Stichtelijke overdenking.
Uw oor zal opmerken, om den wees en verdrukte recht te doen. Ps. 10; 17b en 18a.
Medelijden met hetgeen arm en hnlpbehoevend is.
Toen de Caesars heerschten aan de boorden van den Tiber, was Rome het centrum van' wereldlijke macht.
De legioenen gingen uit, veroverend de landen, die zich uitbreidden in een reuzencirkel rondom de stad met de zeven heuvels. De heirbanen werden in gereedheid gemaakt, om als stralen uit de schitterende wereldstad zich te verlengen tot in de wouden en moerassen van Germanje; om zich uit te strekken tot waar de zon rees in het Morgenland en tot de boorden van den Indus; om zich te verliezen in de brandende woestijnen van Sahara om.te stuiten tegen de Atlantische wateren, waar de zon haar glanzen dooft.
Daar is iets bekoorlijks in de aardsche macht, afschaduwing als ze is van de Sterkte des Almachtigen, die boven de wolken zetelt.
Maar wat een onderscheid tusschen de wereldmachten en God Almachtig!
Want gaan de stralen van des menschen heerlijkheid slechts in horizontale richting en gaan ze niet eens tot de einden der aarde, de Almacht Gods straalt van boven naar beneden en gaat tot de einden van het heelal.
Is de heerlijkheid des menschen er steeds op uit om heerlijkheid aan heerlijkheid toe te voegen, door veroverend om zich heen te grijpen en al de aardsche grootheid tot een te vergaderen, de heerlijkheid Gods openbaart zich om nederwaarts te klimmen op de aarde, om te geven hemelsche weldadigheden, en de goddelijke vleugelen uit te breiden over het verdrukte, nederige en verachte.
En bij den mensch is tenslotte niets dan teleurstelling — bij den Heere een klimmen van genade en heerlijkheid.
Een Alexander de Groote, de Caesars van het Rome in zijn grootheid, een Napoleon, moeten zich gevoeld hebben te zijn het centrum der wereld en de overwinnaars der aarde.
Kloos, die het Al begrepen had, waande zich God toen zijn wijsheid geklommen was tot duizeling wekkende hoogte.
Volkeren en goden saam trekt de mensch onder zijn heerschappij en macht.
En toch — hun heerlijkheid verliest zich in het zand eener Sahara, in de puinhopen van de wereldsteden, tusschen de rotsen van een eenzaam eiland, in vertwijfeling.
Nietzsche eindigde met krankzinnig te worden en te zitten in een kinderstoel.
Niet alzoo met Gods grootheid, die zich openbaart in de overgave van Zijnen lieven Zoon, om toe te brengen en te vergaderen wat verloren is.
Zijn heerlijkheid, afklimmend van den hemel in Hem, die geen gedaante of heerlijkheid heeft, vermeerdert met den dag, in de toebrenging van arme zondaren.
En zoo komt Zijn koninkrijk. Zijn wereldrijk, van dag tot dag en van jaar tot jaar, met glorie voor Sions Koning, Wiens Naam van kind tot kind wordt voortgeplant.
Gods heerlijkheid is groot waar Hij zich ontfermt van den hemel om dag aan dag te zoeken wat verloren is.
Héél anders dan aardsche vorsten bedenken om hun koninkrijk te bevestigen en groot te maken doet de Heere, de God des hemels en der aarde, die den hemel der hemelen tot Zijn troon heeft en de aarde tot een voetbank Zijner voeten.
Of is Jezus niet gezalfd tot Koning over een arm en ellendig zondaarsvolk?
En hebben Gods knechten niet het bevel om uit te gaan in de heggen en in de stegen, om te vergaderen wat verloren is?
VVonderlijk werkt de Heere om Zijn heerlijkheid en roem groot te maken.
Is Jezus niet de ziels-Bruidegom van een volk, dat zwartachtig is als de tenten van Kedar, Zelf dragende een kleed met bloed besprenkeld ?
Is Hij niet de aanvoerder van lieden, die benauwd van harte zijn, wier ziele bitterlijk bedroefd is en die door een schuldeischer worden vervolgd. Zelf torschend een kruis?
Is Hij niet de groote Salomo, die de armen en nooddruftigen wil verschoonen en de zielen, der nooddruftigen verlossen, Zelf dragend een doornen kroon?
En wil de Heere niet, dat die roem van Hem zal uitgaan, dat Hij zich ontfermt over degenen die geen helper hebben?
Spreek de koningen der aarde eens van een rookende vlaswiek en van een gekrookten rietstengel — en ze lachen om uw dwaasheid.
Kan zulks eere brengen aan degenen, die in purper gekleed gaan?
Immers neen!
En ziet, het is de roem van Sions Koning om naar dezulken om te zien, zoolang er de zon is. (Ps. 72).
Ook op ander gebied toont de Heere Zijn grootheid wonderlijk, door zich te ontfermen over den arme en den verdrukte, en daardoor Zich roem te vermeeren en Zijn Naam te verheerlijken.
Oud-Israël wist er van te gewagen.
0! zegt de dichter van Ps. 113 niet „die den geringe uit het stof opricht en den nooddruftige uit den drek verhoogt."
Staat in Ps, 138 niet te lezen: „Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij den nederige aan en den verhevene kent Hij van verre."
En in Ps. 140: „ik weet, dat de HEERE de rechtzaak der ellendigen en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren."
Of in Ps. 147: »Die den verdrukte recht doet, die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los."
Wilt Gij een lied zingen ter eere van den God der goden die wonderen doet?
Doet het met woorden ontleend aan Jes. 57:15: Want alzoo zegt de Hooge tn Verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden."
En o! voeg er dan bij „God is een Vader der weezen en een Rechter der weduwen. God in de woonstede Zijner heiligheid. Op U verlaat zich de arme. Gij zijt geweest een helper van den wees. Uw oor zal opmerken, om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mensch van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven." (Ps. 68 : 6 en Ps. 10 : 14, 18).
Ja, dat is de grootheid en de eere des Heeren om uit Zijn machtig paleis Zijn armen uit te breiden nederwaarts tot de ellendigen, om zóo Zich Naam te maken tot in eeuwigheid.
Sla Deut. 10:17, 18 en 19 maar op en Gij leest: Want de HEERE, uw God, is een Ged der goden en een Heere der heeren ; die groote, die machtige, die vreeselijke God — die het recht van den wees en van de weduwe doet, en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleeding geve."
Is dat niet zoo?
Wanneer Hagar dwaalt met haar zoon in de woestijn en Ismaël moe en uitgeput neervalt, dan doorkruist de ongelukkige moeder radeloos de mulle paden der eindelooze zandzee en vliegt door de uitgestrekte grasvlakten, om te zoeken water tot lafenis voor haar kind, maar hoe zij zoekt, zij vindt niets, hoe zij roept, er is niemand die antwoordt. En Ismaël zou zeker ellendig gestorven zijn, indien de Heere niet was de God, die zich ontfermt over de ellendigen. Want we lezen in Gen. 21:17 „En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel: Vrees niet, want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is. En God opende hare oogen, dat zij een waterput zag en zij ging en vulde de flesch met water en gaf den jongen te drinken."
Let ook maar op Hadassa — deze is Esther — die in een vreemd land wonend haar vader en moeder verloor, zoodat zij als wees overbleef in Perzië.
En toen ontfermde zich de oom haars vaders, welke is Mordechaï, over haar, om haar in zijn huis op te nemen en haar op te voeden — waarover de Heere Zijn zegen gebiedt.
En wat mag Job van zich zelf getuigen, dat hij deed, toen hij rijk en welvarend was ?
Hij zegt het zelf in hoofdst. 29 „och of ik ware, gelijk in de vorige maanden .. .. toen ik den ellendige bevrijdde, die daar riep en den wees, die geen helper had" (vers 12).
Waarom wij deze dingen nog weer eens zeggen? -
Niet omdat we het nog nooit gehoord hebben:
Maar om nog weer eens de glorie te vermelden van' den God der goden, die zich ontfermt over den ellendige. Waarvan de dichter van Ps. 102 zegt: dat zal beschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven: omdat Hij uit de hoogte Zijns Heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben, om het zuchten der gevangenen te hooren, om los te maken de kinderen des doods."
Alsook, omdat wij, christenen, zoo geneigd zijn deze dingen te vergeten en niet gedachtig te zijn aan het woord, dat de Heere tot Oud-Israel sprak: Gij zult uwe hand mildelijk opendoen aan uwen broeder, aan uwe bedrukten en aan uwe armen in uw land" Deut. 15:11. Of wat Jacobus, de apostel des Nieuwen Testaments aldus uitdrukt: de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking en zich zelven onbesmet bewaren van de wereld." Jac. 1:27.
De Spreukendichter zegt: „de rechtvaardige kent het leven van zijn beest" (12: 10), maar hoe menig vader of moeder kent het leven niet van zijn kind, niet beseffende dat het kind moet worden opgevoed en onderwezen overeenkomstig Gods Woord. Dan wordt aan dat hulpelooze, zwakke kind, dat zich zelf niet helpen kan, onthouden wat dat kind noodig heeft voor de geestelijke ontwikkeling, wat dat kind behoeft voor de ziel, wat dat kind noodig heeft om God recht te leeren kennen. Hem te dienen en te prijzen.
Hoe menig christen gedenkt den armen niet en onthoudt aan hen, die de Heiland ons naliet, het deel dat hen toekomt.
Hoe weinigen gevoelen nog iets voor den arbeid der dienende en zoekende liefde, onder kranken en ellendigen, onder armen en verdrukten?
Hoe velen denken niet aan de krankzinnigen, de idioten, de stommen, dooven en blinden ?
Hoe weinigen breiden hun armen uit naar degenen die wankelen en dreigen te vallen?
Heeft de Heere het in Zijn Woord dan niet anders geleerd?
O! er ligt zoo groote zaligheid in, om zelf als een arme en ellendige te vluchten tot den Heere en te mogen ervaren, dat Hij troost geeft aan de bedroefden en hulpe aan de ellendigen.
Wie met zondeschuld beladen werd uitgered, door Hem Wiens Naam Ontfermer is, weet hoe groot de genade Gods is aan zondaren geopenbaard.
Maar die hoort ook des Heeren woord: daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland" Deut. 10:19.
Genade maakt werkzaam en mededeelzaam.
Daarom is het - ware christelijke geloof meer werkzaam dan al het andere der wereld en zijn kracht overtreft alles.
Van uit het midden der christelijke gemeente, , waar men kennen mag Gods genade en ontfermen, samen belijdend: „genadig en barmhartig is de HEERE langmoedig en groot van goedertierenheid. De HEERE is aan allen goed en Zijne barmhartigheden zijn over al Zijne werken" (Ps. 145) moeten, de werken der barmhartigheid zich uitbreiden in een reuzencirkel en de straten der liefde moeten zich verlengen tot in de heggen en stegen, in de weeshuizen en krankzinnigen-inrichtingen, in de instituten voor dooven en stommen en idioten.
Waar het Kruis gekend mag worden, daar moet barmhartigheid geschieden.
En dat niet alleen met woorden, neen! met de daad zal het moeten bewezen worden, door het geloof in Hem die dood geweest is maar nu leeft, zeggende: „mijne genade is u genoeg, mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht."
Zoo is des Heeren volk vol ontferming, zelf barmhartigheid ontvangen hebbend.
Zoo is Sion sterk, door Hem die krachten geeft allen die op Hem betrouwen en nooit beschaamt degenen die op Hem hopen en naar Zijne bevelen vragen, om dien te doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's