Stichtelijke overdenking.
Vreest niet, gij klein kuddeke! want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven. Lukas 12:32.
Vreest niet!
't Is een schrikkelijk ongelijke kamp, die daar uitgestreden wordt tusschen de gemeente van den levenden God en al haar belagers. Oogenschijnlijk staat vooraf reeds haar ondergang vast. Naar menschenschatting is 't dwaasheid zelfs zich tot dien kamp op te maken. Zoover 't oog reikt, is Gods Kerk overal de mindere van haar tegenstanders. Waarheen ge den blik ook wendt, alom ontwaart ge wat in haar nadeel is. Let ge op 't getal, dan bespeurt ge veelal een verhouding als van Gideons bende tot de ontelbare legerscharen Midians. Laat ge 't bezit aan aardschen schat wegen, dan daalt de schaal der wereld pijlsnel neer. Vraagt ge waar de veelheid van wereld wijsheid te zoeken is, is ook daar het voordeel niet goeddeels aan de zijde van hen, die Sion gram zijn? Wie neemt de plaats der eere in? Voor wie wordt de wierook van der volkeren hulde neergelegd ? Altemaal vragen welker beantwoording geen aarzeling duldt. Wiens gezichteinder niet verder reikt dan de dingen, die gezien worden, moet wel terugdeinzen voor zoo ongelijken kamp.
En wiens oog voor geestelijken tegenstand en struikelblok is opengegaan, is er veelal niet beter aan toe. Ook hier gaat ellende voor verlossing. Veel eerder speurt een ziele de vele en machtige vijanden, die haar bedreigen, dan den Eêne, Die meerder is dan die allen.
Het leven ligt achter den dood; het licht aan gene zijde der duisternis. Uit enkel voorzorg neemt geen enkele op den stroom van dood en leven den grooten Loods aan boord. Als 't naar eigen schatting geheel verloren is en buiten hope, dan eerst wordt 't op God geworpen.
Het is altijd weer de waarheid van het wondere Godswoord, die zich bevestigt, dat Israels Verlosser gevonden wordt van die naar Hem niet vraagden, 't „Zie, hier ben Ik", breekt altijd door in 't holste van den nacht der vreeze, als alle hoop ontviel.
't Getuigt wel van onze jammerlijke dwaasheid en verblinding, dat we uit onszelf aan God nooit waarachtiglijk toekomen.
Ieder begint met Hem, Die alleen helpen kan, driestweg uit te schakelen.
Dat wreekt zich straks. In bange vreeze en wanhoop.
In ontzettende zieleslingering wordt de wrange vrucht geplukt van dit buiten-Godwel-afkunnen.
Dan rijzen de baren en golven hemelhoog. Dan buigt elk steunsel weg als 'n zwalpend riet. Dan zinkt elke grondslag als vlottend drijfzand.
En wat dezen bangen nacht in't eind door morgenstond doet breken is enkel Gods trouw, die door geen ontrouw wordt te niet gedaan; de vastheid van Zijn welbehagen, dat van geen wankelen weet.
Dat ziet ge in bovenstaand tekstwoord zoo klaar. „Klein kuddeke", dat is de benaming, waaronder Gods Kerk wordt aangesproken, een benaming, die voorwaar geen hooge gedachte van Sions weerkracht doet koesteren; een benaming, die onomwonden getuigt, dat 't ware Sion zwak van kracht en klein van moed is.
Scherp belijnd doet ons deze aanspraak voor den geest rijzen het beeld van klagelijke hulpbehoevendheid, van meewarige geringheid en jammerlijk onvermogen. Op geen vademen na is dit kleine kuddeke opgewassen tegen 't grijpend roofgedierte, waardoor 't aan alle zijden is omringd. Ook hier weer, als altijd, dat algeheele nalaten van 't pleisteren met looze kalk. O, 't is volstrekt geen eervolle benaming; hoe moet 't verootmoedigen, als wij met dezen naam genoemd mogen worden en wij verstaan er den zin van. De Heere doet bij Zijn kind geen valsche gedachte van gewaande grootheid rijzen. De Heere handelt zoo getrouw met de Zijnen. Alle menschenkind is uit zichzelf leugenachtig; wekt bij zichzelf en zijn naaste allerlei gedachte, die aan de werkelijkheid niet beantwoordt. God alleen is waarachtig. Hij is geen mensch dat Hij liegen zou. Hij schuift geen valschen troostgrond onder onze hope voor de toekomst.
Ook hier weer wijst Hij Zijn volk geheel van zichzelf af.
Overal in Zijn Woord getuigt Hij zelf er van, dat gevaren rondom Zijn volk bedreigen; dat de hel haar kaken spert, om hen te verslinden; dat de wereld gereed staat met de wan der verdrukking en de Satan de zeve ophoudt om als de tarwe Gods verkorenen te ziften. En even getrouw wijst Hij op 't totaal gemis van weerkracht bij Zijn kinderen zelf in dezen kamp.
En toch: vreest niet!
Maar hoe kan dat nu? Is dat ernstig gemeend? Zweemt dit naar geen spel?
Mijn lezer, hoe kunt ge zoo vragen! God is waarachtig en al Zijne woorden zijn getrouw I Als Hij de vreeze in Zijn volk bestraft, dan is er ook geen grond noch oorzaak voor die vreeze
Om dat te verstaan, moet bedacht dat er tweeërlei vreezen is.
Daar is een vreeze, die goed is; „welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest!" Zulk vreezen komt op uit den klaren aanblik van eigen zwakheid en ontrouw en nietigheid, en drijft als 't kind in de armen zijns vaders zoo den hulpbehoevenden zondaar onder 't schild van zijn Heiland en Schutsheer. In zulk vreezen ritselt ootmoed en Godsbetrouwen; dat is kinderlijke vreeze.
Maar daar is ook een vreezen, dat opkomt uit kleingeloof, uit gemis aan toevoorzicht op den getrouwen God en Vader; overstelpt door het dreigend gevaar, ontneemt of benevelt die vreeze het uitzicht op den Meerdere; op den sterken God.
En deze booze vreeze nu, die ontstaat uit te kleine gedachte van Gods almogende genade en trouw, zoekt de Heere hier uit te bannen bij Zijn beangstigd volk.
Voor die vreeze is geen grond. En waarom niet?
„Omdat het uws Vaders welbehagen is ulieden, u klein kuddeke, het Koninkrijk te geven."
Het is uws Vaders Welbehagen, en Zijn Raad bestaat, en Hij zal al Zijn Welbehagen doen; het is Zijn Welbehagen, d. w. z. van eeuwigheid stelde Hij het zich alzoo voor; en toen stelde Hij 't ook vast.
Voor de grondlegging der wereld sprak Hij: u is 't Koninkrijk beschoren; en zou Hij 't zeggen en niet doen, spreken en niet bevestigen ?
Hij heeft 't gezegd; zoo luidt de Raadslag Zijns vredes over u; en nu keert 't geen hel, geen Satan, geen zonde, geen wereld; als Hij werkt, wie zal 't dan keeren?
De Satan soms, met al zijn fijn gesponnen opzet, met heel zijn loerend duivlenheir? Maar wat is hijzelf bij God vergeleken; ó minder dan een stofje aan de weegschaal!
Gij zelf misschien, met al uw zondige ontrouw, met al uw booze afwijking? Of de wereld met al haar kunstig bereide instrumenten tegen uw heil? Maar is dit alles bij God vergeleken niet nog minder dan een droppel aan den emmer?
Het Welbehagen Gods, dat is Zijn eeuwig heilsbestel over u; en als straks de hoogste bergen waggelend neerstorten van haar pijlers, dan schokt nog Zijn Vreeverbond niet!
Maar hoe krijgt mijn ziel daar vat aan?
Het is uws Vaders Welbehagen! Leg op welk dezer woorden gij maar wilt den nadruk, en 't doelt immer de booze vreeze te bannen.
't Is uws Vaders Welbehagen; dat waarborgt u in Zijn Heilsbestel zulk een volheid van onuitsprekelijke goedheid, dat al de haat uwer vijanden daarbij minder dan kinderspel wordt; eene o zoo lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat!
En 't is uw Vader, die alzoo besloot van voor de tijden der eeuwen.
Uw Vader in Christus Jezus, den Zoon Zijner eeuwige Liefde.
Ja Hij achtte 't niet beneden zich, wormken Jakobs, u tot een eeuwige Vader te zijn. Hij is God, en daarom Hij verheerlijkt zich in wat vertreden neerligt; Hij wil uw Vader zijn, niet omdat gij zoo ellendig zijt, maar omdat Hij 't wilde, wilde van eeuwig; en in Christus heeft Hij 't uitgewerkt.
Het is zoo, eindelijk, 't Schijnt maar niet zoo; neen, veeleer schijnt 't tegendeel! Maar 't is altijd zoo, als Hij 't zegt; ook al strijdt alles tegen en gij zelf erbij; 't is zoo; gijzelf verandert en keert 't niet! Zijn grondslag, Zijn onwrikbre vastigheên heeft God gelegd op bergen. Hem gewijd!
En wat behelst nu dit eeuwig heilsbestel?
Dat ulieden 't Koninkrijk zal geworden!
In uwe armoede zijt gij rijk, klein kuddeke, want dit Koninkrijk is inbegrip en saamvatting van alles wat tot zaligheid noodig is, van alles wat zaligheid is.
Dit Koninkrijk is de vervulling van alle uwe zielsbehoeften.
Dit Koninkrijk is de eindtriomf over alle macht, die uw heil zoekt te ontwrichten; is het ingaan tot de eeuwige hemelglorie; het reikt u de levenskroon, om die te dragen tot in alle eeuwigheid; het doet u den Koning zien in al Zijne aanbiddelijke schoonheid.
Dit Koninkrijk bevat schatten en rijkdommen, die wij hier nooit zullen kunnen stamelen zelfs; daarin flonkeren juweelen van zielevreê en zaligheid, van wier schittering ge hier slechts een verren afglans opvangt, als van de sterren hoog boven uw sterfelijk hoofd.
Hoort gij nu, mijn lezer, bij dat kleine kuddeken ?
Dat kunt ge hieraan weten, of gij al uwe uitnemendheid schade hebt leeren achten om Christus te gewinnen.
Hieraan, of 't uw lust is, op al uwe gerechtigheid en kracht en wijsheid het vonnis van Belsazar te schrijven, om van genade alleen te leven en op genade alleen te hopen.
O zoolang ge 't tollenaarskleed nog schuwt en de tollenaarsbede u niet van de ziel wil, hoort ge er niet bij.
Onderzoeken we onszelf op dit allesbeslissende punt dus nauw en biddend.
O laten we ons niet vastklemmen aan den ballast onzer werken, maar leune onze ziel op dien Rotssteen, Wiens werk volkomenis, en Die op Golgotha over alle armen van geest en verslagenen van ziel Zijn machtwoord sprak, dat ten leven u leidt:
Het is volbracht!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's