De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

6 minuten leestijd

Open brief.

Den Weleerw. Zeergel. Heer

Dr. P. J. KROMSIGT,

Herv. Pred. te Amsterdam.

Weleerw. Zeergel. Heer,

Achteraf spijt het mij toch nog, dat ik van Uw geschrijf notitie heb genomen, want de toon, waarop uw antwoord werd ingezet, is niet bepaald zoo, dat ik er door uitgelokt word verder met U in correspondentie te treden. Ook laat Gij na Uw lezers op de hoogte te brengen van hetgeen tegen U ingebracht werd. Toch zou mij dit alles nog niet afschrikken, indien Uw wijdloopig antwoord eenig steekhoudend argument had gebracht of het bewijs, dat Gij met de problemen, waarover Gij schrijft, grondig op de hoogte zijt. Tot mijn leedwezen echter is noch het een, noch het ander het geval.

Ik maakte er U opmerkzaam op, dat staatsgeld voor de kerk te vragen nu juist niet datgene is, dat zij thans behoeft, maar wel betooning des Geestes en der kracht. En wat antwoordt Gij daar nu op ? Dat ik maar eens moet zien, hoe er meer geld gevraagd wordt voor de Christelijke School. Maar, eilieve, is dan het schoolprobleem hetzelfde als het kerkelijk vraagstuk ?

Is de school de kerk en de kerk de school ?

Waar gaat het in den schoolstrijd om ? Om recht, voor allen gelijk. Dat gelijke recht kon evengoed hierin bestaan, dat de staat voor het onderwijs aan niemand een cent gaf, als daarin dat hij voor allen evenveel betaalt of voor allen alles. Maar het is een onrecht, dat de eene helft der burgers gedwongen wordt eerst voor zichzelve alles te betalen en dan nog bovendien mede voor de andere helft. Dat is toch zoo klaar als de dag, dat het hier is een vraag naar gelijke rechten. Wat dit nu te maken heeft met de vraag naar meer geld voor de kerk, waardoor weder nieuwe ongelijkheid van recht wordt geschapen, is toch immers niet in te zien. Een dergelijke argumentatie kan. alleen gevolg zijn van gebrek aan helderheid van inzicht.

Zeker, waar brand is moet geholpen worden en als de groote steden in nood verkeeren, moeten zij ook geholpen worden, maar dan toch zeker door hen, wier taak zulks is. De kerk heeft de roeping het Evangelie te brengen óok aan de massa. Haar taak is het alleen. Dat zij hare plicht verwaarloost, kan nooit een rechtsgrond zijn om tot den staat te zeggen: geef geld.

Bovendien de kerk heeft geld genoeg. De thermometer van haar levenswarmte zal uitwijzen hoeveel geld zij heeft. Maar natuurlijk, als die thermometer op het vriespunt staat, heeft zij niets.' Doch het gaat niet op dan maar te komen tot den staat.

Dat het ministerie-Heemskerk voor tal van kleinere kerken tractementen toestond, was het recht der regeering, zoolang de grondwet luidt, zooals zij luidt. Zij handelde daarmede in Uw geest, gelijk Mr. Heemskerk in tal van andere opzichten zich veel meer welwillend jegens Uw partij betoond heeft dan tegenover de antirevolutionaire, tot verwezenlijking van wier beginselen hij zoowat niets deed. En toch zijt Gij en Uwe ethische vrienden het geweest, die mede den val dit ministerie hebben voorbereid! In Uw eigen politiek belang hebt Gij zelfs geen inzicht gehad, zoodat het mij dunkt voor Uw geestverwanten tijd wordt U de vraag te stellen, of het maar niet beter zou zijn, dat Gij voortaan U maar niet meer met de politiek bemoeit, wijl het nu voor de zooveelste maal is gebleken, dat Gij slechts de zaken van den wal in de sloot kunt sturen.

Gij meent, ik had een railiement met U moeten zoeken. Ook daarin verschil ik met U. Ik heb er geen behoefte aan. Ik gevoel mij in mijn isolement behagelijker dan onder de leiding van U en Uw confessioneele en ethische vrienden.

De oplossing van het kerkelijk vraagstuk komt, ondanks U en mij en wie ook. Niemand kan deze kèeren. De kerk zal zich aan het nieuw ontwikkelend sociaal leven moeten aanpassen. En de Christus zelf zal, omdat Hij met ons is tot aan het einde der eeuwen, voor die aanpassing zorgen. Maar dat deze zal plaats hebben door het ongeestelijk geroep om al meer geld uit de staatskas of om een volkskerk, die geen kerk is en geen volk zal hebben, zie dat schijnt mij ten eenen male uitgesloten.

Trouwens, Gij schijnt zelf niet zeer gerust te zijn op Uw streven. Gij grijpt als een drenkeling U aan stroohalmen vast.

Als er iemand komt, die vertelt dat de leer der gemeene gratie een uilvinding van Dr. Kuyper is, Gij prijst hem om zijn diepe wijsheid en als er iemand komt met de phrase, dat een volkskerk eigenlijk geloofsobject is, Gij juicht als of er een nieuwe ster aan den theologischen hemel opging. Anders denkenden verwijt Gij, dat zij geen geloof hebben in Gods verbond, dat zij wederdoopers, separatisten en wat niet al zijn! Wat moet men nu van zulk eene opgewondenheid denken, dan alleen, dat zij opkomt uit dezelfde sociale ziekte, waaruit tegenwoordig zooveel ziekelijke wereldhervormers geboren worden, die Utopia aankondigen en inderdaad niet anders doen kunnen dan het waarlijk goede tegenhouden en dus hun arme volgelingen bitter teleurstellen.

Hoezeer de zelf misleiding U parten speelt, het blijkt uit Uw beroep op artikel 36. Indien Gij het naamt, zooals het daar ligt, ik zou er nog respect voor kunnen hebben, ook al' moest ik dan zeggen, dat Gij vergeet hoe artikel 36 over een, andere overheid spreekt dan die wij. kennen ; maar wie nu weet, hoe Gij dit artikel homoeopatisch verdunt, zoodat Gij komt tot voorstellingen, die heel het artikel opheffen, die moet wel verbaasd staan over zooveel kortzichtigheid.

Het doet mij leed, dat Gij mij tot dit schrijven hebt genoopt. Ik meende het echter niet in de pen te mogen houden ook al begrijp ik ten volle, dat het U niet zal brengen tot beter onderzoek van de vragen, waarom het gaat in onze kerk en in onzen tijd, tot een betere methode om te onderscheiden wat onderscheiden moet. Ik zal mij dan ook verder van polemiek met U onthouden tot tijd en wijle, als het mij gebleken is, dat Gij vraagt niet meer naar phantasie, maar naar exacte werkelijkheid. Tot zoolang.

Hoogachtend, Uw dw. dnr.,

Utrecht, Juli 1913

H. VISSCHER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's