Stichtelijke overdenking.
Velen zeggen; Wie zal ons't goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere! Psalm 4:7.
Diep gaapt de kloof tusschen het doel, dat nagejaagd, en de werkelijkheid, die gegrepen wordt in het leven der menschheid.
't Verlangde en 't erlangde dekken elkaar nooit op het levenspad der menschenkinderen. Daar blijft zooveel onvervuld begeeren drijven; daar vlijmt zoo'n snerpende honger naar geluk door 't menschenhart, waarvoor de wereld geene duurzame verzadiging biedt. Dichters en wijsgeer en hebben 't als om strijd verkondigd, dat vreugde hier op aarde niet anders is dan gepolijste smart, geluk niet anders dan vergulde rampspoed. De prikkel des verlangens jaagt voort over de eindelooze vlakte der teleurstellingen.
Nooit ligt de zweep des drijvers stil.
"Verder dan zóo echter brengt 't de wijsheid dezer wereld niet. In de diepte van den jammer laat zij 't Adamskind. Roerend maalt zij hem den nood van zijn smartenleven, maar op de vraag; is er ontkoming? blijft zij 't antwoord schuldig, of ze wijst een uitweg die nog dieper verwart in den doolhof der smart.
Niet allen zien of erkennen dit.
Velen zoeken den onvrede weg te lachen en onder 't blanketsel der schijnvreugde de bleeke smart te bedekken. Een wijle moge dat gelukken en de gelukswaan worden vastgegrepen — lang duurt 't niet, en al zou 't een heel leven duren, duurde 't nog maar kort; en langer houdt het nooit aan.
Niet allen kinderen dezer wereld echter gelukt 't, om op de vleugelen der dartelheid zich op te heffen boven de afgronden van de levensmoeiten. Velen in onze dagen houdt de boei der wereldsmart omsnoerd; hartverscheurend doft over de dartelheid van sommigen de jammerklacht van anderen heen. Maar zij willen niet naar den eenigen Heelmeester; van dien eenigen Naam onder de hemelen tot zaligheid gegeven, willen zij niet hooren; 't Evangelie van Gods gena. in Jezus Christus wordt verdrongen door de sombere boodschap van de wereldsmart! De wijzen dezer wereld achten zich te wijs voor de dwaasheid van Bethlehems kribbe en Golgotha's kruis.
Wel is ér bij velen een zoeken en tasten, óf zij ook in 't donker des levens 't pad der bevrijding mochten vinden, maar de wonden blootleggen voor den Goddelijken Heelmeester, de hulp inroepen van Hem, Die kwam om 't verlorene te redden, dat niet! En waarom niet? Omdat de natuurlijke mensch zijn lijden niet als schuld en zondestraf wil zien, en wie tot Christus komt, moet gelooven, dat Hij der zondaren Heiland is. En zoo blijft 't laatste dezer wereld een vraag zonder antwoord, honger zonder brood, dorst zonder lafenis.
Een vraag zonder antwoord!
Velen zeggen: wie zal ons Het goede doen zien? Algemeen is en was 't besef, dat dit leven niet is wat 't wezen moet. Niet weinigen, ook in de dagen van dezen zanger, voelden, dat er wat hapert aan den mensch. 't Is niet aan enkelen slechts voorbehouden om te zien, dat de levensmachine van den mensch defect is.
De tegenstellingen schrijnen; de nooden nijpen; de vragen klemmen. De ontzaglijke rampspoeden van heel 't menschengeslacht trekken de schaduwen breed en diep over elk menschenkind. 't Wordt door velen gevoeld, dat 't kouter der smart de voor diep opploegt door den levensakker der menschheid; breed golft de stroom vau tranen over de velden van ons geslacht.
't Is te verstaan, dat velen naar beter smachten. Velen vragen naar het goede, omdat door veler boezem het zwaard der tegenstelling vlijmt.
Ons tekstwoord geeft deze vraag van die velen als een vraag zonder antwoord.
En waarom? Dat ligt, mijn lezer, enkel in de beteekenis van dat goede.
Wat is ons het goede? Daar hangt 't van af. Als twee naar 't goede vragen, dan is dat niet hetzelfde. Als een berooide, uitgeleefde, hongerige wereldling naar het goede vraagt, of als dit een bekommerd kind van God doet, dat maakt diep verschil. De een is tevreê als 't hier beneden in orde is; de ander wordt bij al den voorspoed dezer eeuw doorgaand geplaagd door den angel van het schuldgevoel, die nergens anders dan bij Christus' Kruis wordt uitgerukt.
Van uw vraag dus hangt 't af, of gij antwoord vinden zult. Die de levenssmart niet als zondesmart heeft leeren kennen, dien is 't genoeg als de tegenspoeden opgeheven zijn. Kon deze aarde voor hen maar weer worden ingericht als 'n Paradijs; of God ook in dat Paradijs was, daarom bekommert hij zich niet.
Als er maar geen tranen meer gestort behoeven te worden om vervlogen idealen, verbroken verwachtingen, door den dood verscheurde liefdebanden, door krankheid geteisterde lichamen, dat is het goede voor zulke vragers daar. Schijnbaar is hun vragen dus veel bescheidener dan dat van 't ontdekte Godskind, dat om eeuwige weldaden smeekt.
Toch vindt de vraag om 't meeste hier enkel verhooring. Mogelijk hielden wij 't bescheidenste vragen 't eerst voor vervulling vatbaar; edoch, hier vindt de bede om voor eeuwig geborgen te zijn enkel verhooring. Het tijdelijk levensleed blijft, ondanks al 't vragen: wie zal ons het goede doen zien? ; het eeuwigheldsleed wordt volkomen weggedaan voor al wie hartelijk zocht met Christus' gerechtigheid bekleed voor God te verschijnen.
Maar weet een waarachtig christen dan geen weg met den weedom der smarte hier beneden ?
O gewis, lezer, want wij verwachten een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, op.dewelke gerechtigheid wonen zal. God zelf zal alle tranen van de beschreide aangezichten Zijner kinderen afwisschen. Ook Gods levendgemaakt kind verwacht een Paradijs, maar hiernamaals!
Een ander, beter, een nieuw vaderland wenkt hem.
Hier werd hij vreemdeling, doortrekkend pelgrim slechts.
En nu is 't ongetwijfeld niet hetzelfde hoe het pad door de woestijn is; maar al't goede daar wordt voorbijgaand, en al 't bittere een lichte verdrukking, die zeer haast wegvliedt.
Velen, zeer velen zeggen: wie zal ons 't goede doen zien?
Zoo weinigen onder hen slechts staan naar een goed, dat door geen mot en roest ooit wordt verteerd.
Velen, zeer velen staan met heimwee in 't hart naar andere dingen; ach, helaas, hoe weinigen onder hen toch die den blik opbeuren boven de worstelingen dezer wereld.
Hoe weinigen toch, die onder de oppervlakte van het ramspoedrijke leven hooren het ruischen der zondefontein, waaraan elke smart ontspringt!
Geen vruchten zonder den boom!
Eens zal 't goede komen, ook in dien zin, dat alle weedom weggebannen wordt, maar , dat alleen als vrucht van de plant der verzoening met God; alleen voor diegenen, die, omdat zij één plante met Christus wierden in de gelijkmaking Zijns doods, deswege dan ook één plante met Hem zullen zijn in de gelijkmaking Zijner heerlijkheid.
O, die velen! zij blijven halverwege staan Zij zijn niet diep, niet hoog, niet ver genoeg! En daarom blijft hun wensch onvervuld.
Waarlijk, de deesem der smart heeft heel 't leven doortrokken; maar gij, die daarover klaagt, waarom klaagt gij niet vanwege uwe zonden ?
Wilt gij 't dan niet zien, dat 't uwe zonden zijn, die u kastijden; dat uwe ongerechtigheden u overstelpen met den vloed der tegenheden?
Lijders wilt ge heeten, waarom niet eerst zondaren?
Ongelukkigen wilt ge zijn, waarom niet eerst ongerechtigen ?
Waarom, gij velen, wel gevraagd naar 't goede voor den tijd, en niet naar heil voor de eeuwigheid?
Waarom vraagt ge naar vruchten zonder boom ?
Waarom weegt ge uw geld uit voor 't geen. brood is, en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan?
O, mijn lezer, 's levens lasten moeten ons zondelasten geworden zijn. Dan drupt van Christus' Kruis de vrede neer, die alle verstand te boven gaat.
Jezus zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden, maar dan ook van hunne wonden! Hier in beginsel, door te verzachten, te balsemen, hiernamaals volkomen, dat geen litteeken meer nablijft. Gij, die smacht naar lotsverbetering, daar Boven, in 't Paradijs Gods, daar zal op de aangezichten, die in de kristallen zee. zich weerspiegelen, geen spoor van tranen meer gevonden worden; en dat alles in en door Hem, Die't verlorene zoekt: Jezus is Zijn Naam.
O, .dat een smartverscheurde wereld zich toch eens tot Zijn kruis wou laten leiden! Anders, geen lotsverbetering zonder hartsvernieuwing !
Rijst de vraag naar het goede uit 't diepst uwer schuldbezwaarde ziel, lezer, dan is er antwoord! Dat antwoord op 't vragen uwer verscheurde ziele weerklonk langs de hemeibogen, toen God Zijn Zoon heeft gezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet.
Dat antwoord heeft de koninklijke zanger van den 4den Psalm in profetische smeeking van den Heere afgebeden: Verhef gij, o Heere, over ons het licht uws aanschijns."
En 't Licht van 's Vaders aangezicht, de glans Zijner eeuwige zondaarsliefde afstralend van Zijn Goddelijk aanschijn, is dat niet de Zoon, de Heere Jezus Christus; Hij, Dien de apostel noemde het afschijnsel van 's Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid?
Verhef gij, o Heere, over ons het licht Uws aanschijns!
Heerlijke bede!
Velen vragen naar het goede; deze zanger vraagt naar Godl
Daarin, lezer, ligt het diep contrast.
Velen hebben genoeg aan de gave; weinigen slechts begeeren den Gever!
Maar zonder den Gever de gave niet!
Zonder Hem, Die 't Leven is en uit den dood het leven opbracht, geene genieting van het Leven.
Hier valt de zondaarsziel in de eeuwige armen van almogend ontfermen.
Hier smeekt 't kind om den bijstand des Vaders; zoo roerend-schoon, zoo teeder-liefiijk.
Hier is er één, die bij eigen dwaasheid en duisternis het leven niet meer houden en den weg niet meer vinden kan; één, die amen moet zeggen op 't woord des Heeren: wat zou 't u baten, zoo gij heel de wereld kondt gewinnen, maar aan uw ziele moest schade lijden? Wat zou 't u baten, zoo ge bij al wat ge hadt, 't ééne noodige moest missen?
En zulk één kan met niet minder toe dan met het licht van 't aanschijn zijns Gods; dan met de genade Gods in Christus Jezus.
Hij zal de uitwendige gave niet verachten, maar 't is niet genoeg. Hij zag de kwaal dieper liggen; hij daalde af tot den wortel zijns levens; dien zag hij verkankerd door de zonde; dien zag hij liggen buiten den Christus Gods. Geen weldaden kunnen hem nu meer helpen; de Weldoener zelf moet zijn deel worden. Hij moet hiervan verzekerd, dat God van den hemel niet op hem toornt, maar in Christus hem een verzoenend God en een barmhartig Vader wil zijn. Eén blik uit 's Vaders oog, dat van ontferming spreekt, is hem meer dan alle schatten dezer wereld. En o, hij zal zijn kruis wel dragen, als bij tijden van 's Vaders Aanschijn maar eens tintelende stralen op zijn pelgrimspad mogen neervallen. Nu weet hij 't, dat *t hier maar een lichte verdrukking geldt, die zeer haast voorbijgaat; en wat onuitsprekelijke heerlijkheid hem wacht daarboven, zoo hij straks aan 't einde der baan als een Paulus zal mogen getuigen: ik heb den strijd gestreden, ik heb den loop voleindigd, en 't geloof behouden; voorts is mij weggelegd de krone der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal! Van zichzelf heeft 'n zondaar dat dieper inzicht niet. Neen, daar viel Geesteslicht in de diepe schacht van zijn hart; dat toonde hem zijne verlorenheid; dat dreef hem uit en joeg hem als door onweder voort, dat liet hem geen rust eer ook hem Christus Jezus van God geworden was tot Wijsheid, tot Rechtvaardigheid, tot Heiligmaking, ja tot eene volkomen Verlossing.
O, die Heiland is de schoonste, rijkste gave des Vaders; in Hem schenkt de hooge God Zichzelf aan doemschuldige zondaren; in Hem is antwoord op alle vraag, die 't hart zou kunnen beroeren.
Tot den Christus, in Wien hem 't licht van 's Vaders aanschijn opgaat en bestraalt, mogen de Zijnen naderen met al wat hen drukt en knelt.
Hij zelf noodigt hen: Komt herwaarts, tot Mij!
Omdat de wereld niet van zonde weet, kan ze ook niets verstaan van de onmisbaarheid en heerlijkheid van Eén, Die van zonde verlost! Ook gij niet, lezer, zoolang ge uzelf niet als zondaar voor God leerdet kennen. Dan kan Hij u ook geen goede Herder, geen Vredevorst, geen Overste Leidsman zijn. Dat alles echter is Hij voor.Zijn volk; voor die gemeente. Die Hij kocht tot den pnjs van Zijn bloed! In zichzelf zijn zij Hem zoo onwaardig! Maar al wat Hem de Vader geeft zoekt Hij en 't komt alles in nood en dood tot Hem!
Is 't wonder, dat de Apostel 't uitroept: U, die gelooft, is Hij dierbaar!
Als in Christus het licht van 's Vaders aanschijn over ons is opgegaan, dan hebben wij in Hem alles, wat tot onze zaligheid van noode is.
Dan hebben we in Hem ook in beginsel de slaking van alle banden; de opheffing van elk leed.
Hij zal alle tranen wegwisschenl
In allen nood op Hem geworpen; met al de zonde neergeknield bij Zijn Kruis; met alle wonden neergezonken aan Zijn voeten, wijl Hij de Hemelsche Heelmeester is.
Hoe groot is dan 't goed dergenen, die met den dichter van den 4den Psalm afziende van al 't schepsel, op Hem geworpen mogen zijn met de smeekbede:
Verhef Gij het licht Uws aanschijns over ons, o Heere!"
Geen lijdensnacht, hoe donker ook, dooft dat Licht, 't Moge 'n wijle schuil gaan achter zwarte wolken, straks spreekt de zilveren zoom dier wolken van 't Licht, dat ook daar achter nog straalt!
Lezer, zij deze bede de uwe!
Straks dooven de wateren der eeuwigheid de lichten van deze wereld; als ge dan anders niet hebt moet ge in eeuwige donkerheid onzwerven!
Zoek hier deel aan Hem, Die licht zaait in de doodsvallei, omdat Hij den dood tot overwinning verslond.
Voor wie dat heerlijk deel is weggelegd?
Verlorenen roept Hij bij Zijn Kruis; verlorenen roept Hij tot de kroon des levens in 't Vaderhuis omhoog.
Vraagt naar den Heere en Zijne sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.
Vertrouw op Hem, o volk in smart; Stort voor Hem uit uw gansche hart;
God is een toevlucht 't allen tijden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's