Uit het kerkelijk leven.
De Gereformeerde Kerk en het Volksleven. V.
Gods kinderen moeten hun roeping verstaan en weten dat zij een plaats hebben in te nemen in het midden van Gods Kerk hier op aarde.
Het godsdienstige is samenbindend.
Het christelijke is Kerkelijk.
Wie niet verstaat dat een van de belangrigkste stukken van onze geloofsbelijdenis is: „ik geloof de gemeenschap der heiligen" valt uit den weg, die naar het Woord is; wie buiten de Kerk gaat staan, valt mettertijd ook buiten het Christendom.
Waarbij de Kerk zich openbaren moet naar de inzettingen van Christus, haar eenig Hoofd.
Zij heeft in Zijn Woord te blijven. Zij heeft Hem gehoorzaam te zijn. Zij heeft Hem te erkennen als Koning, Wetgever en Rechter. Waarbij zij mag weten dat Hij haar zal behouden.
En wijkt die Kerk af in meerdere of mindere mate, dan dient de gereformeerde Kerk te verstaan, dat zij die gereformeerd (gezuiverd) is, maar telkens aan deformatie (onzuiverheid) bloot staat, zich opnieuw heeft te reformeeren (herstellen) naar uitwijzen van Gods Woord.
Een gereformeerde (gezuiverde) Kerk dié van geen deformatie (inzinking) weet bestaat niet.
De zonde deformeert (bezoedelt) altijd en telkens weer.
Maar de Kerk die gedeformeerd (onzuiver) is en die niet weten wil van reformatie (bekeering) is te beklagen. Want haar zal het licht niet opgaan, voordat ze weer komt te luisteren naar den eisch Gods: verlaat uw schadelijke wegen en keer weder tot de Wet en tot de Getuigenis.
Daar moeten Gods kinderen steeds van spreken.
Gereformeerde menschen moeten tot parool kennen : ecclesia reformata semper reformanda est d.w.z. een Kerk die weet, dat Gods Woord regel is voor leer en leven heeft zich telkens te onderzoeken en heeft bij alle afwijking telkens weder te keeren tot den Heere!
En dan heeft die Kerk des Heeren met Gods Woord tot licht én Christus tot Gids een hooge en heilige roeping voor het openbare leven, voor elk terrein van het aardsche bestaan des menschen.
De Kerk des Heeren heeft zich naar uitwijzen van Gods Woord te openbaren in de gemeenschappelijke samenkomsten waar Gods Woord openlijk gepredikt wordt; in de gemeenschappelijke gebeden waar aller nood wordt gedacht, bizonderlijk van allen die in hoogheid gezeten zijn ; in de gemeenschappelijke maaltijden, waar gegeten wordt van het brood, 't welk is Christus' lichaam en waar gedronken wordt van den wijn, 't welk ia Christus' bloed; in de handhaving van dé sleutelen des hemelrijks, waarbij de een op den ander acht geeft, samen voelende elkanders leden te zijn, wetende dat het heilige heilig dient gehouden te worden.
En waar de Kerk van Christus Gods geboden kent voor het huiselijk leven, daar behooren voor ouders en kinderen, voorheeren en knechten, voor vrouwen en dienstmaagden de ordinantiën Gods naar behooren stuk voor stuk en keer op keer met toepassing op het huiselijk leven te worden uiteengezet. Gelijk ook voor het maatschappelijk en staatkundig leven de eeuwige beginselen van Gods getuigenis dienen te worden opgediept en ordelijk der Gemeente behooren te worden voorgesteld.
Wij, christenen, mogen niet doen als de Mohammedanen, die, met de Koran als wetboek, geen hooger genot kennen dan de heeren der orderworpen volkeren te zijnen intusschen die onderworpen volkeren dood te drukken, van hun vreeselijk fatalisme vol.
Ook niet als de Buddhisten, die slechts van vereenigingen van wereldontvluchtende monniken willen weten, die op de burgerlijke maatschappij een verlammenden indruk oefenen. Neen, Christus' Kerk heeft Christus' Woord te verstaan en in beoefening te brengen: „wees Mijne getuigen — gij zijt het licht der wereld — wees een zegen!"
Zij die saam een pilaar en vastigheid der waarheid zijn; die saam kinderen des lichts genaamd worden — zij zijn geroepen, een ieder in zijn positie en ieder naar de mate der talenten hem toebetrouwd en naar de genade hem in Christus geschonken, om Gods lof te verkondigen, 's Heeren deugden te prijzen. Zijn rechten en inzettingen te vermelden en als brandende kaarsen in het midden der wereld te staan
Het licht van Gods Kerk moet in een duistere wereld uitstralen en kromme wegen moeten recht gemaakt worden door zondige en slechte gewoonten te trekken onder Gods licht en te brengen onder Gods ordinantiën.
De Kerk moet staan in het midden van heel het volle, bruisende leven, als een lichtend baken in de zee; zij moet aan de rusteloos her-en derwaarts geslingerde menschheid den koers wijzen naar veilige haven; zij heeft te voldoen aan het woord van haren Heiland en Koning: gij zijt het licht der wereld.
Dat heeft de Kerk van Christus van den beginne af aan verstaan en dat is zij geweest in hare onderscheidene gedaanten, in de verschillende perioden van de geschiedenis der menschheid.
Uit de windselen van het Jodendom losgemaakt, breidde de Kerk van Christus zich uit onder verschillende volkeren en in onderscheidene werelddeelen en de eerste Christenzendelingen mochten den in ongeloof en bijgeloof levenden volkeren de blijde boodschap des heils prediken een steinpel zettend op heel het volksleven.
Wat een verschil in beschaving en ontwikkeling tusschen de volkeren, die vreemd bleven aan het Christendom en die volkeren, waar de lampen van Gods Woord lichtten en Gods inzettingen werden bekend gemaakt!
Zeker! er is ook buiten de bizondere openbaring Gods, door des Heeren algemeene goedheid, nog zin tot deugd en smaak tot het goede.
Athene en Rome zijn met hun wijsheid en kunstzin, met hun schoonheid en hun rechtspleging ten bewijs.
Maar hoe voelen we niet, dat daar het volksleven niet is wat het wezen moest en dat de natie in de schaduwen des doods wandelt.
En toen is de Kerk van Christus in het midden der volkeren ingegaan, in Azië, in Europa, ook in Afrika.
En toen heeft het Christendom zijn invloed doen uitgaan over de landen en de volkeren.
Hoe is Europa anders geworden door het Christendom!
Hoe heeft de prediking van het Evangelie des Kruises wonderen verricht!
Volkszeden werden omgezet, volkszonden weggedaan.
De vrouw is uit haar vernederde positie op geheven en de waarde van den mensch, de waarde van het lichaam, en het leven des menschen is tot hooger peil opgevoerd.
Alleen de prediking van des menschen onsterfelijkheid en de aanzegging van het eeuwig oordeel, waarbij ieder in het gerichte zal worden getrokken door den heiligen God om rekenschap af te leggen over alles wat in het leven gedaan is — dèt heeft een stempel gezet op héél het leven en het karakter van het heidensch leven is weggenomen terwijl het 'christelijk leven tot openbaring kwam in het midden der volkeren.
Europa is een christelijk Europa geworden, met christelijke zeden en gewoonten.
En nóg hebben we ons oog te wenden naar bet heidenland en we zien, dat, waar het Christendom voet krijgt, héél het volksleven verandert.
De Minahassa is ten bewijs.
Zoo heilzaam is het licht dat valt van Christus' Kerk op de natiën.
(Wordt vervolgd.)
Ons Verweer.
In betrekking tot Leiden hebben we nader gesproken. Ook wat Amersfoort betreft — waarbij men vergelijke het „Ingezonden stuk" dat heden geplaatst is.
Wat Bodegraven aangaat wachten we liever nog een paar dagen, omdat we wel inlichtingen hebben maar nog niet genoeg.
Daarover D.V. de volgende week.
Liever spreken we ditmaal over Woerden, waarbij men ons vergunne, dat we een weinig in bizonderheden afdalen, daar we openlijk „door iemand die het weten kan" als een leugenaar zijn uitgemaakt.
Men zal het ons daarom niet kwalijk nemen, dat we, nu men ons den mond heeft opengebroken, ook zeggen wat we weten.
Wat Woerden dus betreft: dat men een door en door dwaas en onreglementair besluit (althans afspraak) niet in het Notulenboek gezet heeft, is ten minste in zóo verre verstandig, dat het nageslacht dan gespaard wordt om zulke dingen later nog eens onder de oogen te krijgen.
Hoewel men ook moest durven notuleeren wat breedvoerig besproken en a/gesproken wordt.
Maar — daar gaat het ten slotte niet om.
Wel om déze zaak: of in het midden van den Kerkeraad, bizonder lijk bij monde van wijlen Ds. van Endt, deze dingen niet meer dan eens behandeld zijn en men, niet zonder tegenspraak, tot het besluit (of afspraak) is gekomen, om geen niet-gezangenzingers ooit uit te noodigen of te beroepen — hoewel er in de Gemeente wel waren die er naar verlangden en uitzagen.
Men zou saam zorg dragen, dat zulke predikanten niet meer op den kansel kwamen. Maar b.v. wel Prof. van Veen van Utrecht.
Daar is veel en heftig over gesproken.
Wij zouden dat onder getuigen kunnen bewijzen.
Een ieder, die in Woerden niet onbekend is, weet dit.
Gelijk God zorgde, dat-spoedig na een dergelijke heftige discussie Ds. van Dorp van Bodegraven in de plaats van wijlen Ds. van Endt den kansel te Woerden betrad, in tegenwoordigheid van een ontzachelijke menigte, toen in Gods huis vergaderd.
Wij zouden uit eigen ervaring ook iets., kunnen meededen.
Op een Woensdag-of Donderdagmiddag van het jaar 1904 waren wij bij coll. Olthuis te Harmelen op bezoek, die ons vertelde, dat hij van Ds. van Endt een schrijven had ontvangen met verzoek om voor hem te preeken op den eerstvolgenden Zondagavond. Maar hij had daarvoor moeten bedanken.
Den volgenden avond waren wij op bezoek bij Ds. van Endt, gelijk wij dat jaarlijks gewoon waren te doen in onze vacantié.
Ds. van Endt had toen nog geen hulp. Zaterdagmorgen had hij nóg niemand om voor hem te preeken, waarom toen 2 luidjes naar Utrecht togen — daar wél bekend — om onder de studenten iemand op te diepen, die Zondagavond zou kunnen en willen preeken.
Men vond cand. Pannebakker, nu predikant te Amersfoort, die 's Zondags naar, Woerden kwam, preekte en weer naar Utrecht terugkeerde.
Wij zaten 's morgens en 's avonds rustig in de ouderlingenbank, 's morgens onder 't gehoor van Ds. Eringa, 's avonds onder de preek van cand. Pannebakker.
Wij weten dat veel menschen zich aan deze dingen toen geërgerd hebben — waarbij wij niet 't minst hebben gezegd, maar waarbij een ouderling de verklaring gaf, dat het niet anders had kunnen geregeld worden, daar in den Kerkeraad besloten was, geen dominé's meer te vragen, die geen gezangen lieten zingen!
Ook weten we, dat iemand, die gewoon was Ds. van Endt meer dan eens belangeloos te rijden naar vacaturebeurt of anderszins, hem herhaaldelijk gevraagd heeft of Ds. Batelaan van Waarder of Ds. van Dorp van Zegveld eens preeken mocht als Ds. v. E. met vacantié was of eens iemand noodig had. Welk vriendelijk verzoek telkens onvriendelijker geweigerd werd, onder de opmerking „dat de Kerkeraad besloten-had zulke dominé's niet meer te vragen."
Wat beantwoord werd met deze woorden: „maar br. A. en br. B. zouden er toch zeker geen bezwaar tegen hebben, dominé, dat Ds. Batelaan of Ds. v. Dorp preekten en ik weet dat u ook velen in de gemeente een groot genoegen zoudt doen, " waarop Ds. v. E. antwoordde: ik heb met br. A. en br. B. niets te maken, ik houd mij aan hetgeen de Kerkeraad besloten heeft."
We zouden nog meer kunnen vertellen. B. V. dit, dat iemand, die nu in den Kerkeraad zit, indertijd naar de Geref. Kerk ging, waar Ds. Gunst preekte, toen in de Herv. Kerk Ds. Bongers van Kamerik sprak, van welke vreemde handelwijze hij déze verklaring gaf: „in de Herv. Kerk komt het niet te pas om een dominé zonder gezangen te hooren — in de doleeren de Kerken hoort dat nu eenmaal zoo en daarom ga ik dan nog liever naar de doleerende Kerk dan dat ik in de Herv. Kerk zoo iets moet meemaken."
Neen — men moet niet zeggen, dat men in Woerden vriendelijk gestemd is tegenover de gereformeerden, niet-gezangenzingers....
En het valt ons tegen, dat Ds. Eringa nog een poging waagt om den Kerkeraad, in de zaak waarom het gaat, voor te stellen als onschuldig te zijn, tegelijk ons als leugenaar aanwijzend.
Of is het dan waar, dat de Kerkeraad van Woerden — een paar broeders uitgezonderd — éen predikant zonder gezangen op den kansel zouden willen hebben ?
Ja — vroeger, lang voor Ds. Eringa's tijd, toen wél.
Toen men in nood zat. Toen het er niet zoo héél schitterend voor stond. Vóór 1896. Toen gingen de broeders ouderlingen 's Zondagsavonds keer op keer een broeder nietgezangenzinger van den trein halen, om hem 's avonds naar den kansel te leiden.
De predikanten de Lind van Wijngaarden, Gravemeyer, Pikaar enz. zouden daarvan kunnen getuigen.
Toen mochten ook voor Ds. van Endt preeken mannen als J. J. van Ingen en A. J, W. van Ingen, wat hij dan 's morgens vreugdevol afkondigde, met warme aanbeveliog om deze jonge mannen vooral te komen beluisteren! Maar nu — neen, laat men nu eerlijk zijn en laat men nu ook in het openbaar durven bekennen wat men dan schijnbaar heimelijk heeft afgesproken: dat er geen gereformeerde, niet-gezangenzingonde dominees meer op den preekstoel komen in de Herv. Kerk van Woerden.
Hoewel God maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er
Waarom we deze dingen zeggen?
Omdat men er ons toe gedwongen heeft.
En we hebben nog véél meer!
Maar God weet, dat we het met smarte des harten doen !
Neen, we zijn geenszins van gedachte, dat de schuld aan éenen kant ligt. Wij bewijzen met de daad dat wij wel beter weten.
Maar dat de duivel er tusschen zit, om menschen, die bij elkaar hooren, van elkaar te verwijderen, dat staat bij ons vast.
Er komt tusschen menschen, die in hoofdzaak éen belijdenis beamen, een schrikkelijke vijandschap, die ellendig werkt in het midden van de Gemeente en zonde voor God is.
Dat bezoekt de Heere.
En of we het erkennen willen of niet, de oordeelen Gods zijn te zien van alle kanten.
Daarom willen we niet zwijgen, wanneer we haat en vijandschap opmerken bij confessioneele broeders tegenover Geref. menschen, omdat.... deze geen gezangen zingen.
Die waarlijk confessioneel is, d. i. die op den bodem van Gods Woord staat en de geref. belijdenis lief heeft en aan zulke practijken meedoet, moest zich schamen.
Die is niet confessioneel.
En als we dat niet leeren verstaan en niet leeren erkennen, dan zal men het zien, dat de duivel vrij spel houdt, dat de vijanden kunnen juichen, dat Gods Naam smaadheid wordt aangedaan en dat onze Herv. Kerk te gronde gaat.
Wie nu als No. 1 op z'n program durft zetten: gezangen zingen.
En die niet-gezangenzingers niet kan uitstaan en niet op den kansel wil dulden, die verstaat niets van de positie waarin onze Herv. (Geref) Kerk verkeert.
Die kunnen 100 maal in een uur zeggen: „we hebben de Herv. Kerk zoo lief!" — maar dat ze haar mee te gronde helpen, staat voor ons vast.
En daarom hebben we nog weer eens gesproken, opdat de Heere toch weder bij elkander brenge wat bij elkander hoort!
De Gezangenkwestie.
Men kent ons standpunt.
Confessioneelen, die waarlijk op den bodem der Schrift staan en spreken naar uitwijzen van onze drie Formulieren van Eenigheid, moesten zich liever niet confessioneel maar gereformeerd noemen.
Gereformeerd is een woord dat wat zegt.
Confessioneel geeft niets dan verwarring.
En we hooren bij elkaar.
Krachtens ons beginsel dat naar de Schrift en naar de Belijdenis is.
Daarom moest er ook éen naam komen.
En dan éen kerkelijke practijk.
Allen die Gods Woord als hoogste authoriteit erkennen en verlangen naar het herstel van onze aloude Gereformeerde Kerk moesten, te midden van de groote verwarring waarin wij leven, tot het besluit kunnen komen: „wij zingen geen gezangen meer. We willen het mindere opofferen voor het meerdere. Het is ons van nu voortaan ernst om tot eenheid te komen. De waarheid gaat Ons boven alles. En een zaak van veel bedekking van veel gebrek, van veel ergernis, van veel twist en verwijdering laten we los, om saam te komen tot één weg en dan, wanneer het Gods tijd is, zullen we in andere en betere dagen over de kwestie van al of niet gezangen zingen op de kerkelijke vergaderingen rustig kunnen spreken".
Dat zou veel gewonnen zijn.
Een steen des aanstoots voor velen minder in de wereld!
Terwijl nu juist door deze ellendige zaak zooveel verdrietelijke dingen geboren worden, waarbij het dikwijls van kwaad tot erger gaat.
Natuurlijk dat alleen zij, die met bewustheid gereformeerd zijn, werkelijk Gods Woord en onze drie Forrnulieren van Eenigheid van harte aannemend, over dit voorstel zullen willen denken. Door anderen wordt het van zelf in een hoek geworpen.
Die laten liever heel den boel springen dan dat ze hierin in onzer Vaderen weg overkomen.
Maar die waarlijk de Gereformeerde waarheid liefhebben en verlangen naar het herstel van onze aloude Gereformeerde Kerk, veel ook voelen voor de kwestie: „Kerkelijke dingen eerst ordelijk op Kerkelijke vergaderingen besprekend" — die zullen misschien een oogenblik over ons voorstel willen handelen.
Dan kunnen we verder praten.
Een nieuw voorstel in de Synode.
In een van de eerste zittingen der Synode, die Woensdag 16 Juli j.l. met haar vergaderingen begon, hebben de heeren Prof. Dr. F. E. Daubanton en Ds. C. T. Gronemeyer (em.-predt. van Amsterdam, nu ouderling te Utrecht) het volgende voorstel ingediend:
„Ondergeteekenden, overwegende, dat de Alg. Synode eigenlijk is een bestuurscollege voortgekomen uit de besturen der provinciën, maar niet uit de lichamen, de de gemeenten vertegenwoordigen, en derhalve niet kan gelden als het lichaam dat de Kerk vertegenwoordigt ;
overwegende, vervolgens, dat de vele voorstellen ter reorganisatie van de Ned. Herv. Kerk en al wat daarmee samenhangt, bij de Synode vroeger ingekomen en door haar behandeld, tot geen uitkomst hebben geleid;
Overwegende voorts, dat de toestand der Kerk ernstig roept om oplossing van de vraagstukken, die de gemoederen bezighouden en de eenheid en den vrede der Kerk bedreigen :
overwegende eindelijk, dat de classicale vergaderingen de grond-vergaderingen in onze Kerk zijn, wier beteekenis niet onderschat mag worden, stellen aan de Synode voor,
1o. alle thans weer bij haar ingekomen stukken in deze materie ter zijde te leggen, en
2o. aan de class, vergaderingen te verzoeken, eene constituante saam te stellen, gevormd uit de afgevaardigden van alle classes, in dier voege, dat de classes die 40 of meer predikantsplaatsen tellen, zijnde Nijmegen, Zutphen 's Gravenhage, Rotterdam, Leiden, Dordrecht, Gouda, Amsterdam, Haarlem, Alkmaar, Hoorn, Leeuwarden, Sneek, Franeker, Dokkum, Heerenveen, Deventer, Groningen, Winschoten en Appingedam, evenals de Waalsche Commissie ieder 2 leden (éen predikant en éen ouderling) afvaardigen om eene volgende Synode te dienen van advies in zake aan te brengen verbeteringen in ons Kerk-instituut".
Wij verheugen ons, dat een dergelijk voorstel gedaan is door dergelijke mannen.
Hoe meer er de aandacht op gevestigd wordt, dat de Synode niet kan gelden als bet lichaam dat de Kerk vertegenwoordigt, hoe liever dat we het hebben.
Waarbij het niet genoeg kan worden uitgesproken, dat de toestand der Kerk ernstig roept om verandering.
Wanneer wij zoo iets zeggen, kijkt men ons aan en roept ons toe: gij legt het op den ondergang van de Kerk aan; gij hebt onze Vaderlandsche Kerk niet lief, en meer van die fraaiigheid.
Maar dat kan men toch waarlijk van den Kerkelijk-hoogleeraar Daubanton en van den Stichtschen ouderling Gronemeyer niet zeggen.
En daarom verheugen wij ons over dit voorstel, nieuwsgierig uitziende wat de Synode doen zal.
Onze Zendingsdag.
Eerst krijgen we Woensdag 30 Juli de bevestiging van onzen Zendeling-leeraar, den Eerw. Heer A. A. v. d. Loosdrecht.
Dat zal menigeen naar Veenendaal lokken. En dan Donderdag 31 Juli onze Zendingsdag in het bekende Rijsenburgsche Bosch, nabij het station Driebergen.
Waar ieder die eenigszins kan heengaat, gelijk vroegere jaren.
Er zal veel te spreken zijn en veel te hooren. Veel te danken en veel te bidden.
De nood van Indië, bizonderlijk in ónze dagen zoo groot, worde ernstig gedacht en vuriglijk den Heere opgedragen.
En de Heere geve dat de donkere waterwolken verre blijven.
Dat het zonlicht uitstrale met blijdschap over de groote menigte. En dat de regen des Geestes velen verkwikke I
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's