Uit het kerkelijk leven.
De Gereformeerde Kerk en het Volksleven.
VII.
Onvernietigbaar staat daar de Kerk des Heeren, die God zelf fundeerde op den eenigen en eeuwigen hoeksteen Jezus Christus.
Neen, de poorten der hel zullen de Gemeente Gods niet kunnen overweldigen.
Laten uit al de poorten van de helleburcht de geesten des Satans uittrekken, om Christus' Kerk te bestooken en haar van alle kanten aan te vallen — de Heere heeft beloofd: Mijn Gemeente zal niet overweldigd worden!
En welhaast zal Satan onder Gods Voeten vertreden worden en Sion zal heerschen en zitten op 12 troonen, oordeelende de 12 geslachten. En het zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waarop gerechtigheid heerscht.
Maar ... zoover is het nog niet.
Ea aan de Kerk des Heeren kan zoo onnoemelijk veel schade gedaan worden, door de listen en aanslagen van Satan; door het binnensluipen van booze geesten; door het binnentrekken van allerlei zonde en gruwel en afwijking van 's Heeren geboden.
Job wordt niet vernietigd in het midden van Satans woeden om Gods kinderen te verslinden.
Elia en 7000 blijven bewaard in de dagen van Achab, waarin bijna geen mensch het zonde en schande vond om de knie voor Baal te buigen.
De Heere bewaart de Zijnen. Hij heeft hun namen ook in Zijne beide handpalmen ingegraveerd !
Maar dat neemt niet weg, dat het er voor de strijdende Kerk op aarde ellendig zal uitzien, wanneer de zonde over haar heerscht en zij zich kromt onder het juk van een vreemden overheerscher.
En o! daar heeft de Kerk des Heeren zoo voor te waken, dat zij zich toch openbare als de heilige Kerk, die afgescheiden van de wereld, op eigen terrein staande, den Heere erkent als Wetgever, Koning en Rechter.
Want dan zal zij staan als een pilaar en vastigheid der waarheid, dreigende goddelijk licht op den Kandelaar — terwijl zij anders, smakeloos zout geworden, uit haar stand en uit haar plaats wordt uitgestooten, door Hem, die een jaloersch God is.
Iets — waaraan bizonderlijk in ónze dagen wel met ernst mag worden herinnerd.
Want-Christus' Kerk heeft een hooge. Goddelijke roeping op aarde te vervullen.
In haar midden is de zaligheid in Jezus Christus en als een gezegende moet zij zegenend rondgaan op alle terrein des levens — haar voeten richtend tot in de verste heidenlanden, om daar bekend te maken den eenigen Naam, die onder den hemel tot zaligheid is geopenbaard..
Maar alleen die Kerk, die waarlijk de Kerk van Christus is, dragende de kenmerken in Gods Woord vervat, die Kerk zal tot zegen kunnen zijn, omdat zij zelve dan den zegen mag ontvangen door Hem, die altijd met haar is.
En welke zijn dan die kenmerken van de ware Kerk?
We weten het: de Kerk zal zich in alles wél moeten aanstellen, niets wetende dan de waarheid naar Gods Woord.
De Kerk zal moeten hebben de reine prediking-van Gods dierbaar getuigenis en de rechte bediening der sacramenten van Doop en Avondmaal, zooals Christus dat verordineerd heeft.
De Kerk zal moeten oefenen de christelijke tucht, naar uitwijzen van Gods Getuigenis.
Naar goddelijk model zal zij ingericht moeten zijn — zooals in ons Vaderland de Gereformeerde Kerk van ouds beleden heeft, al heeft zij het helaas! lang niet altijd beleefd.
Niet een mensch moet haar hoofd zijn, zooals bij Rome. Niet een mensch de drager van de hoogste waarheid, zooals de Paus. Christus is het Hoofd der Gemeente en Gods Woord is de lampe voor den voet en het licht op het pad.
„Christus tot aanvoerder en Gods Woord tot licht, " dat was de gulden spreuk van onze Geref. vaderen, hoewel in de practijk helaas dikwijls daarvan afgeweken werd.
Want het oog dwaalde zoo gemakkelijk af naar' den mensch, naar de machthebbers der wereld, naar de rijken en de aanzienlijken — en leunend op dien arm is altijd Gods dreigement in vervulling gegaan: „vervloekt is een iegelijk die vleesch tot z'n arm-stelt".
Het oor luisterde zoo gaarne naar de stem van het practische leven en naar de raadgevingen van het profijt. Maar telkens wanneer men; luisterend naar die stem, afweek, moest men ervaren, dat ieder die Gods lampe bluscht in het duister gaat en zich aan steenen stoot en schande oogst.
Als een uitverkoren, heilige erve heeft de Kerk des Heeren te staan in het midden der natie.
Als een klein kuddeke in het midden van het volk.
Om dan, dragende de lampe van Gods Woord, hebbende de woorden des eeuwigen levens en de zalving des Heiligen Geestes, tot zegen te zijn voor héél het volk.
Niet het volk binnenhalend, om dan tegelijk de eischen Gods voor de Kerk ie veranderen ; te veranderen in de prediking', te veranderen in de sacramentsbediening, te veranderen in de oefening van de christelijke tucht. Want meende men zóo te winnen, verlies was het gevolg.
Meende men zoo tot grootheid en eere te komen, schade en schande was weldra het deel.
Meende men zoo tot vastigheid en sterkte te komen — als een riet werd men spoedig heen en weer bewogen, door alle wind van leer.
Meende men zoo een hecht paleis en een sierlijk huis te zijn — een koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, was de practijk.
Meende men zoo een zegen te brengen over de natie — de zegen bleef uit en de natie keerde haar den rug toe.
Ongelukkig komen de wegen der menschen altijd uit, wanneer men z'n pad niet zuiver houdt naar het Woord.
En onze. Gereformeerde Kerk heeft het zoo goed geweten !
Zij heeft het geweten, dat het niet gaan mocht, gelijk in de Roomsche Kerk, met aanbidding der heiligen, met vergeving der zonden door den priester", met vereering van den Paus, als stedehouder van Christus, met het aanroepen van de Maagd Maria.
Van die dwalingen gezuiverd, begeerde zij als de Gereformeerde Kerk te leven in het midden van Nederland, teruggekeerd tot de Bijbelsche waarheid, tot het Woord des Heeren, tot den Christus Gods.
En tegenover de Remonstranten heeft zij het kloek beleden, dat de hebbelijkheid des geloofs niet in den deugdzamen mensch gelegd mag worden ; dat de souvereiniteit Gods niet opzij gezet mag worden voor de aanspraken van den mensch en dat de gangen des Koninkrijks niet paar uitwijzen van het schepsel gaan.
Kloek heeft zij beleden dat zij niets anders wenschte te weten, dan wat de Heere in Zijn Woord ons heeft bekend gemaakt. En tegenover degenen, die in haar midden geboren waren en in haar midden wenschten te blijven, maar niet met haar gereformeerde belijdenis instemden, dorst zij te verklaren, dat haar de sleutelmacht was gegeven door haar Koning, Jezus Christus, waarvan zij gebruik moest maken in „de verkondiging des heiligen evangeliums en bij den christeiijken ban of de uitsluiting , uit de christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den geloovigen open gedaan en den ongeloovigen toegesloten wordt." (Heid. Cat. Zondag 31.)
Het ging dus om Christus.
Het ging om de handhaving van de heerschappij van Gods Woord in de Kerk, tegenover Rome èn tegenover Arminius.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's