De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

De Gereformeerde Kerk en het Volksleven.

I.

Wanneer wij van de Kerk spreken in betrekking tot het volksleven, dan denken we aan de Kerk, zooals zij zichtbaar optreedt onder de menschen.

't Gaat dan niet over de onzichtbare zijde van de Kerk, maar over de Kerk die optreedt in een zichtbare verschijning op aarde, welk onder de menschen niet de oogen is te aanschouwen.

Over de verzameling der uitverkorenen dus niet, maar over de verzameling der belijders.

Van de onzichtbare zijde der Kerk lezen we veel in de H. Schrift. We hebben maar te denken aan het woord van Paulus: „de Heeré kent degenen die de Zijnen zijn" als ook van het woord des Heeren, te lezen bij den profeet: „Ik heb Uwe namen gegraveerd in Mijne beide handpalmen."

In die onzichtbare Kerk, in de verzameling der uitverkorenen ligt het wezen der Kerk.

Dat is de ware Kerk, die zalig wordt.

Daarvan gaat niet éen verloren.

Ddt is het sieraad en de kroon van Sions Koning.

Waarvan de apostel Paulus als karaktertrek aangeeft: , want gij zijt een uitverkoren geslacht" — en „gij zijt gestorven maar uw leven is met Christus verborgen in God."

Evenwel, zooals we reeds zeiden, de Kerkgeschiedenis houdt zich niet bezig met de onzichtbare Kerk, niet met de verzameling der uitverkorenen, want over het hart en over de verborgen gemeenschap met Christus heeft niet de mensch te oordeelen, maar de Heere alleen. Het staat niet aan den mensch om aan te wijzen wie een uitverkorene is of niet.

De Kerkgeschiedenis handelt dan ook niet over de onzichtbare Kerk, over de verzameling der uitverkoren, maar over de zichtbare verschyning der Kerk op aarde, over de verzameling der belijders.

Dat is geheel Bijbelsch.

Dat is naar den geest van Christus.

Immers wees Hij aanstonds van de hand die vraag der jongeren, die zich richtte op de onzichtbare zijde der Kerk, op het getal en de verzameling der uitverkorenen, toen zij informeerden: zijn er veel of weinigen die zullen zalig worden?

Als een nieuwsgierige dwaas meet de mensch daar steeds buiten gezet worden, hoe dikwijls hij er ook met taaie volharding wil indringen.

Maar wat de zichtbare zijde der Kerk betreft, de verzameling der belijders van Christus naam, daar over te spreken en te handelen is geheel naar het Woord en nuttig en noodig voor alle dingen.

't Woord zelf zegt, dat de Kerk in 't openbaar zich moet doen zien voor het oog der menschen.

In gemeenschap met elkander moeten de leden van Christus Kerk leven en hun wandel moet zijn onder de menschen.

Niet onzichtbaar, maar zichtbaar.

Hoort maar hoe de apostel het leven van de gemeente Gods teekent: „En de menigte dergenen, die geloofden was éen hart en éene ziel en zij waren volhardende in de leer der apostelen en in de gemeenschapen in de breking des broods en in de gebeden" of zooals op eene andere plaats staat: „En allen, die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeen ; en zij verkochten hunne goederen en have en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van noode had. En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te samen met verheuging en eenvoudigheid des harten en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden". (Hand. 2).

In gemeenschap met elkander treden de leden van Christus' Kerk op, leden van éen lichaam zijnde, waarbij de hand niet tot de voet mag zeggen ik heb u niet van noode en het oog niet verwijtend mag zeggen tot het oor, wat heb ik met u van doen ? .

Eén lichaam, vele leden zijnde ; één huis, uit vele steenen, bekwamelijk saam gevoegd zijnde, opgebouwd.

En dan openbaar voor de menschen als een stad op een berg.

Staande midden onder het volk als een pilaar en vastigheid der waarheid.

Schijnend als een licht, dat op een kandelaar geplaatst is, tot in alle hoeken van het land zijn glanzen uitstralend.

Ja — als een zuurdeesem, bestemd om alle maten meels te doortrekken. :

Een wonderlyk ding is dus de Kerk des Heeren, de gemeente van Jezus Christus.

't Is een gewrocht van Gods alvermogenden Geest.

Onder de menschen gevonden, maar niet uit en door en tot den mensch, enkel en alleen uit en door en tot God.

Op aarde te aanschouwen, maar niet uit en van en voor de aarde; uit en voor den hemel.

Een wonderlijk werk van God almachtig I Neen uit den door de zonde vervloekten schoot der wereld kan geen Kerk geboren worden.

Maai; uit. de wereld haalt Gods Geest, door een onnaspeurlijke werking, de Kerke Christi te voorschijn.

Niet voor de aarde roept de Heere Zijn volk, want in de eeuwigheid ligt de bestemming van Christus' erfdeel — maar toch moet de reize door het menschelijk leven, daarvoor een goddelijke taak ontvangend, omschreven in het woord van den Heiland: „gij zijt het zout der aarde, het licht der wereld."

Neen, niet uit den mensch, niet van de aarde, niet met kracht en met geweld —-maar toch voor de menschen, toch voor de aarde, toch met kracht en met majesteit: gij zijt het licht der wereld"; „wees vurig van, geest, altyd overvloedig" „zoo laat ons dan niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn", „den tijd uitkoopende, dewgl de dagen boos zijn" „opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstrafïelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welken gij schijnt als lichten in de wereld." (Filip. 2 : 15.)

(Wordt vervolgd.)

In „De Standaard" van 14 Juni 1913 lazen we het volgende stuk:

Over de Zending.

„Kom over en help ons"

Zóo was de roepstem uit Macedonië in Paulus' dagen, en zoo weerklinkt 't ook nu weer bij dagen en bij nachten uit Java, en Sumatra, en Borneo, en Celebes, en van alle eilanden, groot en klein, in onze heerlijke Aziatische Koloniën.

Niet het volk zelf roept ons, maar de Geest des Heeren roept in 't volk, juist zooals 't met Macedonië was. Het is een smeeken van de liefde onzes Gods, dat elk kind van God in de stille ure des gebeds opvangt. Uit de  verborgen diepten roept 't alles om den Middelaar Gods en der menschen, en van zelf komt uit onze eigene Koloniën die roepstem allereerst tot óns.

Op Sumatra werkt ook wel de Duitsche Zending uit Rijnland en ze werkt er met zeldzamen zegen. Maar de hoofdplicht, de hoofdtaak op 't stuk der Zending rust, wat onze eigen Koloniën aangaat, toch in de eerste plaats op ons eigen vaderland.

Tot onze kerken in Nederland, tot onze vrome kringen, tot onze Zendingsvrienden in 't bizonder, blijft het aldoor éen, nooit wegstervend, roepen: Kom over, kom naar uw eigen schitterende Koloniën over, en help ons. Laat het Evangelie van Christus ook óns gebracht worden. Ook hier wacht 't al op 't heil.

Heeft Nederland van meet af die hooge, die heerlijke roeping verstaan ? Heeft 't van het oogenblik af, dat 't bezit nam van deze Koloniën, haar allereerst 't Evangelie van Jezus gebracht?

Er zijn, ja, predikers naar de Oost gezonden. Er is een Kerk gesticht. Op een enkel eiland sloeg het Evangelie zelfs in. Er zijn kleine streken, waar nu reeds drie eeuwen gedoopt wordt. Maar de massa bleef heiden of mohammedaan. En zelfs toen de vorige eeuw inging, stonden we bij het Zending-Réveil, dat toen door alle landen trok, nog beschaamd en verlegen voor het luttele, dat in die twee eeuwen, die achter ons lagen, voor Christus' kerk gewonnen was.

Eerst met dit Zending-Reveil in het begin der 19e eeuw zijn ook wij toen wakker geworden. Er viel althans een begin van actie te bespeuren. Men kwam bijeen. Men besprak het belang van de Zending. Men kwam samen in 't gebed. Gelden werden gul samen gebracht, zendelingen werden uitgezonden. En nog getuigt Halmaheira van de rijke winst die toentertijd die vernieuwde actio gebracht heeft.

Jammer slechts, dat daarna die eerste geestdrift weer verflauwde. Wel traden allerlei nieuwe Zendings-corporaties op en zelfs gingen enkele Kerken Zending drijven, maar 't echte vuur verflauwde toch weder, tot nu een goede tien jaar geleden een nieuwe bezieling de Zendingsvrienden aangreep, overal verwakkering bleek op te leven, beter beleid ingang vond en door heel ons land, in lal van kringen, een belangstelling voor het Zendingwerk viel waar te nemen, die van beter dingen profeteerde.

Binnen niet zoo lange dagen verdubbelde onze Zending door heel 't land heen haar veerkracht, zelfs in de publieke organen werd de Zending een actie van beteekenis, die meerekende. Men zag gebeuren wat men vroeger voor ondenkbaar had geacht. En zelfs de hooge Regeering van 't land veranderde geheel haar vroeger zoo terughoudende manier van bejegening. Door het herhaaldelijk optreden van een Christelijk Kabinet vond allengs ook in regeerinskringèn een geheel andere beschouwing over de Zending ingang Vroegere lauwheid en onverschilligheid sloeg om in belangstelling en toewijding. Waar men vroeger stuitte op tegenstand, ontmoette men thans vriendelijke bejegening en medewerking.

Er rees een lied van dank en aanbidding uit de kringen onzer zendingsvrienden op voor zoo ongedachten en gewichtigen keer, die op dit terrein viel waar te nemen.

Zoo greep men moed om zijn actie uit te breiden. Wat vroeger ordeloos sleepte, werd nu op goede orde gebracht. Hospitaaldienst kwam de Zending te hulp. Het Christelijk Schoolwezen begon vasten voet te verkrijgen Kortom men leefde in alle Zendingskring  in de blijde verwachting, dat nu betere dingen komende waren, dat de actie zooals vroeger nooit zou worden doorgezet. En reeds wachtte men de blijde dagen in, dat een eigen Kerk van breeder omvang in Indië onder de gedoopte inlanders zou openbaar worden.

Vooral toen in Idenburg een gouverneurgeneraal naar Indie ging, die zelf den Christus beleed maakte een blijde verwachting zich van alle zendingsvrienden meester.

Het was, of een nieuwe toekomst aanbrak.

Van massale bekeering zelfs werd de profetie gehoord.

En moet nu aan deze schoone verwachting op eenmaal de bodem worden ingeslagen?

Moet nu, uit louter politieke willekeur, het Christelijk Kabinet worden weggejaagd? Een vijand van de Zending Minister van Koloniën worden ? En de positie zóó verwrongen worden, dat Idenburg nog voor zijn tijd uit Buitenzorg zou moeten vluchten?

Kunt ge u er een denkbeeld van vormen, wat lot dan in Indie aan onze Zending zou te wachten staan?

Alles weer neergeslagen wat-nog pas met zoo namelooze inspanning werd tot stand gebracht. Voor de nu genoten sympathie van het Gouvernement dan weer die stekelachtige bejegening, die kwalijk verholen antipathie en zelfs tegenwerking. Ja erger nog, uit het Christelijk Nederland een geroep naar Indie uitgaande, dat Mahomed, wel bezien, even goed als de Christus is, zoo niet nog beter! Theosophie en Buddhisme almeer in de hoogste kringen op Java veldwinnend. Onze toch nog zoo karige subsidies tot onder het halve bedrag verminderd. En op alle manier ons te verstaan gegeven, dat de Zending, nu ja voorshands nog geduld bleef, maar dat 't haat geraden was, zoo weinig mogelijk van zich te laten merken.

Dat zijn de gevaren, die voor de deur staan, Onder o, zoo zachte vormen en in voorzichtige termen zal 't u worden aangezegd. Maat daarop zal 't neerkomen, dat is 't wat te wachten staat. Een taal als Mr. van Deveater in de Eerste Kamer hooren deed, en die bij heel de liberale pers, vooral in Indie, onverdeelde instemming en zelfs toejuiching vond, sluit hier allen twijfel of onzekerheid uit

Als het Christelijk Kabinet valt, en een Kabinet van de over zijde krijgt 't bewind in handen, dan krijgt onze Zending een knak waarvan zij zich in geen tientallen van jaren zal herstellen, en slaat de periode van bloei waarin we ons thans verheugen mogen eer we een jaar verder zijn in druk en tegen' spoed om.

Eu wie helpen daar nu aan meê?

O, ge zoudt 't niet gelooven, en toch is 'l zoo, daaraan helpen voor een niet zoo gering deel meê onze Zendingsvrienden zelven.

Volijverig als deze mannen en vrouwen zijn, geven ze aan de Zending't uiterste van hun kracht ten beste. Ze lezen er van. ze doen er o, zooveel voor. Ze vergaderen, ze bespreken de vele vragen, die bij de Zending aan de orde komen. En ook, geven er mildelijk voor.

Alleen maar... nu moet ge hen ook niet in de politiek halen. Voor de stembus moet ge nu zelf zorgen. Daar hebben zij geen tijd voor. Daartoe zijn ze te bezet. Aan dat verkiezingswerk kunnen ze niet meedoen. "Wat partij wint laat hen koud. Zelf hebben ze wel wat beters te doen dan naar een stembus te loepen of voor een verkiezing geld te geven. Ze zijn daarvoor te geestelijk van zin. Al dat politieke gedoe trekt maar van 't heilige af. En daarom, laat, wat de stembus aangaat, zoo roepen, zoo smeeken ze U, hen als Zendingsvrienden toch met rust. )

Hadt ge nu ooit zulk een zelfmisleiding voor mogelijk gehouden ? Hadt ge ooit gedacht, dat men in de kringen der Zending zoo zelf verblind kon zijn dat men in zoo schrikkelijke onnoozelheid op zoo stuitende wijzede hooge belangen der Zending in de waagschaal zou stellen ? Hadt ge 't ooit voor mogelijk gehouden, dat de Zendingsvrienden door zoo onverantwoordelijke houding bij de stembus aan de Zending afbreuk zouden doen?

En toch, laat 't U eerlijk gezegd zijn, daarop loopt 't bij meer dan één Zendingsvriend uit. Niet bij allen. God zij gedankt; daar is geen sprake van. Zelfs mag getuigd, dat verreweg de meeste Zendingsvrienden, nu ze toch eindelijk het groote gevaar, dat dreigt, zijn gaan inzien, politieke lauwheid hebben afgelegd, en thans reeds zoo verwakkerd zijn, dat ze zelfs met geestdrift en met warmte voor het Christelijk Kabinet opkomen.

Reeds dit nu is een kostelijke winste, waarver zich ook ons hart verheugt. Maar ook ier blijft 't: Dankbaar, maar niet voldaan. Er blijft nog altijd een minderheid onderde Zendingsvrienden over, die 't gevaar niet inzien, onvoorzichtiglijk op zien komen spelen, en zich inbeelden, dat 't met een Liberaal Kabinet toch nog wel zou gaan; .dat ten deze derhalve zoo'n drukte niet moet gemaakt; en dat niemand hen voor de stembus van van hun drukke Zendingsbezigheden mag afroepen.

Tot deze mannen nu, zoo ze kiezer zijn, icht zich dit woord, en dat wel met klem en ernst, daar we niet mogen aflaten, zoolang iet de laatste kiezer van koud warm is georden, en uit volle overtuiging met geestrift mee optrekt.

Ook al slaat de stembus tegen; hier in 't and zelf zullen we ons nog wel redden. aar vergeet niet, dat, valt 't Kabinet Heemskerk, de bittere, droeve nawerking nergens oo pijnlijk zal gevoeld worden als juist door onze Zendingsmannen op Java en in de uitenbezittingen, die alsdan aan de genade an louter tegenstrevende regeerders zullen ijn overgeleverd.

Daarom zijn 't juist de Zendingsvrienden die ditmaal bij het behoud van het Christelijk Kabinet het hoogste belang hebben, iets zal zoozeer als juist de Zending onder het optreden van een liberaal Kabinet te lijden hebben.

Vroeger, toen Fransen van de Putte en remer de leiding hadden, was zulk een ommekeer in bewind nog minder erg geweest.

Maar thans, nu mannen als Mr. van Deventer in den liberalen kring den kolonialen toon aangeven, laat nu toch elk Zendingsvriend op zijn hoede zijn.

Stem niet alleen zelf op den candidaat er Anti-revolutionaire partij, maar wek ook uw vriend en gebuur op om wakker in 't gelid te treden.

Gewaarschuwd zijt ge thans.

Zie dan toe, dat ge straks met een gerust geweten op de door U betoonde plichtsberachting, in uw uitgebrachte stem kunt terugzien!"

't Heeft niet mogen baten.

Een Zendingsdirector van Rotterdam, Ds. M. Lindebom, deed mee om het Christelijk Ministerie Heemskerk en daarin ook den Minister van Koloniën, de Waal Malefijt ten val te brengen.

En zelfs een man als Dr, Datema, Ned. Herv. pred. te Delfshaven, hoofdredacteur van ons Zendingsblad , Alle den volcke" heeft het zijne gedaan om Heemskerk te vervangen door Borgesius en de Waal Malelfijt door Mr. van Deventer — daarin een strik spannend voor onzen uitnemenden Gouverneur-Generaal van Indie, Idenburg, van wien ook onze Geref, Zendingsbond zoo veel steun mocht ontvangen, gelijk voor de toekomst, juist nu onze eerste Zendeling-leeraar zal worden uitgezonden, nog zooveel hulp te wachten was van mannen, die ook voor Indie het goede zoeken.

Schrikkelijk!

We laten het geschrijf van Dr. Datema hier volgen.

Oók in betrekking tot de Zending.

Oók in betrekking tot de Zending. In het Vrijzinnig propagandablad „De Wekker, " orgaan van de Vrijzinnige Concentratie te Rotterdam, wordt ook een stuk opgenomen van de hand van dr. P. G. Datema, "

Ned. Herv. predt. te Delfshaven. Het stukske staat tusschen de aanbevelingen: stemt Goeman Borgesius; stemt de Klerk.

Natuurlijk heeft Dr. P. G. Datema het daar niet in gezet. Maar de vrijzinnigen hebben het gevonden in de Nieuwe Kerkbode.

Fel tegen Kuyper gekant, is Dr. Datema tegen heel het Ministerie. Tegen alle christelijke staatspartijen die in coalitie saam optrokken. En mee door deze beschouwingen is het Christelijk Ministerie gevallen en zullen we onder den druk van de Liberalen en Socialisten komen.

Wat onverantwoordelijk toch. Vooral omdat men proeft de Kuyper-haat, die er dik op zit.

Het stukske luidt als volgt:

Waren ze maar gebleven.

Wee hun... Judas, vs. ii.

Dr. P. G. Datema te Delfshaven, schrijft in De Nieuwe Kerkbode:

Al geen kwajer ding dan een wereldsch Christendom.

Een Christendom tot wereldsche doeleinden gebruikt.

Sommigen zijn er meester in om dit te doen.

Doen het op grootsche schaal.

En het heeft nog al succes.

Maar het is uit den Booze.

~ Het Christendom, " düs gebruikt, is Anti-Christendom.

Ik behoef u niet te zeggen, dat het ons zoo wordt verklaard in de Heilige Schrift, met name vooral in den 1sten Zendbrief des Apostels Johannes.

Maar zulk »Anti"-werk geschiedt niet alleen in het groot.

Niet alleen door groote Potentaten.

Als door dien man, wiens handteekening ik eens zag in een Oostersch hótel-boek, met pralend bijschrift zijner hand: «gewezen minister" van die en die Majesteit.

Ik had er wel onder willen schrijven: «gewezen Minister (Dienaar) des Woords."

Want dat was hij ook.

Ja, hij was het.

Zoo zijn er zooveien, die heel wat waren, of hadden kunnen zijn in den dienst des Koninkrijks der hemelen, wanneer ze niet dit den rug hadden toegekeerd.

Niet: zóó den rug toegekeerd, dat ze er zich schrap tegen zetten.

Maar zoo nijdig, vromig, vernijnig.

Onder een gedaante van Christendom.

Nog wel liefst van het allerbeste merk

Zulke Potentaten kunnen heel wat mans zijn op hun manier.

Ook kleinere Potentaatjes.

Zelfs allerkleinste.

Want ge vindt er tot in de kleinste afmetingen.

Ieder, die het Christendom voor eerzuchtige doeleinden gebruikt, is zooal niet reeds een volslagen Anti-Christ, dan toch op weg om het te weiden.

Met het Christendom kunnen geen wereldsche oogmerken gepaard gaan.

Een wereldsch Christendom, ge vindt het in velerlei manier zich openbarend.

Want het versmaadt geen masker hoe vromig ook.

Het heeft schitterende talenten in zijn dienst.

Veelal ontstolen talenten.

Want och, wie was niet, naar afstamming van voorouders gerekend, anders aangelegd ?

Had behooren te wezen oprecht belijder van het Christendom, hetwelk niet van deze wereld is.

Hoogstaand Christendom, dat verre verheven is boven alle aardsche berekening.

Doch velen hebben de tegenwoordige wereld liefgekregen en gekozen boven de toekomende.

Met op die toekomende te wachten verloren zij, meenden ze, zooveel kans in de tegenwoordige, terwijl ze toch elk wereldsch levensgebied voor de Waarheid opeischten.

En ach, hoe raken ze bedrogen!

Nog maar een korte wijle, en ge zult het zien.

Wanneer ge dan maar onder de aanschouwers moogt behooren, die het wel zien zullen, maar niet, als vruchten van het wereldsch bedrijf, de vreeselijke gevolgen inoogsten;

Het is u, ook wel bekend, dat de Waarheid het ons voor oogen stelt, hoe juist degenen, die den Weg der Waarheid hebben geweten, er kennis mee gemaakt, weer afvallen, dat dezulken de gevaarlijkste vijanden worden.

Dan optredende onder vromige gedaante.

Telkens worden we in de Heilige Schrift er aan herinnerd met hoevelen dit het geval is.

Doch tevens hoe vreeselijk vonnis allen treffen zal, die dus een wereldsch Christendom gekozen hebben, en afgeweken zijn van de eenvoudigheid, die in Christus is.

Wacht u wel om dezulken nooit, op geenerlei manier te steunen.

Bestrijdt ze veeleer.

Haat ook den rok, die van het vleesch is bevlekt.

Het zal u en velen nog rijkelijk vrucht des eeuwigen levens opleveren.

Blijkbaar tegen het Ministerie, tegen Kuyper, tegen de Christelijke partijen.

Allen huichelaars, leugenaars.

„Wacht u wel om dezulken nooit, op geenerlei manier te steunen."

We zeggen er verder niets van.

We geven het eenvoudig aan onze lezers ter lezing.

Ook onze Geref. Zendingsbond zal er plezier van hebben dat die huichelaars als de Waal Malefijt en Idenburg weggejaagd zijn.

't Is zooveel aangenamer om op audiëntie te gaan bij Mr. van Deventer en te staan onder het regime in lndië van Mr. Fock ....

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's