Stichtelijke overdenking.
Er zal niet een klauw.achterblijven.* Ex. 10: 26b.
Geen klauw aehterblijven.
II.
Des Heeren oog is over degenen die Hem vreezen. Hij zorgt voor Zijn volk. Hij bestuurt al hunne gangen en waakt over hunne vijanden.
Dat zien we ook hier.
Juist als het zoo benauwd is voor Israel, zóó benauwd, dat men geneigd zou zijn om te vragen: Zou de Heere van geen uitkomst weten? — juist dan laat de Heere ervaren, dat het woord van David zoo naar waarheid gesproken is: O, hoe groot is uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vreezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mecschenkinderen." (Ps. 31:20)
Dat mocht David óok in bange tijden ervaren..
Toen de vijanden tegenover hem stonden en de vrienden hem verlaten hadden, toen mocht hij ervaren, dat de Heere een verrassend God is, die niet laat varen de werken Zijner handen ên trouwe houdt tot in eeuwigheid.
En ziet, dat is het tijdstip waarop alle kinderen Gods de grootheid en de heerlijkheid des Heeren leeren aanschouwen en bewonderen. In tijden van moeite en druk. In dagen als de vijanden velen zijn en de vrienden u verlaten. Als ge daar staat als eenzame en verlatene, te midden van veel moeite, zorg en kommer — ziet, dan trekt de Heere oog en hart op Hem, die alles bestuurt naar Zijn Raad en alles doet naar Zijn welbehagen.
Dan is er geen toeval.
Dan wordt Gods hand zichtbaar in alles.
Dan kan de nood groot zijn, maar de Heere is grooter. Dan kan de zorg u bezwaren, maar bij den Heere zijn uitkomsten, zelfs voor den dood.
Dan wordt het: „in de grootste smarten blijven onze harten in den Heer' gerust."
— Zoo ging het ook Israel in Egypte. Negen maal had God Farao geplaagd, opdat deze Israel zou laten trekken.
Negen maal had Farao beloofd het te zullen doen, maar negen maal had hij zijn belofte reeds verbroken.
Nu kwam de Heere voor de 10de maal en tegelijk zegt God: „er zal niet een klauw achterblijven."
God trekt zelf aan de verlossingsklok. En voor de ooren van Farao, voor de ooren ook van Israel klinkt het: „Ik, de Heere, zal Sion vrijmaken. En van Mijn volk zal niet één achterblijven. Ook hun bezittingen zullen worden vrijgemaakt. Er zal geen stukske vee worden gemist, als alles zal worden geteld."
Wat zorgt de Heere voor Zijn volk!
Als het nog benauwd en verdrukt wordt van alle zijden, als het nog donkerheid is van rondom, als nog geen sprankje hope gevonden wordt, daar alles ook zoo hopeloos staat ~ dan komt de Heere om te zeggen: «Vrees niet, want Ik ben met u —Ik zal u vrijmaken en al het uwe met u."
OI de Heere moet het toch ook maar doen.
De Heere kan het alléén maar doen.
En dat moet Israel ervaren, als het schijnt dat niemand het doen kan.
Dan treedt de Heere naar voren met majesteit om te zeggen: „Ik ben God, en niemand meer."
Dan treedt Hij in het midden van Zijn Sion öiet liefde en barmhartigheid, om te zeggen: Vrees niet, gij klein kuddeke — Ik ben met U en u zal niets ontbreken."
Farao zal Israel moeten loslaten. En hij zal alles wat van Israel is moeten loslaten. God zal zijn volk vrijmaken en ze zullen den Heere in vrijheid dienen, op de wijze hun door God voorgeschreven.
Ziet ge wel, dat ten slotte de vijand niet regeert, maar de Heere. En dat ten slotte tegen den eisch Gods véél, héél veel gedaan kan worden; dat Gods geboden lang kunnen worden tegengegaan; maar dat de Heere ten slotte de vrijheid voor de Zijnen in Zijn hand houdt en maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er.
Lang is de Kerk des Heeren geknecht, nog is de School niet vrijgemaakt, nog wordt in Indië hinderpaal na hinderpaal aan de verkondiging van het Evangelie des kruises in den weg gelegd — maar ten slotte zijn de vijanden minder dan de ijdelheid en is de Heere de almachtige, die alles bestuurt naar Zijn welbehagen, zeggende: , Mijn Raad zal bestaan en Ik zal al de raadslagen der vijanden verijdelen." , .
En zoo ook met Gods kinderen; de kleinen' met de grooten saam.
Wat kan de weg moeilijk zijn. Wat kan Satan, wereld en eigen vleesch de zweep er over leggen. Wat kan het juk des vleesches en de last der zonde zwaar drukken, zoodat de verwachting niet groot is, die overig blijft.
Maar ziet, als dan ziel en lichaam in gevaar schijnt zoodat er niets van terecht zal zal komen, — dan komt de Heere met Zijn vertroostend woord: „er zal niet een klauw achterbliijven, " waarin Hij alles van Zijn volk overneemt, om te verzekeren: „Ik zorg voor U, zoodat er geen haar van uw hoofd zal gekrenkt worden en gij ongeschonden zult ingaan in het land der ruste, ' dat voor al Gods kinderen is toebereid tot een eeuwige woning."
Zóo is Sion veilig!
Zoo zijn de kleinen en de grooten saam veilig.
Ook de kleinste, zwakste, armste verliest de Heere niet uit het oog.
Zijn oog gaat over hen. Zijn hand waakt over hen. En Hij heeft zijn hart erop gezet, om ze allen vrij te maken, om ze allen eens tot Zich te nemen in den hemel der heerlijkheid.
Laat de weg dan hier moeilijk zijn. Laten de vijanden bij tijden over ons heerschen. Laat het ondermaansche hier een land van zuchten en tranen wezen en de reize hier beneden door woestijnen en door zeeën en over bergen gaan. De Heere heeft het beloofd, dat er een ruste over blijft voor al de Zijnen — en Hij zegt het hier weer, ook voor de kleinsten en voor de zwaksten onder de schapen Christi: Ik zal maken, dat er niet een klauw achter blijft; ze zullen allen komen waar Jezus is, in het huis des Vaders, waar vele woningen zijn en waar de Heiland Zijn dierbre gunstelingen wacht, zeggende: „Ik wil, dat ook gij zijt waar Ik ben."
„Geen klauw achter blijven."
Dat is een eeuwige bedekking voor al Gods volk.
Dat is een belofte des Heeren voor alle strijdenden en lijdenden.
Dat is opening voor allen die wanhopen aan zich zelf.
Dat is de victorie voor allen die worstelen maar nog niet konden overwinnen.
Neen — wanneer onze zaak 's Heeren zaak is, dan behoeven we niet te wanhopen.
Ook al heerschen de vijanden over ons en al zwaaien spotters hun scepter, de Heere staat voor Zijn eigen zaak!
En terwijl allen die tot den mensch hun toevlucht nemen en vleesch tot hun arm stellen zullen ervaren, dat de vloek Gods er er in zit, zullen zij die op den Heere mogen vertrouwen en het mogen houden met Zijn Woord, ondervinden, dat de Heere een verrassend God is, die groote wonderen weet te doen.
Neen Sion kan nooit te véél van z'n God verwachten.
Want de Heere is groot en zeer te prijzen.
Hij is groot, door te gedenken al Zijn gunstgenooten en hen gehoor te geschenken oven bidden en boven denken.
Groot, door voor zijn eigen zaak staande, ion in de heerlijkheid ervan te laten deelen, zeggende: al het Mijne is het uwe.
De. doodvijanden kunnen ten slotte niet dooden.
Satan kan tenslotte niet verderven.
De kleinste van Gods kinderen zal sterker zijn in den strijd dan de sterk gewapende uit de hel.
„Er zal niet een klauw achter blijven" preekt de Heere.
Wat Sion doet zingen:
Gods rechterhand is hoog verheven, Des HEEREN sterke rechterhand Doet door haar daèn de wereld beven; Houdt door haar kracht Gods volk in stand. Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven, Maar leven; en des HEEREN daên. Waardoor wij zooveel heils verwerven. Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.
Ps. 118:8.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's