De Indische Kerk.
I.
Onze lezers zullen zich nog herinneren hoe bij K. B. van 13 October 1910 eene Staatscommissie werd ingesteld om van advies te dienen omtrent de vraag: „welke maatregelen zullen zijn te nemen, om te komen tot herziening van de bestaande verhouding tusschen het Gouvernement en de Protestantsche Kerk in Nederlandsch-Indie met het doel, aan die Kerk door meerdere zelfstandigheid beter gelegenheid te geven zich naar den eisch van haar eigen leven in te richten."
De Staatscommissie bracht op 11 April 1913 hare taak ten einde en diende kort daarop het advies bij de Koningin in.
Wij hopen in dit nummer en in enkele volgende nummers een en ander uit het rapport van de Commissie mede te deelen.
De Commissie begint met een tweetal bezwaren onder de oogen te zien, die bij vorige gelegenheden tegen eene reorganisatie van de Indische Protestantsche Kerk werden aangevoerd. Die bezwaren golden toen voornamelijk de zich telkens herhalende snelle wisseling van de Europeesche leden der gemeenten en het zeer weinig ontwikkelde verkeerswezen. Die motieven acht de Commissie thans niet meer aanwezig. Wat het eerste bezwaar betreft omdat sinds 1905 in Nederlandsch-Indie de decentralisatie van bestuur met hare gemeenteraden en gewestelijke raden werd ingevoerd. En wat het tweede bezwaar aangaat, wijl de aanleg van spoor-en tramwegen en de ontwikkeling van de telegraaf het verkeerswezen in zulk een anderen toestand hebben gebracht dat zeer belangrijke verbeteringen zijn verkregen.
In een tweetal paragrafen worden verder belangrijke beschouwingen gegeven over het algemeen Protestantsch karakter der Indische Kerk en de grondslag der Algemeene Protestantsche Kerk. Daarbij wordt de vraag onder de oogen gezien: Welke geloofsbelijdenis zal als grondslag voor de georganiseerde Kerk zijn aan te wijzen?
De Commissie meent dat het het beste zijn zal de formule die thans bestaat: „de leer van het Evangelie overeenkomstig met het grondbeginsel van het Protestantisme" ook ten grondslag te leggen aan de gereorganiseerde Kerk.
Omtrent de vraag of het niet wenschelijk zou wezen, dat de Algemeene Protestantsche Kerk op dezen grondslag een geloofsbelijdenis uitwerkte, waarin nader omschreven werd, wat zij onder de leer van het Evangelie en het grondbeginsel van het Protestantisme verstaat, daarover deelt de Commissie mede, dat de gevoelens harer leden uiteengingen.
Sommige leden — zoo schrijft het Rapport — zijn van oordeel, dat zulk een nadere omschrijving zeer gewenscht zou zijn, vooreerst omdat de Christelijke Kerk, vooral te midden van een heidensche bevolking, geroepen is haar geloof klaar en duidelijk te belijden, wat in genoemde formule zeker niet gedaan wordt, in de tweede plaats omdat, al achten zij genoemde formule op zichzelf niet onjuist en al meenen zij, dat met deze formule, mits in historischen zin opgevat, het Christelijk en Protestantsch karakter der Indische Kerk wel gehandhaafd kan worden, ze toch vreezen, dat bij de subjectieve opvatting, die velen van de „leer van het Evangelie" en het „grondbeginsel van het Protestantisme" hebben, deze formule een dekmantel zal kunnen worden' om allerlei godsdienstige richtingen, die naar hunne overtuiging zoowel met de leer van het Evangelie als met de beginselen van het Protestantisme in strijd zijn, in de Kerk vrij, spel te laten. Waarbij in de derde plaats komt, dat deze vage en weinig belijnde formule bij de oefening van de tucht tot allerlei willekeur aanleiding zal geven. Andere leden zijn daarentegen van oordeel, dat zulk een nadere omschrijving niet gewenscht is, omdat zij bedoelde formule volkomen genoeg achten, vreezen dat van zulk een nadere omschrijving het gevolg zou wezen, dat vele leden de Protestantsche Kerk zouden verlaten, terwijl zij eindelijk oordelen dat zulk een nadere omschrijving ook in strijd zou wezen met de overeenkomst door de Protestantsche gemeente te Batavia met de Evangelisch-Luthersche gemeente aldaar gesloten.
Bij dit verschil van gevoelen verklaart de Commissie eenparig van oordeel te zijn, dat in alle geval de Regeering niet geroepen, noch in staat is zulk een nader uitgewerkte geloofsbelijdenis aan de Protestantsche Kerk in Indie voor te stellen en nog veel minder haar die op te leggen, weshalve dienaangaande de Commissie ook geen voorstel doen kan. De Regeering kan daarom niet anders doen dan van den bestaanden grondslag uitgaan, die dan echter uitdrukkelijk in het Algemeen Reglement worde uitgesproken: „ De Godsdienstleer der Algemeene Protestantsche Kerk is die van het Evangelie, overeenkomstig het grondbeginsel van het Protestantisme."
Belangrijk is het op te merken dat de commissie de Kerk in Indië bevoegd acht, zoodra, zij tot zelfstandigheid geraakt is den bestaanden grondslag te wijzigen of op den genoemden grondslag een nader omschreven confessie vast te stellen.
Thans overgaande tot het voorstellen van eene nieuwe organisatie, schrijft de commissie:
. De weinig bevredigende toestand waarin de Indische Protestantsche Kerk verkeert, moet'daaraan worden toegeschreven, dat die Kerk niet op eene hechte basis rust, of met andere woorden dat van de plaatselijke gemeenten geen voldoende kracht uitgaat. Voornamelijk is dit weer een gevolg van de tegenwoordige organisatie, welke een sterk centraliseerend karakter draagt, en een gezonde ontwikkeling der gemeenten belemmert, doordat zij dezen, niet alleen allen invloed op den algemeenen gang van zaken onthoudt, maar ook, waar het hare directe belangen geldt — zooals bij de aanwijzing van den voorganger — de beslissing niet aan de gemeenten laat.
Verbetering in dezen toestand is alleen denkbaar bij eene organisatie, welke van geheel andere beginselen uitgaat. De Algemeene Protestant-Kerk behoort van onderop te worden opgebouwd op den grondslag van het vertegenwoordigend stelsel, terwijl het tegenwoordig door de Regeering aan de Kerk opgelegd bestuur zal moeten plaats maken voor een ander, dat uit de Kerk zelve is voortgekomen.
Dit stelsel brengt in de eerste plaats mede, dat de gemeenten tot ontwikkeling en zelfstandigheid worden gebracht en daarnevens, dat behalve een algemeen bestuur der Kerk, lagere besturen in het leven worden geroepen, die de belangen behartigen van de tot hun ressort behoorende gemeenten.
Staat thans elke gemeente op zichzelf, bij de gedachte organisatie worde een band geegd, allereerst tusschen de gemeenten onderling, die binnen hetzelfde predikantsressort voor de Inlandsche gemeenten : predikersessort — gelegen zijn.
Verschillende in elkanders nabijheid gelegen gemeenten of ressorten worden verenigd tot classen.
Terwijl het bestuur over de gemeenten worde uitgeoefend door de Kerkeraden — Breede Kerkeraden, wanneer het geldt êen gemeente met een of meer bijgemeenten, worde de behartiging van de belangen Ier gezamenlijke gemeenten in een ressort opgedragen aan een Ressortale Vergadering, - die van de gezamenlijke gemeenten en ressorten eener classe, aan een Classikale vergadering, — en die van de Kerk in haar geheel aan eene Synode.
Voor den tijd, dat de Ressortale Vergadering, de Clasiikale Vergadering en de synode niet bijeen zijn, worde door elk van deze vergaderingen eene commissie benoemd: de Ressortale Commissiën, de Classikale ommissiën en de Synodale Commissie, teninde de belangen te behartigen respectieelijk van elk der ressorten, der classen en van de Kerk in haar geheel.
Eindelijk is de Commissie van oordeel dat de Indische Kerk, zal de voorgestelde reorganisatie tot werkelijk heil harer leden strekken, de band met de Vaderlandsche Kerkgenootschappen dient te versterken, door bemiddeling van een in Nederland saam te roepen Commissie van Bijstand, waarvan de leden worden aangewezen door die Kerk en door de Kerkgenootschappen hier te lande, die bij de Indische Kerk belang hebben, en welker werkkring hieronder in bijzonderheden nader zal worden omschreven.
In groote trekken is dit de organisatie, welke de Commissie voor de Algemeene Protestantsohe Kerk in Nederlandsch-Indie doelmatig acht. De verschillende onderdeelen mogen thans elk afzonderlijk nader in beschouwing genomen worden.
{Wordt vervolgd, )
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's