschgeworden, gekruisten en opgestanen Christus beteekende niets anders dan de herstelling der reügie: God zoeken en vinden 5) (alsof de Reformatie dan onder deze voorwaarden wel niet zeer confessioneel en dogmatisch was)! In de Reformatie heeft het oude dogmatische Christendom afgedaan en is een nieuwe evangelische opvatting daarvoor in de plaats gesteld. Aan de dogmengeschiedenisis 'n eind gemaakt 6) Luther was groot in de in het Evangelie d. i. in Christus weer ontdekte kennis Gods 7), maar tegelijk moet Harnack erkennen, dat Luther de restaurator van het oude dogma is geweest en aan de vormen van de oudkatholieke theologie eerst weer zin en beteekenis voor het geloof heeft verleend. 8) Om het volgens Harnack in één zin saam te vatten : De Hervorming zooals zij zich in Luthers Christendom vertoont, is een in vele opzichten oud-katholieke resp. ook een middeleenwsche verschijning; daarentegen naar haar religieusen kern beoordeeld, is zij het niet, veelmeer herstelling van het Paulinische Christendom in den geest van een nieuwen tijd. 9) Indien dit het geval was, dan moeten zeker „de verwarringen en problenaen in Luthers nalatenschap groot zijn, niettegenstaande voor zijn eigen bewustzijn zijn geloof en theologie een eenheid vormden" — aldus erkent Harnack zelf 1o)—, maar het bovenstaande is toch nog iets anders dan hetgeen Dr. G. beweert, dat het protestantisme in confessionalisme zal ondergaan alsof beide niet immer op het nauwst verbonden waren.

I) Art. I.

2) Art. III.

3) Dr. K. Htussi Kompendium der Kirchengeschichte Tubingen 1909 S. 409. -

4) a a O III* S 688.

5) a a O S. 823, 824.

6) a a O S. 861.

7) a a O S 812.

8) a a O S 814.

9) a a O S 809.

10) a a 0 S 863 Anm i.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's