stichtelijke overdenking.
Deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt. Hand. 2:15a.
Niet dronken.
De vijanden spotten, maar hoe bijtender de spot der vijanden is, hoe kloekmoediger ook in den regel de belijdenis is van degenen dié de vreeze des Heeren zijn toegedaan. Ook te dien opzichte blijkt dus waar te wezen dat de strikken die Satan spant, dat hij die ten slotte tot zijn eigen verderf en ondergang heeft uitgezet.
De dichter van Psalm 7 zegt dan ook zoo terecht van den goddeloöze: „hij heeft een kuil gedolven en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve die hij gemaakt heeft. Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeeren en zijn geweld op zijnen schedel nederdalen."
Zoo nu was het op den Pinksterdag ook. Satan had er niet op gerekend dat zijn vuige laster de aanleiding zou worden tot de Pinksterrede van Petrus die straks— als middel in Gods hand — ten gevolge zou hebben dat omtrent drieduizend zielen werden toegedaan.
Ja, de beschuldiging die door de vijanden des Heeren op den Pinksterdag werd uitgesproken, moest door de discipelen des Heeren worden tegengesproken en weerlegd. Petrus was daarvoor zeker de aangewezen persoon. Petrus staande met de elve verhief dan ook zijne stem. Dat Petrus hier sprak is in hem thans zeker geen voorbarigheid maar wel gepaste vrijmoedigheid geweest. Gij zult misschien weten dat er tusschen voorbarigheid en vrijmoedigheid een groot onderscheid is. Voorbarigheid nl. is een kwaad dat zooveel mogelijk, moet worden tegengegaan, maar vrijmoedigheid is een gave Gods en vooral de vrijmoedigheid des geloofs is een gewrocht van de bijzondere genade van den Heiligen Geest.
Petrus nu was ook wel eens voorbarig geweest. Dat was zelfs een van zijn karakterzonden. Denk maar aan het oogenblik waarop hij den Heiland had bestraft, zeggende . „Wees u genadig, Heere, dat zal u geenszins geschieden." Maar hier was het geen voorbarigheid maar wel vrijmoedigheid, die hem de spotters deed weerstaan.
Daar was een tijd geweest toen het Petrus aan een dergelijke vrijmoedigheid ten eenenmale ontbrak. Denk maar aan dien bangen nacht in Gethsemané toen al de discipelen en daaronder ook Petrus van den Heiland waren weggevlucht. Denk maar aan de zaal van den Hoogepiiester, waar deze zelfde Petrus voor een eenvoudige dienstmaagd zijn Heere en Meester driemaal verloochend had. Maar hier was hij met dien moed waaraan het hem toen had ontbroken, bezield. Hier immers was hij vervuld met den Heiligen Geest! En wat dunkt u, als dat van Gods kinderen getuigd kan worden zou het dan niet waar zijn wat Christus eens gezegd heeft: Ik zeg u dat zoo dezen zwijgen, de steenen haast roepen zouden?
Petrus kon dus niet zwijgen. Zijn vroegere vrees is geheel en al overwonnen. Geen zweem zelfs is er meer van overgebleven. De Heilige Geest heeft hem van een' eenvoudig en vreesachtig menschenkind tot een groote en vrijmoedige verdediger van de zaak des Heeren gemaakt.
„Gij Joodsche mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan." Zoo luidt de aanhef van de groote rede, die Petrus namens al de apostelen op het eerste Pinksterfeest gehouden heeft.
En uit dien aanhef wordt het ons duidelijk, dat Petrus over de zaak des Heeren niet slechts met vrijmoedigheid, maar ook met een zekere gepastheid gesproken heeft. Immers vrijmoedigheid in het spreken is wel een goede gave Gods, maar er zijn nog andere gaven, die vooral voor een prediker van het evangelie ook noodzakelijk zijn. Er zijn wel eens menschen die dat voorbijzien, die wel vrijmoedigheid in het spreken hebben, maar wien het aan alle gepastheid ontbreekt, ja, er zijn er zelfs die hun kracht in een zekere ruwheid en platheid zoeken en die soms meenen dat een zekere ongemanierdheid den prediker siert. Dezulken bedenken dit, dat wie een verkondiger van het Evangelie wil zijn, een treffelijk werk begeert; dat zulk een rechtstreeks in dienst van den Koning der koningen staat en dat de zaak van dezen Koning wel waard is om in een netten en gepasten vorm te worden voorgesteld. Petrus heeft ons dat in zijn Pinksterrede zoo duidelijk getoond. Hij is immers niet begonnen om in ruwen en onbeschaafden vorm het volk aan te spreken. Integendeel, hij heeft met' alle beslistheid, maar ook met alle voorkomendheid, de boodschap van zijnen Zender overgebracht.
Hij is begonnen om zijn hoorders aan te spreken. Hij spreekt ze aan als Joodsche mannen en herinnert hen daarmee aan hun afkomst. Hij spreekt verder tot allen die te Jeruzalem wonen en herinnert hen daardoor mede aan de groote voorrechten, waarin zij als inwoners van de stad des grooten Konings deelen mochten. En daarop laat hij dan volgen: „dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan." Dat is een bewijs, dat Petrus overtuigd is dat het woord dat hij spreken gaat, niet zijn eigen woord, maar het Woord des Heeren is. Petrus gevoelt, dat wat hij gaat zeggen, een woord van gezaghebbende beteekenis zal zijn, omdat hij het eigenlijk niet was die sprak, maar de Geest des Heeren, die het vuur der welsprekendheid zoozeer in hem ontstoken had, dat de vonken als 't ware naar alle zijden henenspatten.
O, als gij dien Petrus daar eens in 't midden der elve hadt kunnen zien staan, wat een aangrijpend schouwspel zal dat ongetwijfeld geweest zijn. Hoe was het er hem om te doen om de schare te overtuigen van de Waarheid van Gods eeuwig getuigenis. Hoe was het zijn bedoeling om deze menschen met het groote werk des Heiligen Geestes des te beter bekend te maken. Hij heeft dat op twee manieren gedaan: hij heeft eerst negatief en toen positief gesproken. D. w. z. hij heeft.eerst gezegd wat het feit van dezen dag niet was en daarna wat de dingen, die zij gehoord en gezien hadden dan wel te beteekenën hadden. Over het laatste willen wij ditmaal niet spreken. We willen u alleen herinneren hoe Petrus zijn heele rede gebouwd heeft op de Schrift. Immers alles wat er geschied was, was in Joel 2 reeds voorspeld, en zoo heeft Petrus dus doen uitkomen dat de Geest zich steeds aansluit bij Zijn eigen werk, nl. bij het Woord van God, en hierin kan Petrus zeker aan alle verkondigers van het evangelie ten voorbeeld gesteld dat hij zelfs in zijn Pinksterrede den Christus der Schriften verkondigd heeft.
Maar verder mogen we over het positieve deel van Petrus' rede nu niet handelen. We hebben nu alleen te zien hoe hij de beschuldiging tegen hem en de andere apostelen ingebracht, weerlegt. En dat doet hij niet door ook te gaan schelden, maar door eenvoudig de waarheid tegenover de leugen te stellen. Immers: deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt, want het is eerst de derde ure van den dag.
De leugen die onder de schare verspreid werd, alsof de apostelen dronken waren, moest dus in de eerste plaats ontzenuwd worden. Maar had Petrus niet beter gedaan door eenvoudig over die leugen te zwijgen? Bewees hij den spotters niet te veel eer door zoo nauwkeurig op hun beschuldiging in te gaan ?
En zeker, wij stemmen aanstonds toe: daar zijn soms leugens, daar worden soms valsche beschuldigingen tegen de Kerk des Heeren ingebracht, die gij niet beter dan door doodzwijgen onschadelijk maakt. Maar daar staat tegenover dat er niet alleen een tijd van zwijgen, maar ook een tijd van spreken is. De Heiland heeft ons dat zelf zoo duidelijk geleerd en door Zijn voorbeeld heeft Hij ons dezen regel gegeven: te zwijgen als de laster onze personen betreft, maar te spreken, wanneer in onze personen de zaak des Heeren wordt aangerand. En dat laatste was hier immers het geval. Door het „zij zijn vol zoeten wijn waren niet slechts de apostelen, maar was het werk des Heiligen Geestes aangetast. En vandaar dat Petrus niet kon en ook niet mocht zwijgen.
Immers we moeten niet vergeten dat de leugen en de laster er bij de menschen zoo in wil. Ziet maar hoe het in onze dagen nog altoos gaat: wat de een of andere schreeuwer uitroept dat wordt, hoe absurd het ook is, door de domme menigte zoo gaarne geloofd. Ook al gelooft men niet alles, hoe licht zeggen de menschen dan: maar daar is zeker toch wel iets van waar. Vandaar dat we den spot met het heilige, dat we de lastering van den Naam des Heeren in den wortel moeten aantasten en zooveel mogelijk in het begin moeten afsnijden.
Dat. nu deed Petrus op den Pinksterdag ook. Veel woorden heeft hij aan de weerlegging niet besteed, maar toch heeft hij de beschuldiging van dronken te zijn, met kalmte, maar toch ook met beslistheid op het hoofd der beschuldigers doen wederkeeren. Immers hij heeft het onhoudbare er van aangetoond. Een beroep op het gezond verstand zijner hoorders was voldoende om het onhoudbare ervan in. het licht te stellen. Onder al de Joden toch, en inzonderheid onder de tempelgangers hield men zich stipt aan de gewoonte om voor het morgenoffer niets te eten of te drinken, en de derde ure was eerst de tijd waarop dat morgenoffer begon. Door de bijvoeging: „het is eerst de derde ure vanden dag" heeft de apostel dus bewezen dat de aantijging van elken grond was ontbloot.
Op deze kalme, waardige en besliste wijze heeft Petrus dus de beschuldiging, die tegen Gods Kerk was ingebracht, weerlegd en zoo heeft hij het wapen van den spot, waarmee Satan het werk des Heeren trachtte te verwoesten, krachteloos gemaakt. Immers gij kent den indruk dien, niettegenstaande den spot van den vijand, de rede van Petrus op de saamgêstroomde menigte heeft gemaakt. Daar zijn er velen geweest die zijn woord gaarne hebben aanvaard en die, na gedoopt te zijn, in de gemeente des Heeren zijn opgenomen. Reeds aanstonds op dezen eersten Pinksterdag werd het woord des Heeren vervuld:
God' zal ze zelf bevestigen en schragen, En op zijn rol, daar Hij de volken schrijft, Hen tellen als bij Israel ingelijfd, En doen den Naam van Zions kinderen dragen.
Spotters en bidders, lasteraars en belijders, zijn op den grooten Pinksterdag, op den roem der dagen, in den tempel te Jeruzalem vergaderd geweest. En dunkt het u ook niet, dat zij nog op ieder Pinksterfeest samen komen in zoo menig huis des gebeds?
Tot welke van die beide soorten zoudt gij gerekend kunnen worden? Immers, aangezien er geen tusschenweg is, zal uw plaats, öf onder de spotters of onder de belijders zijn.
En nu behoeft gij, om een spotter te wezen, niet op dezelfde wijze te spotten als de spotters in Jeruzalemstempel dat hebben gedaan. En om een belijder te wezen behoeft gij niet op dezelfde wijze te belijden als Petrus dat in zijn Pinksterrede heeft gedaan. Spotten met het heilige kunt gij op o zooveel manieren doen! En belijdenis van den Naam des Heeren kan ook op velerlei wijze afgelegd worden. Dit is dan ook ten slotte de vraag: wat gij in beginsel zoudt zijn. Dit is de groote vraag die op ieder Pinksterfeest door een iegelijk onzer beantwoord moet worden. Waar strekt zich al onze lust en liefde heen? Waar zijn wij het in ons hart het meeste mee eens? Met de vijanden of met de vrienden des Heeren ? Met degenen die zich op den Pinksterdag afkeeren van de dingen die des Geestes Gods zijn, of met degenen dié zich daar naar toe keeren?
Wee onzer wanneer het eerste nog het geval zou zijn. Weet dan, dat de mond van alle spotters, de mond van alle lasteraars, de mond van alle vijanden des Heeren eenmaal voor eeuwig zal toegestopt worden.
Of moogt gij niet ontkennen dat gij van . een spotter een bidder, van een lasteraar een belijder zijt geworden, o dan kan het wezen dat gij nog niet anders bidt dan het tollenaarsgebed, en dat gij nog niet anders belijdt dan dat gij een zondaar en een schuldenaar zijt. Maar dat bidden heeft dan toch de Pinkstergeest u geleerd en die belijdenis heeft dan toch de Heilige Geest in uw harte gewerkt.
En nu is dit juist de blijde tijding die op den Pinksterdag weer tot u is gekomen, dat gij te doen hebt met een God, die al het door Hem begonnen werk voltooien en voleindigen zal. Het achter ons liggende Pinksterfeest wordt immers niet voor niets de kroon der feestdagen genoemd. Meer dan op eenig ander feest kunnen we op Pinksterfeest zingen:
Dit is de dag, de roem der dagen, Dien Isrels God geheiligd heeft. Laat ons verheugd, van zorg ontslagen, Hem roemen die ons blijdschap geeft.
O, dat hierop uw hope dan gevestigd mocht zijn. Dan immers zal het niet anders kunnen of gij zult met Petrus en met al de apostelen een verkondiger van de deugden des Heeren begeeren te zijn. En trots al den spot en alle lastering van den vijand zal dit toch uw Pinksterlied zijn geweest:
Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
Verhoogen Uwé Majesteit.
Mijn God, niets gaat uw roem te boven
U prijs ik tot in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's