Stichtelijke overdenking.
sGeschapen in Christus Jezus tot goede werken. Ef. 2 : 10.
Goede werken.
Tusschen Paulus en Jacobus is geen verschil van meening in het stuk van de goede werken. De een zoowel als de ander is er van overtuigd, dat de christen in zijn leven moet openbaren wat hij in den weg der genade heeft leeren kennen.
Als Paulus dan ook telkens spreekt van „zonder de werken"', dan bedoelt hij dat de zondaar niet moet komen aandragen met de werken der wet in het stuk van de rechtvaardigmaUng voor God.
Want wat kan de natuurlijke mensch aanbrengen om gerechtvaardigd te worden in de heilige vierschaar? Al zijn gerechtigheden zijn immeïs als een wegwerpelijk kleed en ook z'n beste werken zijn onvolmaakt en met 'zonden" bevlekt.
Gansch verdoemelijk ligt de mensch van nature voor God, dood in zonden en misdaden. En dat moet de ziel leeren met smart, om te sterven aan de wet, alle hoop opgevende het nog eens ooit door de werken der wet te kunnen goed maken.
De wet moet hem z'n dood worden!
De wet moet hem den mond komen stoppen, om als een verdoemelijk mensch voor God het doodvonnis te onderteekenen.
Want voor God kan geen vleesch bestaan.
Ala de neiging zich dan ook ging openbaren om den hemel te verdienen en Gode aangenaam te worden door de werken tot rechtvaardigheid — dan was de ernstige en strenge prediking van Paulus: „o, gij uitzinnigen, wie heeft u betooverd ? " Dan predikte hij: de mensch moet zonder de werken der wet, uit louter genade, door de toegerekende borggerechtigheid van Christus gerechtvaardigd worden voor God.
En Paulus mocht het volk des Heeren, het levende volk Gods, dan ook telkens in den geest terug voeren naar die rechtvaardigende daad Gods in Zijn heilige vierschaar aan den verdoenlelijken zondaar verheerlijkt, om het volk daar uit te laten leven, blijde getuigende: »Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn" (Rom. 8: 1a).
Maar o ! om uit die gerechtigheid te mogen leven — dat geeft geen werkeloos leven. De levendmakende daad Gods in Christus aan een arm zondaarsvolk verheerlijkt, maakt geen slaperige, luie, zorgelooze christenen.
Want dan zou de liefdedaad Gods Gode onteerend zijn en den mensch tot een ramp en tot ellende.
Neen, Paulus en Jacobus verschillen in het stuk van de goede werken niet; de een zoowel als de ander predikt voor het levende volk, dat het geloof zonder de werken dood is on dat de goede boom ook goede vruchten moet voortbrengen.
Hoor maar wat Paulus in dienzelfden tekst waar hij spreekt van de gerechtigheid Christi over al de Zijnen, zeggende: „zoo is er nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn" — wat hij daar vérder zegt: »die niet meer naar het vleesch wandelen, maar naar , den Geest". Of wat hij schrijft in Rom. 12: 1: „ik bid u dan, broeders! door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uwe redelijke Godsdienst."
Om uit Christus te mogen leven, bij Zijne gerechtigheid, doende Zijnen wil — dat is het hooge ideaal zoowel voor Paulus als voor Jacobus. Bij beiden is er een tegenstelling tusschen het leven uit het vleesch — en het leven door den geest.
Bij beiden wordt het leven uit en naar het vleesch veroordeeld als Gode tot smaadheid en den mensch tot een vloek en oordeel.
Door beiden wordt geleerd: "daarom afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken. En zijt , daders des Woords en niet alleen hoorders, uzelven met valsche overlegging bedriegende" Jac. 1:21 en 22.
Zoo goed als.dus tot hen, die in den weg van de werken der wet den hemel willen verdienen of zich zelf gerechtigheid willen verwerven, waarschuwend gezegd wordt: "uwe gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed en alle vleesch is voor God verdoemelijk." Zoo ook wordt het levende volk, dat leven mag, door genade, bij de gerechtigheid van Christus, vermanend geleerd: "maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking en het einde het eeuwige leven". Rom. 6:22.
O! 't is zoo'n moeilijk stuk, dat stuk der dankbaarheid en der goede werken om daar zóo over te spreken en te schrijven, dat men Bijbelsch is en niet doorvloeit. Want én de richting der werkheiligheid én de richting der lijdelijkheid ia zoo gevaarlijk en wil ons altijd door, de éene links en de andere rechts trekken, opdat we af zullen wijken van den rechten weg. De ware wijsheid is ook hier alleen van boven!
Maar wij meenen met ernst, dat, waar er te waarschuwen is voor werkheiligheid, veel meer nog te waarschuwen is aan het adres van hen, die zeggen genade te kennen maar zoo dood zijn voor de vermaning van den apostel Jacobus: toon uw geloof in uwe werken.
„ Werken" zoo zegt men dan, „wat werken ? "
„Hoe" zoo zucht men dan „hoe zouden wij iets goeds kunnen voortbrengen; 't is allemaal vleeschelijk ijveren en schijnvertoon."
Maar o! dan zouden we hen die door genade waarachtig iets mogen kennen van het leven Gods in Christus met Jacobus willen toeroepen: „bedrieg u zelf met met valsche overleggingen."
Want wat leert God in den weg der ontdekking en bekeering, in den weg der toeleiding en inlijving ?
Dat we diep, diep ellendig zijn in en uit ons zelf en dat alles wat God aan ons gedaan heeft en nóg doet, louter genade is, zonder eenige verdienste onzerzijds. Dat alle gerechtigheid, verzoening, vrede en vreugd ligt in Jezus Christus, wien onze ziele in geloove mag omhelzen als zijnde ook ónze Borg en Losser.
Waarbij we dan dagelijks ervaren, dat wij uit en van ons zelf eigenlijk altijd dezelfde ongelukkige zondaren blijven, die uit ons zelf geen goed ding kunnen voortbrengen, geen zucht en geen traan — maar waarbij we óok ervaren en getuigen mogen, dat we het voorwerp van Gods genade, in Christus, geworden zijnde, door den Heere ook begiftigd zijn, in Christus met den H. Geest, die ons tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij met ons gansche leven Gode dankbaarheid voor Zijne weldaden bewijzen.en Hij door ons geprezen worde.
OI dat is zoo moelijk te verstaan en dat wordt door de practijk des levens telkens weer als tegengesproken. Ach, dat „lichaam der zonde."
Maar toch is en blijft het waar, dat het werk Gods aan Zijn volk geopenbaard in Christus een werk van rechtvaardigmaking maar ook van heiligmaking is; en dat het werk des Geestes een werk der zalving is, om Gods kind tot een levend kind té maken, dat tot roem van Gods genade wenschtuit te spreken : „door het, geloof mag ik een lidmaat van Christus zijn en alzoo Zijner zalving deelachtig, opdat ik Zijnen Naam belijde, en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere en met een vrij en goed geweten is dit leven tegen de zonde en den duivel strijde en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeere" (Cat. Zond. 12).
0! dat in déze dingen méér mocht worden ingeleefd. Want we vreezen, dat het te weinig verstaan wordt. We vreezen, dat vele christenen te weinig tegen de zonde en den duivel strijden. Te veel haken naar geld en welvaren. Te weinig zorg dragen voor het loon van hun arbeiders. Te weinig hart hebben voor kerk en armen. Te weinig zich bekommeren om het werk der Zending. Te weinig meeleven met den strijd en met de actie op kerkelijk gebied. Te weinig voelen voor onderwijs naar Gods Woord. Te weinig hun hart zetten op Gods rechten en inzettingen.
En o ! dan staat men de werking des Heiligen Geestes tegen, dan bluscht men den Geest uit, dan bedenkt men niet, dat men geroepen is om als getuige van Christus overal op te treden, dat men vurig van geest overvloedig behoorde te zijn in allerlei goed werk.
0 ! wij weten dat velen er anders over denken. Dat helaas! ook door hen, die leeraars der gemeente zijn, wel in een anderen toon gesproken wordt dan wij nu schrijven.
Maar wij vreezen wel eens, dat men zich dan te weinig onder de tucht des Geestes en van het Woord Geds wil zetten, maar liever aan de leiband van „het volk" loopt, dat hierin dan des te meer in verkeerde paden geleid wordt, om ook anderen nog te misleiden.
Want Gods volk is uit zichzelf zoo boos en eigenzinnig.
O! de dagen van Ezechiël zijn nog niet voorbij, toen getuigd moest worden: „de zonden van Juda zijn zwaarder dan die van Israel en de grootste schuld ligt bij de leidslieden, méér dan bij het volk."
Israel is er door ondergegaan.
Daarna ook Juda.
Omdat ze niet verstaan hebben: „dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijnen lof vertellen."
Omdat de priesters in het verkeerde voorgingen.
O! we zouden ook nu wel willen uitroepen in het midden van de gemeente: „o, gij uitzinnigen, wie heeft u betooverd? "
Want men trekt de gemeente af - van de eenvoudige bijbelsche waarheden, om haar te vullen met luie, slaperige, zorgelooze en goddelooze dingen.
We zouden het nest van den adelaar wel willen stuk trekken, opdat de jongen uitvliegen, daar ze anders vet worden en sterven. (Obadja 1:3, 4; Deut. 32 : 11, 12a). '
Onze Geref. vaderen hebben van ouds, " naar uitwijzen van Gods Woord, in dit stuk van de goede werken zulke kostelijke dingen gezégd.
Onze Catechismus is niet zonder oorzaak zoo breed in het stuk der dankbaarheid, daarbij juist handelend over de wet der 10 geboden als levensregel voor den christenmensch.
Neen, het is geen ijdel vertoon om daders des Woords te zijn, om te zeggen: het geloof zonder de werken is dood.
En de Heiland zelf heeft het in een duidelijk en pakkend beeld geteekend, dat het bij het kind van God moet gaan als bij den wijnstok, die vruchten voortbrengt.
De wijnstok, die leeft, openbaart dit leven in de vruchten. Gelijk een goede boom geen kwade vruchten kan voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten (Matth. 7:18).
Wat Paulus toepast op het leven van de Gemeente als hij schrijft: indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen" (Gal. 5:25). Of zooals hij zegt tot de Filippenzen: Gij zijt duur gekocht, zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn" (Filipp. 4:8).
Zoomin onze lichamen der zonde dienstbaar mogen gesteld worden als wapenen der ongerechtigheid, zoo zeker moet ook ons verstand en ons geestelijk pogen den Heere in dienst gesteld worden. (Efeze 4:22—24).
Neen, niet om daarmee den hemel te verdienen — wat Christus gedaan heeft voor al de Zijnen.
Die zichzelf gerechtigheid zoekt op te richten zal met die gerechtigheid vergaan.
Maar die door genade iets mag kennen van een hartgrondige belijdenis van zonde en ellende, daarbij ook een gezicht mag hebben op Christus' gerechtigheid en dierbaarheid, om in den geloove Hem als Borg en Zaligmaker aan te nemen — die mag er ook iets van verstaan, dat dit een werk Gods is tot Zijne eer en tot onze zaligheid en tot zegen voor onzen naaste.
God doet geen half werk. God doet geen klein werk.
Gods werk in de wedergeboorte en bekeering des zondaars heeft altijd drieërlei doel: tot Zijn eer, tot ónze vertroosting en tot lokking van onzen naaste.
Lees onze 32ste Zondagsafdeeling maar eens, wat daar een van het arme volk des Heeren, diep klagend over eigen armoede, juichend getuigt van Gods werk aan de ziele verheerlijkt.
Ja — de Geest leert ons deze dingen. Daartoe is de Geest uitgestort.
En veel te bidden om de hulpe des H. Geestes, veel te bidden om leven voor de ziel, veel te staan naar een verborgen omgang met God — brengt mee een oefenen in de goede werken.
Want daartoe is Gods kind geschapen, in Jezus Christus, den waren wijnstok ingeënt. Wat Jezus aldus zegt:
„Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij véél vrucht draagt." Joh. 15:8a.
Leer mij, o Heer', den weg door U bepaald;
Dan zal ik dien ten einde toe bewaren ;
Geef mij verstand, met godd'lijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt;
Dan zal zich 't hart met mijne daden paren. Ps. 119:17.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's