De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Er zal geen klauw achterblijven*.Ex. 10:26b.

Geen klauw achterblijven.

«Er zal niet een klauw achterblijven" is een woord door Mozes en Aaron, de mannen Gods, gesproken tot Farao, Israels onderdrukker en bevat een strengen eisch des Heeren aan het adres van dezen roekeloozen geweldenaar.

Farao wilde het volk maar niet laten gaan.

En toen stond God op in toorne om plaag na plaag over hem en het land van Egypte uit te storten, waarbij Egypte's koning telkens vol angst Mozes vroeg om den Heere uitkomst te vragen, onder belofte het volk dan te zullen laten gaan.

Edoch, had de Heere uitkomst gegeven en was de plaag weggenomen, dan verhardde Farao zich weer op nieuw en weigerde hooghartig het volk te laten gaan.

Zoo was nu de 9de plaag voorbij. Sprinkhanen waren gekomen in menigte om het kruid des lands en al de vruchten der boom en, die de hagel had overig gelaten, op te eten. Maar daarna was, op Mozes gebed, een zeer sterke westewind gekomen, die de sprinkhanen ophief en ze in de Schelfzee wierp, zoodat er niet éen sprinkhaan overig bleef in al de. landpalen van Egypte.

Zou Farao, weer wonderlijk uitgered, nu ijetsolk'laten gaau; ^-Neen! andermaal durfde hij 't wagen om zich tegen God te verzetten. "Israël moest ­en zou blijven binnen Egypte's landpalen! et Ze mochten niet vrij uitgaan, zooals de Heere dat gevraagd had. e-01 wat heeft Israël toch een zwaren dienst gehad in het land van den Nijl. Wat was Farao toch een wispelturige tyran, die wreed e zijn zweep legde op den rug van Gods volk en zwaar deed voelen zijn ijzeren scepter. Wat duurde de nacht van lijden lang. Wat werd het glooren van het licht der vrijheid elk oogenblik weer te niete gemaakt door de donkere wolken van druk en moeite. Zou God het weten? Zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? Zou Hij zijn gena vergeten en nooit meer van ontferming weten ?

Zou Farao, weer wonderlijk uitgered, nu het volk laten gaan?

Neen! andermaal durfde hij 't wagen om zich tegen God te verzetten. "Israël moest ­en zou blijven binnen Egypte's landpalen! Ze mochten niet vrij uitgaan, zooals de Heere dat gevraagd had.

't Was nu al negen maal gezien, dat Farao zijn harte verhardde en het volk niet wilde laten trekken. Zou Gods arm verkort zijn? Zou bet beloofde land voor altijd zijn gesloten en de deur van het diensthuis nooit weer opengaan?

Zie in Farao gerust een type van satan, den grooten wederpartij der der broederen en laat de geschiedenis van Israël u een beeld en schaduw zijn van Sions levensreize in dit onder-maansche.

Wat kan de druk en de moeite zwaar zijn; wat kunnen de slagen zich vermenigvuldigen; wat kan het lijden Iang aanhouden; wat kan alle hoop op redding telkens de bodem worden ingeslagen!

Moeten dan alle dingen medewerken ten kwade? Blijft er dan geen stipje licht meer over aan den stikdonkeren hemel?

Farao weigert opnieuw het volk te laten gaan. Uitgered, durft hij zijn hoofd weer trots omhoog te steken en zich te verzetten tegen den Heere.

Maar dan komt God voor 't laatst. De 10de plaag wordt over Egypte uitgestort en er kwam »een dikke duisternis in het gansche Egypteland, drie dagen. Zij zagen de een den ander niet, er stond ook niemand op van zijne plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hunne woningen."

Zoo had Farao 't nog niet gewonnen. Zoo was het land andermaal in verwarring gebracht.

En aan Israel bewees de Heere bij vernieuwing, dat Hij over Zijn volk waakt en Zijn erfdeel weet te behoeden en te zegenen.

Israel mocht in het licht wandelen, terwijl het in Egypte donker was. O! dat is een profetie voor de komende dingen. Dat is het voorspel van dat heerlijke lied van geloof en vertrouwen: „maar de Heer' zal uitkomst geven."

Let nu evenwel op de handelwijze van Farao. Hij voelt meer en meer dat hij het tegen Israels God niet kon uithouden Dat hij het volk van Israel zal moeten laten gaan.

Doch nu dat pogen, om den eisch Gods maar ten halve te gehoorzamen; nu die slimme zet, om van Israel nog zooveel mogelijk terug te houden en hen, terwijl zij zouden uittrekken, eigenlijk toch vast te houden en te dwingen om spoedig terug te keeren.

Hoort wat Farao voorstelt aan Mozes en Aaron: »gaat heen, dient den Heere! alleen uwe schapen en uwe runderen zullen vast blijven."

't Vee zal Farao tot pand houden. Ze zullen mogen gaan, maar zonder hun bezittingen. Ze zullen den Heere mogen dienen, maar zonder offeranden en geschenken.

0! wat een heerlijke vrijheid. Zooals een vogel vrij is — die .met z'n poot zit vastgebonden. Zooals een visch vrij is, die op het droge is geworpen.

Vrij om God te dienen, om te staan en te gaan — maar niet naar Gods bevel, doch slechts naar Farao's bepaling en voorschrift.

En ziet — dan komt de Heere tusschenbeide en zegt: „neen. Farao, mijn volk moet gij vrij laten niet zooals gij dat wilt, maar zooals Ik dat wil. Mijn wet en Mijn ordinantie geldt.

Daar doe Ik geen tittel of jota af.

Ook het vee moet mee.

Er zal niet een klauw achterblijven!"

— Zoo is de Heere een ijverig en een jaloerach God. Van Zijn gebod.kan Hij niets aflaten. Wat Zijne heilige ordinantiën betreft wil Hij niets toegeven.

Zijn eer is er mee gemoeid.

En dat zal Farao ondervinden.

Twee wegen zijn er maar voor den geweldenaar van Egypte. Of in 's Heeren eisch bewilligen — en dan zal het volk vrij zijn om God te dienen naar Zijn Woord en Farao zal in Egypte kunnen blijven.

Of 's Heeren eisch wederstaan en van Zijn bevelen afdoen — maar dan zal Farao sterven, door de geweldige macht van Israels God bezocht, terwijl Gods volk in vrijheid zal worden gebracht tegen Farao's zin.

't Kan met God niet op een accoord geworpen worden. Tegenover elk accoord van den vijand van Gods volk en Gods gemeente, waarbij hij van des Heeren eisch wil afdoen, om zoo God te hoonen en Zijn erfdeel te bedroeven, staat de strenge eisch des Heeren : Ik ben God en niemand meer — handel verstandiglijk en houd Mijne geboden, opdat gij moogt leven en niet sterven.

God laat op het heilig terrein van Zijn Kerk niet toe, dat er van Zijn eisch.wordt afgedaan.

Lang hebben we het geprobeerd. Lang hebben we het op een accoord willen werpen met God, doende onzen eigen wil en leerende leeringen, die geboden van menschen zijn. En de Heere heeft het laten voelen, dat Hij het aanziet in toorne, 't Is alles onder de hand weggebroken, 't Is Sion — maar wie vraagt ernaar? Het fijne goud is verdonkerd, en wie begeert het nog? Verdeeld en verscheurd ligt het huis des Heeren. Broeders en zusters in den geloove staan als leeuwen en heeren tegenover elkaar, terwijl men moest kunnen zingen: „Ziet, hoe goed is 't, dat broeders en zusters van 'tzelfde huis in liefde samenwonen."

Wat moet er aan gedaan worden ? Hoe zal het licht der bevrijding doorbreken?

Zou God het weten? Zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? Zou God Zijn gena vergeten, nooit meer van ontferming weten ?

Ach, ja wel! De Heere is de God des eeds en des verbonds, die niet laat varen de werken Zijner handen. Hij heeft maar te spreken en het is er, te gebieden en het staat er.

Maar hoort gij niet, dat de Heere tot allen, die de Kerk willen medicineeren en die spreken over het herstel van het huis onzer Vaderen, zoo ernstig zegt: „er zal niet een klauw achterblijven."

O! lees dien tekst zóo eens. En voel het eens, dat de Heere Zijn vollen eisch houdt, waarvan Hij geen tittel of jota aflaat — en in dien eisch zullen we moeten inkomen; we zullen dat gebod moeten leeren billeken. En we zullen moeten leeren erkennen, dat alleen 's Heeren weg tot ware verlossing brengen kan.

Wee als de Heere ons moet gaan dwingen. Als de Heere ons hén tot voogden der Kerk geeft, die met Gods geopenbaarden wil geen rekening houden.

Ach, wat is dé mensch toch een dwaas en zondig schepsel, dat hij maar niet wil inkomen in 's Heeren eisch en naar Gods geboden wil luisteren, want waar men het nu van.de bergen en van de heuvelen verwacht, daar zal men ervaren, dat vleesch tot z'n arm te stellen van Godswege onder den vloek ligt.

Evenzoo op het terrein van de School. Even zoo in zake het werk der Zending in onze Indien.

Men was bezig het schoolvraagstak tot oplossing te brengen. Het ouderrecht zou worden erkend. Er zou volle vrgheid komen, om naar uitwijzen van Gods Woord de kinderen op te voeden en te onderwijzen.

En vrienden van het Christelijk onderwiijs hebben net zoo lang meegedaan, dat de kansen voor 't oogenblik weer voorbij zijn en men het voor duizenden en duizenden kinderen, die dan Christelijk onderwijs zouden kunnen genieten, maar weer probeeren zal zonder bidden en danken, zonder lezen en vertellen uit Gods Woord, zonder aanprijzen van den Heiland, door Wien de mensch, in den weg der wedergeboorte, alleen maar tot God kan komen.

Men zal Gods eisch verminderen: dat de ouders hun kinderen moeten opvoeden in de vreeze en de vermaning des Heeren; dat Zijn rechten en inzettingen van geslacht tot geslacht zullen worden bekend gemaakt, „want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jacob, en eene wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hunnen kinderen zouden bekend maken. Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan en vertellen ze hunnen kinderen. En dat zij hunne hope op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijne geboden bewaren. En dat zij niet zouden worden gelijk hunne vaders, een wederhoorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn harte niet richtte en welks geest niet getrouw was met God." {Ps. 78)

Nu zal men het op een endere wijze probeeren. Men wil het met de vijanden van de Christelijke beginselen en men wil het met God op een accoord werpen.

Kerk en School zullen er wél bij varen.

Waar men Gode niet geven wil wat Godes is en den naaste niet wil vrijlaten om God te dienen naar Zijn Woord.

Maar terwijl de groote drijvers van weleer spreken van heil en zegen, van vrijheid en godsvrucht, van voorspoed en welzijn. voor Kerk en School — roept de Heere: Ik laat toch niet af van Mijn eisch. Hoe ge probeert, bidt en smeekt of het zoo ook niet kan en mag, Zooals gij het u hebt voorgesteld — Ik laat niet één tittel of jota vallen van Mijn inzettingen, en alleen wanneer men in den eisch van Mijn Woord komt, om dien te billijken en te doen, dan zal het u en uwe kinderen welgaan.

O! we gaan weer een tijd van ellende tegemoet op het terrein van de Kerk en van de School.

Farao zal de zweep op onzen rug leggen en we zullen ervaren, dat zijn scepter zwaar is,

Die zal men het meest treffen op het terrein van de Kerk en van de School, die Gods Woord als gids wenschen te gebruiken bij allerlei weg.

En die droomen van zegen en welvaren zullen bemerken, dat God geen genoegen neemt met hetgeen Farao goed en heilzaam belieft te noemen.

God noemt het een vloek en een oordeel. En de Heere blijft eischen: wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht, dan zal het u welgaan.

Ook Indie en het werk der zending zal het ondervinden, dat er van allen die niet wenschen te buigen voor Gods Woord niet veel heil te verwachten is.

Met Chineesch geld en Hollandsche vijandschap is voor een deel verbroken, wat mocht worden begonnen in onze Koloniën, waar we een Gouverneur-Generaal hebben, die zich niet schaamt om voor zijn God uit te komen.

Ja — we zullen het voelen, dat de zweep van Farao nog niet gebroken ligt en de scepter der vijanden zwaar drukt op allen, die het willen houden met Gods Woord.

En zóo zal de vrijheid niet komen.

Voor de Kerk niet, voor de School niet, voor Indie niet.

Bij alle mooie redeneeringen blijft de Heere, als een heilig God, die ijvert voor de eere van Zgnen Naam, zeggen: „gij moogt niets afdoen van Mijn gebod.

Alleen, wanneer Gij in Mijne wegen inkomt, zal het heil over u en uwe kinderen gezien worden."

Zóo gelezen, is ons tekstwoord een onafwysbare en strenge eisch des Heeren aan Farao. Terwijl er voor Gods volk een zoo rijke vertroosting in ligt, om te mogen hooren en te mogen gelooven, dat God voor de eere van Zijn naam zorgt en zal maken dat gansch Sion zal worden bevrijd.

Want ja: „er zal niet een klauw achterblijven."

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; üw vrije gunst alleen wordt d'eere toegebracht; Wy steken 't hoofd omhoog, en zullen d'eerkroon dragen, Door Ü, door U alleen, om *t eeuwig [welbehagen; Want Grod is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.Ps. 89:9.

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's