Uit de Pers.
Hoe men over ons denkt.
Het is goed om telkens eens te beluisteren hoe anderen over ons oordeelen. We kunnen dan gewaar worden hoe anderer ligging is en wat ónze vermeende fouten zijn.
Daarom nemen we over, wat Ds. J(anssen) van L(eiden) over onzen Geref. Bond schrijft in „de Wekker", orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. (Vrijdag 6 Juli '13. No. 6.)
't Luidt als volgt:
Nu de kerkelijke vergaderingen weer zoo langzaam in 't zicht komen, begint het hier en daar te roeren, vooral in de Herv. Kerk met haar heterogene bestanddeelen, haar onderscheiden fracties met hare zeer uiteenloopende programma's. Daar woelt het vooral in de laatste weken weer geducht. De welbekende lidmatenkwestie duikt allerwege weer op en het schijnt dat men van de zijde der Synodale machthebbers zooveel mogelijk conflicten en botsingen wil vermijden. De Synodale organisatie schijnt zich niet meer zoo sterk te gevoelen als voorheen. Wel wint in sommige gemeenten het Modernisme in bondgenootschap met de Ethischen veld, maar aan de andere zijde staat de Gereformeerde Bond, met zijn orgaan de «Waarheidsvriend", die zeer sterk in de richting van een tweede Doleantie werkt. Zou daarom »de Heraut* misschien »de Waarheidsvriend« telkens zoo prijzen, omdat er in de toekomst van die zijde voor de Geref. kerken misschien nog wat te hopen was? Want op een in 't oog vallende wijze wordt »de Waarheidsvriend" gedurig door den Redacteur van »de Heraut* aangehaald, en de besprekingen die er in dien kring over de Herv. Kerk en de organisatie gevoerd worden, bewijzen duidelijk, dat men zeer veel overeenkomst met de Doleerenden van vóór 1886 heeft.
Daarom zijn de Confessioneelen zoo gebeten op de mannen van den Bond, omdat zij daarin de wegbereiders voor eèn tweede Doleantie zien. Nu geloof ik dat het vooralsnog met die tweede Doleantie zoo een vaart niet zal loopen. De mannen van den Geref. Bond zullen zich nog wel eens tweemaal, neen driemaal bedenken alvorens zij hun vette weiden prijs geven. Men verstaat het in die kringen eens recht hartelijk — altijd op het papier en van den kansel — over de breuke der kerk te klagen en tevens in die klacht zijn rust en gemak te vinden. Want het kan niet geloochend worden, dat men vooral in die kringen de breuken der kerk weet te ontdekken en in het licht te stellen, maar daar blijft het bij. En het volk dat die mannen volgt, neemt van hunne lippen het klagen over en het klaagt mee en het vindt ook in dat klagen rust. En zoo heeft alles rust terwijl het klaagt. Een diep treurige toestand, het zoo goed te weten, het zoo goed te kunnen zeggen en —niets te doen. Ja men zal dit jaar weer naar de Synode gaan en weer het onmogelijke van haar verlangen. De "Gereforrmeerde Bond" zal aan de Synode eene wijziging voorstellen van art. 27 Regl. op het examen de z.g. proponentsformule, hierop neerkomende dat de woorden «overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Herv. Kerk hier te lande* vervangen worden door de woorden »naar uitwijzing van Gods Woord overeenkomstig de Formulieren van Eenheid. Daaruit kon dan volgen, n.l. wanneer de Synode eerst tot deze wijziging besloot, dat Vrijzinnige candidaten, die thans zonder gewetensbezwaar de proponentsformule kunnen onderteekenen, omdat zij beweren het Evangelie te prediken overeenkomstig de beginselen en het karakter der Herv. Kerk, het van af dat oogenblik niet meer zouden kunnen doen, om reden, dat zij alsdan in strijd met hun overtuiging zouden handelen. Daarmee zou tegelijkertijd aan het Vrijzinnig element in de Herv. Kerk den nekslag worden toegebracht, daar dit element zou moeten sterven door gebrek aan predikanten. Op die wijze kon dus de Herv. Kerk op de meest eenvoudige manier van de modernen en ethischen worden verlost.
Nu schijnt het, dat ook de Confessioneele vereeniging iets dergelijks aan de Synode zal voorstellen. Het verschil tusschen de beide voorstellen is: de Geref. Bond wil een Evangelieprediking «volgens Gods Woord overeenkomstig de Formulieren*, de Confessioneele Vereeniging wil diezelfde Evangelieprediking, «volgens de leer der Formulieren*.
In de practijk maakt dit niet veel verschil, hoewel de omschrijving van den Geref. Bond zuiverder en precieser is. Verder zal de Geref. Bond er bij de Synode op aandringen, dat er ook in de Belijdenisvragen zal worden gesproken van de tormulieren. In de eerste der thans geldende belijdenisvragen, wil hij tusschen de woorden «belijdt gij* en te gelooven in God den Vader, enz, tusschen voegen de uitdrukking «op grond van Gods Woord èn in overeenstemming met de belijdenisschriften ; der kerk, en de derde vraag evenzoo de woorden »in gehoorzaamheid aan Gods heilig Woord.*
Zooals men ziet krasse voorstellen. Raakt het eerste den candidaten in de Theologie, en wil men het door deze wijziging in de toekomst onmogelijk maken, dat Vrijzinnigen het predikambt in de Herv. Kerk aanvaarden, het tweede bedoelt. Vrijzinnige leden den toegang tot het lidmaatschap af te snijden. Want een vrijzinnig mensch kan niet belijden te gelooven in God enz. «op grond van Gods Woord en in overeenstemming met de drie formulieren van Eenheid. Met deze wijzigingen was dus de Vrijzinnige richting ten doode opgeschreven, en tevens de Herv. Kerk in ons vaderland ontbonden. Waren wij maar zoover, dat inderdaad die kerk in haar tegenwoordige formatie werd opgelost en dat alles wat op grond van Schrift en Belijdenis bijeen behoorde, bijeen kwam. Dan waren wij in ieder opzicht een stap vooruit. Het is natuurlijk dwaas te meenen, dat al is de a.s. Synode nog zoo orthodox, zij den moed zou hebben deze wijziging aan te nemen. Zij kan dat niet doen, ook al wilde zij. Wie den werkelijken toestand der Herv, Kerk kent, verbaast zich dan ook, dat verstandige en geleerde mannen met zulke voorstellen tot de Synode kunnen gaan. Dat is öf een gebrek aan kennis van den toestand der kerk na 1816 öf het is een zand strooien in de oogen der vergaderingen. Een derde zien wij hier niet. En de Synode legt de verzoeken eenvoudig naast zich neer.
Wij willen enkele dingen even opmerken.
Ds, Janssen van Leiden zegt dus:
1e. „aan de andere zijde staat de Gereformeerde Bond met zijn orgaan „de Waarheidsvriend", die «zeer sterk in de richting van een tweede Doleantie werkt.
Zou Ds. J. ook zoo vriendelijk willen zijn om dat even te bewijzen, wat hij hier zegt?
Dat de Geref. Bond naar verandering staat spreekt van zelf. Maar dat de Geref, Bond zeer sterk (zegge: zéér sterk), in de richting van een tweede Doleantie werkt, zouden we toch wel gaarne nader willen zien aangetoond,
2e, voert Ds. J. om verdacht te maken aan, dat „de Heraut" telkens wat uit „de Waarheidsvriend" overneemt.
Dat is napraten van Dr. Kromsigt.
Laten wij hierop eens mogen antwoorden, dat we geen enkele oorzaak daarvoor geven en dat het ons op heden nog geen schande is in „de Heraut" te worden genoemd. We zouden ons schamen als de N. Rott. Ct. b.v. onze artikelen met sympathie begroette, maar nu niet.
De kwestie is intusschen of hetgeen wij schrijven waar is, of 't overeenkomstig Schrift en Belijdenis is en of het dienen kan tot herstel van onze aloude Geref, Kerk,
Daar gaat het om!
Al het andere is laffe verdachtmaking.
Men moet met bewijzen komen en niet met verdachtmakende veronderstellingen,
3e. zegt Ds, J, „De mannen van den Geref. Bond zullen zich nog wel eens tweemaal, neen driemaal bedenken alvorens zij hun vette weiden prijs geven.
Men verstaat het in die kringen eens recht hartelijk — altijd op het papier - en van den kansel — over de breuke der kerk te klagen en tevens in die klacht zijn rust en gemak te vinden".
Hierin spreekt Ds. J, dus uit, dat de mannen van den Geref. Bond om de wille van het geld in de Herv, Kerk blijven en dat hun klacht niet verder gaat dan het papier en den kansel, daar ze verder hun rust en gemak nemen.
Hier stellen we eenvoudig ons protest tegenover en we spreken het uit, dat het ons diep smart, dat van de zijde van den Chr, Geref, predikant van Leiden, , waar geen enkel woord van bemoediging en instemming gehoord wordt, zulke lage beschuldigingen zonder eenig bewijs worden neergeschreven in „de Wekker",
4e, weet Ds. J, van onze voorstellen aan de Synode ook weer niets beters te zeggen dan: 't is of gebrek aan kennis van den toestand der Kerk na 1816 óf het is een zand strooien in de oogen der vergaderingen."
We hadden van Ds. Janssen andere woor den verwacht.
En we herhalen, dat het ons diep smart dat een man als de chr. geref predikant van Leiden nog niet tot een ander oordeel aangaande onzen Bond gekomen is.
Wat kan het ellendige kerkisme iemand toch parten spelen en heelemaal uit den weg brengen!
De Heere brenge nog eens bij elkander wat bij elkander hoort, in het midden van onze aloude Geref. Kerk, die staat op den bodem van Gods Woord; waar nu de breuke zoo groot is, maar waar de Heere nog niet geweken is met Zijn genade en Geest.
En zoo lang Hij er nog is, is er hoop.
Ook al zouden méér der broederen hun aangezicht met minachting afwenden van haar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's