De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

4 minuten leestijd

Den Weleerw. Zeergel. Heer Dr. P. J. KROMSIGT.

Weleerw. Zeergel. Heer!

Uit de toezending van Uw artikel: De zaak der groote steden, opgenomen in de Geref. Kerk, No. 1291, maak ik op, dat Gij er prijs op stelt mijn oordeel te vernemen over Uw daarin voorgedragen meening. hoewel de omstandigheden niet bepaald tot spreken uitlokken, zal ik toch ditmaal aan uw verlangen voldoen.

In de eerste plaats dan moet mij de verklaring van het hart, dat het mij zeer leed doet te ervaren, dat Gij na deze verkiezingen met zulk een artikel meent te mogen komen. Ik meende dal het nu toch wel de tijd was op te wekken tot belijdenis van schuld, tot klacht over den afval onder ons volk, tot uitdrukking der begeerte, dat toch allen, die den Naam des Heeren Jezus Christus belijden één mochten worden in hun strijd om de komst van Gods Koninkrijk onder ons volk. Van U vooral meende ik zulks te mogen verwachten, omdat Gij, meer dan Gij zelf misschien vermoedt, dezen afloop der verkiezingen mede hebt helpen voorbereiden. Zeker, het was te goeder trouw, maar daarom was Uw optreden toch niet minder gespeend aan politiek doorzicht en in zijn gevolgen niet minder pernicieus dan dat van andere leden en gewezen leden der Chr. Hist, partij. Daarom meende ik, waarde Broeder, van U thans de rondborstige erkentenis te mogen verwachten van Uwe dwaling in politieke en kerkelijke beschouwingen, ziende de uitkomsten, waartoe zij voeren. Maar tot mijn leedwezen bespeur ik, dat Gy nog niet schjjnt te beseffen, hoe verderfelijk het is theorietjes te willen realiseeren, waarvoor in het werkelijke leven nu eenmaal geen plaats is. Het spijt mij, dat Gij nog niet inziet, dat Gij wel het goede kunt helpen tegenhouden maar het kwade niet kunt keeren. En het wordt mij wonderlijk te moede te moeten ondervinden, dat Gij in dezen tijd niets anders kunt voorbrengen dan de begeerte naar meer geld uit de staatskas. Meer geld voor Uw volkskerk, die de groote steden zal moeten bekeeren zonder zelve bekeerd te zijn. Meer geld voor een kerk, * die door hare belijdenisloosheid zelve de ontkerstening mede veroorzaakt heeft. Meer geld voor een kerk, die straks als de modernen, met hunne roode broeders, U en Uw confessioneele en ethische vrienden uit de opperheerschappij zullen verdreven hebben, het staatsgeld zal gebruiken om de groote steden nog rooder te maken dan zij reeds zijn. Meer geld, dat acht Gij den steen der wijzen op politiek gebied, meer staatstractementen voor de kerk. Welnu ik acht zulks dood en verderf voor de kerk. Ik vraag voor haar meer geloof, meer geestelijk leven, meer betooning van waarachtige liefde, meer licht. En ik ben er op grond van Gods be­lofte zeker van, dat het haar dan aan de middelen niet zal ontbreken. Jezus zond Zijne discipelen uit zonder buidel of male. En dé ervaring van 19 eeuwen heeft geleerd, dat telkens als de kerk dit vergat, het goud haar ten verderve was. Ik verheug er mij over dat Dr. Woltjer den moed heeft gehad daarvan openlijk te getuigen door tegen de kerkelijke subsidies te stemmen voor nieuwe predikantsplaatsen in Rotterdam.

Bovendien men behoeft geen profeet te zijn om er van overtuigd te worden, dat Dr. Kuyper volkomen naar waarheid gezegd heeft, dat door mede te werken aan de losmaking der zilveren koorde oude voorrechten kunnen worden behouden, door te treuzelen alles zal worden verloren. Eene verkiezing als deze heeft aan de belangen der kerk groote schade toegebracht, omdat zij den haat tegen hare tegenwoordige gestalte heeft doen klimmen in kringen, waarin de kerk geëerd moest zijn. Ik hoop zeer, dat veler oogen thans open zullen gaan en ook de Uwe ; dat Gij zult ophouden met voor de kerk te begeeren meer geld, om voor haar te vragen naar geestelijke schatten.

Boven Uw stuk hebt Gij als motto gesteld Hoedemaker's woord: „Men bouwt geen sanatoria in een moeras". Dat zal wel zoo zijn. Maar in moerassen bouwt men wel luchtkasteelen en uit moerassen komen wel dwaallichten op. Er is groot gevaar met luchtkasteelen en dwaallichten te geraken, in een moeras, waar men nooit meer uitkomt. En ik raad U ernstig aan U van dat gevaar wel rekenschap te willen geven, voordat het te laat is.

Met broederlijke groeten. Uw dienstw. dr, H. VISSCHER.

Utrecht, 7 Juli 1913.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's