De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

15 minuten leestijd

De Gereformeerde Kerk en het Volksleven.

II

Over de zichtbare Kerk hebben we te spreken, over de georganiseerde Kerk, zooals de Kerke Christi in een bepaald land en op een bepaalde plaats als verzameling van belijders rondom de bediening des Woords en bij de bediening der Sacramenten openlijk vergadert.

Niet bewerende, dat die vergadering van belijders dan het getal der xdtverkorenen is, die zullen zalig worden.

Want dat weten we niet.

Wel kunnen we zeggen, dat in den kring der belijders de uitverkorenen, die tot bewustheid van hun geloof gekomen zijn, thuis hooren en met de belijders behooren te vergaderen in den dienst des Woords, der gebeden en der-Sacramenten. Daar is volgens Gods Woord, de plaats van alle vromen en van alle ware, levende kinderen Gods.

Bij Woord en gebed en Sacrament.

Maar niet allen die vergaderen met de Gemeente zijn daarom ware belijders, die de nieuwe geboorte uit den Geest mogen kennen en deelachtig zijn.

De onzichtbare en de zichtbare Kerk dekken elkander nooit. Zelfs in de eerste dagen né, de uitstorting van den H.-Geest niet. Ananias en Saffira zijn ons ten bewijs!

Niet alle belijders zijn leden van Christus lichaam.

Maar wél moeten alle ware leden van Christus' lichaam onder de belijders gevonden worden.

De ware kinderen Gods moeten in het midden van de zichtbare Kerk openbaar worden voor de oogen der menschen.

De Heiland spreekt er van en de apostelen verkondigen hierin den wil van hun Zender in getrouwheid.

Niet „in een hoekske met een boekske" is de plaats van Gods volk.

De ware leden van Christus behooren niet in het verborgene onder elkander te vergaderen, maar in het midden van Gods huis moet Gods volk vergaderd zijn, bij Woord en gebed en Sacrament, Niet onder de zwijgers, niet onder de menschenhaters, niet onder de wereld-schuwen mogen de kinderen Gods hun plaats zoeken — „gij zijt het zout der aarde" zegt de Heiland. En met koninklijke majesteit gebiedt Hij: , wees Mijne getuigen." Wat den apostel Paiilus aan de Filippensen doet schrijven: „opdat gij, kindéren Gods, in het midden van een krom en verdraaid geslacht moogt schijnen als lichten in de wereld."

Er wordt wel eens anders over gedacht.

Die zichtbare Kerk, de verzameling van belijders, die gemeente die in het openbaar samenkomt, rondom Gods Woord en bij de Sacramenten wordt door hen, die zich tot het getal der uitverkorenen rekenen, wel eens van weinig waarde geacht!

Men kan zich zoo moeilijk schikken in een grooteren kring, men kan zich zoo' moeilijk voegen onder de openbare bediening des Woords, men kan geen begeerlijks vinden in het openbaar aanzitten aan den disch des Verbonds.

Men zoekt liever een kleinen kring van gelijk gezinden, men leest liever zelf een preek, men oefent gemeenschap met Christus, den Bruidegom, zonder gebruik van de bondszegelen.

En zoo leeft men voort van week tot week, van jaar tot jaar.

Niet zelden schuilt men dan wég achter de redeneering, dat het toch maar een klein getal is, dat zal zalig worden. Vergetende, dat het dan nog volstrekt niét zeker is, dat dat kleine getal in hun gezelschap zal gevonden worden. Want ook in het kleinste gezelschap kunnen bedriegers, hypocrieten, onbekeerden, leugenaars, kinderen der helle zijn, gelijk telkens openbaar wordt.

Heel dikwijls zegt men, dat het toch maar op de verborgen gemeenschap met God in den Geest aankomt, daarbij dndere gezelschappen niet zelden verketterend en niet gedachtig zijnde aan die woorden van den Heiland en al die getuigenissen der apostelen, dat de Heere in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid voor Zijn ware Kerk nog iets anders heeft weggelegd en nog iets anders eischt, dan een omgang met Hem in het verborgen. Want een pilaar bouwt men niet in het verborgen, een getuige zet men niet in een hoek, een licht stopt men niet onder een korenmaat, en zoo behoort Gods volk niet in een klooster, maar in het midden van een , krom en verdraaid geslacht, om daar als lichten te schijnen midden in de wereld.

Nergens, noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament wordt voor Gods ware Kerk geteekend als het hoogste ideaal een stil en verborgen leven met God te hebben. Integendeel, de Psalmen zijn er vol van, dat het een hóoge zielestand aanwijst, als er gesproken mag worden in het midden van Gods huis en in het midden van een groote menigte en in het midden van de gansche aarde, zich wendend tot de koningen en tot de rechters, zich wendend tot de ouders en tot de kinderen, zich wendend tot de heerenen de knechten, zich wendend tot Israël en tot de heidenen.

O! als het harte van Gods ware volk vraarachtiglijk wordt bezocht met de genade en de goedertierenheden des Heeren, dan brandt de begeerte in de ziele om alom Zijn lof te verkondigen, overal te spreken van Zijn rechten en inzettingen, op élk terrein des levens te getuigen van Zijn deugden eu wonderen.

. Dan wordt uitgeroepen: O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde" — en dan wordt getuigd: „ik zal den Heere loven met, mijn gansche hart; ik zal al uwe wonderen vertellen", biddend met den zelfden dichter: „psalmzingt den Heere, die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijne daden — wees mij genadig Heere! opdat ik uwen ganschen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil'. (Ps. 7.)

Zeker, dan weet de Psalmdichter er óok van, te spreken: „behoud o Heere! want de getrouwen zijn weinig, geworden onder de menschenkinderen" (Ps. 12) maar hij mag ook hopen op Gods genade, hulp en bijstand, zeggende : „ Gij Heere! zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid".

O! het was een jubelkreet van David in Ps. 20 om te zeggen: „Wij zullen juichen over uw heil en de vaandelen opsteken in den naam onzes Gods" en de dichter van Ps. 97 getuigt: „gij rechtvaardigen! verblijdt u in den Heere en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid".

Gods volk moet dus in het openbaar komen in het midden van Gods huis; de ouders moeten luide spreken van Gods daden voor de ooren van hun kinderen, overal; de heeren moeten de vreeze Gods toonen aan hunne knechten en de vrouwen aan hunne maagden, in woord en daad; de koningin en de rechters moeten hooreu van de rechten en de in zettingen Gods; in het land moet het Woord der profetie uitgaan; aan de heidenen moeten vermeld worden de wondere daden Gods en de lieflijkheden des Heeren in Chiistus.

„Tot een lof op aarde" heeft de Heere Zijn gemeente geroepen „om te verkondigen de deugden Desgenen, die hen riep - uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht."

Daarom zal de Kerk van Christus, welgesteld zijnde, ook den Psalmdichter naspreken: ik boodschap de gerechtigheid in de groote gemeente; zie, mijne lippen bedwing jk niet, Heere, gij weet het" Psalm 40:10.

Óf zooals elders staat „Psalmzingt den Heere, gij zijne gunstgenooten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid" Ps. 30:5. „Zoo zal ik Uwen naam mijnen broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen" Ps. 22 : 23.

Spreken, getuigen.

De naam des Heeren is als een olie, die niet in een flesch besloten mag blijven, maar moet worden uitgestort, om gansch het huis te doorgeuren met lieflijke reuk.

{Wordt vervolgd.)

Met een doode musch blij.

We hebben het schitterend verloren tegenover den Hoofdredacteur van „de Geref'. Kerk."

Die was trouwens zóo zeker van zijn overwinning in deze, dat hij, nog wel een jurist, voor we een mond open gedaan hadden om bewijs te leveren, aan den heer Krijger van Middelburg, ons niet onbekend, gelegenheid gaf om in een ingezonden stukje te verklaren, dat de naam van ons blad niet meer Waarheidsvriend, maar Leugenvriend moest zijn.

Iets wat de Hoofdredacteur, onder het maken van een enkele onnoozele opmerking, eigenlijk prachtig vond.

En zoo was ons vonnis geveld — vóór we bewijs konden leveren.

Daar moet men voor in de rechten gestudeerd hebben, om zoo'n stukje te kunnen uithalen!

Denzèlfden dag dat zoo heel broederlijk ons Bondsblad verdoopt was door den heer Krijger, waarbij Mr. Schokking gaarne als peetoom en doopgetuige dienst deed, vroegen wij den Hoofdredacteur van „de Geref. Kerk" — geen, kwaad vermoedende, — of hij niet zoo [vriendelijk zou willen zijn een gedeelte uit ons artikel „het Parochiestelsel" (Waarheidsvriend No. 28 d. 6 Juni j.l.) in de Geref. Kerk over te nemen, dan de zoo zeer gewraakte zin „confessioneelen zelfs dwepen er mee'' in haar verband eens te lezen en te bespreken.

Maar o, wee ! dat was buiten die doopplechtigheid gerekend, waarbij de regel gevolgd was : „doop maar wat in het doophuis binnengebracht wordt" en waarbij natuurlijk niet past: deel in „de Geref. Kerk" eerst eens mee wat „de Waarheidsvriend" schreef.

En zoo bleef heel handig uit de kolommen ' van „de Geref. Kerk" geweerd wat wij 6 Juni in ons Bondsblad schreven.

Dat spijt ons voor den Hoofdredacteur.

Want als hij nu eens héél kalm gedaan had wat iedere Hoofdredacteur dient te doen: n.l. eerst eens nalezen wat een ander blad geschreven heeft, dan had hij niet zoo'n mal figuur gemaakt.

Wat hebben wij geschreven?

Dit:

„Wij leven onder omstandigheden, dat ieder bét druk heeft over evenredige vertegenwoordiging. Zooveel socialisten zijn Hervormd, zooveel modernen, zooveel Groningers, zooveel ethischen, zooveel confessioneelen, zooveel gereformeerden — en dus: zooveel socialistische predikanten, zooveel moderne, zooveel evangelische, zooveel ethische, zooveel confessioneele predikanten — ja, die ook nog. Maar gereformeerde predikanten, neen! die niet.

Die hooren in de Herv. Kerk ook eigenlijk niet thuis. Die moeten maar naar „de afgescheidenen en doleerenden" gaan. Zóo is de buit prachtig verdeeld. Men ziet het nu al reeds waar het prachtige systeem van evenredige vertegenwoordiging wordt voorgestaan: Dordrecht, Middelburg, Alkmaar, Gouda, Amersfoort. Het gaat mooi zoo. Modernen, evangelischen, ethischen, confessioneelen zelfs dwepen er mee. En saam roept men: God beware onze stad voor mannen van den Geref. Bond.

In Hilversum loopen confessioneelen 't vuur uit hun sloffen voor ethische candidaten voor het kiescollege. Het zijn zulke nette menschen. En „we moetenden Trompen berg óok hebben."

Terwijl in Rotterdam de ethischen een confessioneel predikant als No. 1 op het drietal zetten bij een bestaande vacature! „Dan krijgen we ten minste geen man van den Bond".

Alles uit haat tegen de geref. prediking, die een toepassing vraagt naar uitwijzen van Gods Woord voor het kerkelijk leven. Een prediking die eigenlijk alléén maar bestaansrecht heeft in onze Herv. (Geref.) Kerk, met haar aloude leer, vervat in de 3 Formulieren van Eenigheid."

Dit stukske hadden we zoo graag in „de Geref. Kerk" overgenomen gezien. En dan weten we zeker, dat er velen van de lezers van „de Geref. Kerk" zouden gezegd hebben, wat een enkele ons particulier schreef: „hier wordt de spijker op z'n kop geslagen ; jammer dat er bij ons (bedoeld wordt „de Confess. Ver.") zooveel laffe en halve elementen zijn."

Ieder voelt, dat we over deze dingen in het algemeen schreven. Dat wij doelden op verschijnselen die zich hier en daar voordoen als bewijs, dat er nog veel te wenschen overblijft op ons kerkelijk erf, éer dat we zóo ver zullen zijn, dat er een vrije en sterke ontplooiing van het gereformeerd beginsel zal gezien worden. Waarbij we het meest betreurden, dat er ook bij vele confessioneelen in dit opzicht meer vijandschap dan vriendschap gevonden wordt, wat in tal van plaatsen, niet 't minst waar de partijstrijd hoog gaat, bij tijden zoo pijnlijk uitkomt. Waarom we des te meer, onder de huidige omstandigheden, het Parochie-stelsel afkeurden. Want ellendig is die haat, ook van vele confessioneelen, tegen de gereformeerden.

Er zijn er — ook confessioneelen — die verdedigen dat de ethischen niet gemist kunnen worden, maar dat de gereformeerden moeten worden geweerd, daar hun leer en hun werken verderfelijk zijn voor de Herv. Kerk.

En daaruit kan ook alleen verklaard, dat de Confess. Kiesvereeniging te Hilversum ijvert voor menschen als baron van Til en Mr. Schouten, terwijl eenvoudige, degelijke, belangstellende geref. menschen worden tegengewerkt als niet waardig om in het Kiescollege zitting te nemen. Daaruit kan alleen verklaard, dat in Amersfoort Ds. den Hollander zich verkoopt aan Ds. Meiners es. om mee te werken, dat in de vacature Ds. Vunderink geen beslist geref. man beroepen wordt en in het Kiescollege het geref. element niet zal toenemen — waardoor héél de gemeente nu in wanorde is.

Daaruit kan alleen verklaard worden, dat Ds. Eringa van Woerden Bodegraven bewerkt om te doen wat gedaan kan worden, dat in de vacature geen geref. man beroepen wordt als Ds. van Dorp, terwijl in Woerden wordt vastgelegd in het Notulenboek, dat geen gezangen-man op den preekstoel zal komen, als zijnde een ramp voor de gemeente.

Daaruit is alleen te verklaren, dat, wanneer het in Leiden gaat over tweetallen van candidaten voor het Kiescollege, de mannen van den geref. Zendingsbond op advies van Dr. Schokking stelselmatig geschrapt worden.

Daaruit is alleen te verklaren, dat in Rotterdam confessioneelen de hulp van de Gereformeerden gaarne aannemen, telkens hun belovend dat er een Geref predikant zal beroepen worden, maar.om dan telkens mee te helpen, dat zóo'n 3-tal gemaakt wordt, dat eerst Ds. Goslinga gewipt kan worden en dan Ds. Krop beroepen, gelijk later Ds. te Winkel er tusschen geschoven wordt en Ds. van Toorn geketst.

Daaruit is alleen te verklaren, dat in Middelburg Ds. Tjebbes op de Confess. Kiesver. „Schrift en Belijdenis" voorstelt eenige candidaten van de ethische Kiesvereeniging over te nemen, terwijl Ds. de Ligt verscheidene ethisten voor gemachtigden aanbeval, ja, opdrong, daar ze van gegoeden stand waren en dezulken in het Kiescollege niet mochten .ontbreken, terwgl diezelfde Ds. de Ligt op dezelfde Kiesver. „Schrift en Belijdenis" uitsprak : „God beware Middelburg voor een dominee van den Geref. Bond".

Waarbij van .den kansel niet zelden duidelijk merkbaar gewaarschuwd werd tegen de beweging van den Geref. Bond, terwijl die zelfde predikanten de Ligt en Tjebbes de zaak van de verkiezing van gemachtigden nooit in het midden van de gemeente voor het aangezicht des Heeren dorsten te brengen en nooit dorsten waarschuwen tegen het verderfelijk modernisme.

En zoo zouden we kunnen voortgaan.

Maar... het is voor den jurist-hoofdredacteur van „de Geref. Kerk" mosterd na den maaltijd.

Die heeft, zonder aan ons billijk verzoek te voldoen en ons antwoord niet afwachtend, zich reeds als getuige gegeven bij het verdoopen van ons Bondsblad, daarna plechtig verzekerend, dat we schuldig staan héél schuldig voor de oogen van béel de Kerk en heel het volk. Waarbij 't natuurlijk voor ons een verloren zaak is en wij niet beter kunnen doen dan in een hoekje wegkruipen met de handen voor de oogen.

Zoo is Dr. Schokking blij — maar blij met een doode musch.

En de zaak waar bet om gaat is weer voor de zooveelste maal door de Geref. Kerk weggemoffeld en begraven.

Nu - men moet het zelf weten.

Met een doode musch te spelen verveelt toch gauw, men zal 't zien.

Zich er af maken.

Het  Weekblad voor de vrijzinnige Hervormden werd door ons gevraagd, of het geen antwoord wenschte te geven op ons 2de artikel op "de catechisatie", waarin we met woorden van Prof. Oosterzee, Achelis en Ludw. Lemme in den breede aantoonden, dat leeraars die in het midden van een Kerk leven en werken, niet instemmende met de duidelijke, historische uitspraken van de belijdenis dier Kerk, als oneerlijke menschen zijn te typeeren.

Wij dachten, dat op deze zaak in te gaan werkelijk van belang was.

Oosterzee, Achelis, Lemme zijn nu juist geen mannetjes waarbij Dr, Niemeyer maar eventjes verachtelijk de schouders mag ophalen, om dan maar weer door te draven in z'n redeneeringen.

Evenwel de Redacteur van het Weekblad voor de vrijz. Hervormden schijnt er geen zin in te hebben aan dit botje z'n tanden te wagen en schrijft ons letterlijk: Weet gij werkelijk niet, op welke gronden de vrijzinnigen zich volkomen gerechtigd achten hun plaats in de Herv. Kerk in te nemen en van oordeel zijn, dat uw geestverwanten zich daar in een scheeve positie bevinden?

Het is haast ongelooflijk, want er is al zooveel en zoo dikwijls over geschreven. Vooral het Weekblad voor de vrijzinnige Hervormden heeft er herhaaldelijk over gehandeld. Daarom kan dit blad er nu niet opnieuw over beginnen."

Nu — we kunnen het Weekblad niet dwingen.

Maar nu Oosterzee, Achelis en Lemme weer eens bezwaar kwamen maken tegen het gewone geredeneer van de modernen, nu dachten we dat het Weekplad er zich zoo niet van kon en mocht afmaken.

Hier moet redeneering nog eens tegenover redeneering gezet worden en dan dienen Oosterzee enz. eerst letterlijk te worden weergegeven, opdat men wete wat hun oordeel was over de modernen en hun oordeel over de Kerk, die in.deze alles maar toelaat.

Als het daarom niet al te brutaal is zouden we willen zeggen: laat het hier nu niet bij zitten, Weekbl. voor de vrijz. Hervormden, en zet deze zaak nog eens netjes uiteen.

Uw valsche positie in onze Herv. Kerk, die gefundeerd is op haar wettige belijdenis, zal dan bij vernieuwing weer in 't licht komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's