Stichtelijke overdenking.
Dat late de Heere verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zoude. 1 Kon. 21:3.
De erve onzer Vaderen.
Daar zijn soms menschen met wien wij langen tijd in ons leven verkeeren kunnen en die wij dan nog niet leeren kennen. Daarentegen zijn er anderen die door één woord te spreken reeds toonen wie zij zijn.
Tot deze laatsten behoort ongetwijfeld Naboth, de man, die de hierboven geschreven woorden gesproken heeft. Deze woorden toch zijn de eenige die ons van hem zijn bewaard, maar uit die weinige woorden kunnen wij genoegzaam opmaken wie hij was.
Zooals we weten heeft Naboth geleefd in een tijd, die voor Israels volk een zeer droeve tijd is geweest. Het was een tijd waarin men meer dan ooit den Heere had verlaten, waarin men zich had vervreemd, wijkende achterwaarts. Niet alleen immers dat de zonde van Jerobeam nog steeds bleef voortbestaan, maar, alsof dit een geringe zaak was, had Achab, de zoon van Omri, zich bovendien overgegeven aan Izebel, de fanatieke koningsdochter van het afgodische Sidon, en haar ten gelieve had hij den dienst van Baal in Israel ingevoerd.
Toch had de Heere ook in die dagen onder Zijn volk nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Aan Elia was het gezegd dat de Heere zich nog. zevenduizend had doen overblijven, allen knieën die zich voor Baal niet hadden gebogen en allen mond die hem niet had gekust.
Tot die zevenduizend nu heeft ongetwijfeld ook Naboth behoord. Uit de woorden, die ons van hem bewaard zijn, blijkt duidelijk dat hy een man was, die in eenvoudigheid des harten zijne knieën voor den God der vaderen boog, een man die rekening begeerde 'te houden met de inzettingen en met de rechten des Heeren. Ja, Naboth was een der weinige getrouwen, die nog in Israel waren overgebleven ; hij was iemand wien het door genade. een behoefte, een drang des levens was geworden dat zijne wegen gericht wierden om te betrachten de inzettingen Gods. Hij was een dergenen in wien de Geest des Heeren — want van nature was ook hij daar een vreemdeling aan — een vermaak gelegd had in de Wet Gods naar den inwendigen mensch.
En dat vermaak in de Wet Gods was de oorzaak dat Naboth de bekende woorden gesproken heeft. De aanleiding tot dat moedig getuigenis is ons allen bekend. Achab heeft in zijn paleis te Jisreël zijne tuinen overzien en nu is de gedachte bij hem opgekomen zijn lustslot uit te breiden door er een terrein bij te trekken dat aan Naboth toebehoort. Weldra is deze dan ook ten paleize ontboden en het aanbod van Achab schijnt zeer aannemelijk te zijn. Naboth toch kan er een wijngaard voor krijgen die beter dan de zyne is, of als hij dat liever wil, zal hem de waarde van zijn wijngaard in geld worden toegewogen.
Oppervlakkig beschouwd zouden wij dus zeggen: het kan door Achab niet beter voorgesteld worden. Naboth immers kan niet alleen blijven wat hij is, maar hij kan er zelfs beter, veel beter van worden. O wat zouden vele menschen, als zij in Naboths plaats hadden gestaan, het voorstel van Achab gretig hebben aanvaard. En toch Naboth aanvaardde het niet. Waarom niet? Naboth heeft het daarom niet aanvaard, omdat hij dan in strijd was gekomen met de rechten des Heeren, met die wet, waarin hij naar den inwendigen mensch een vermaak bezat. De wijngaard van Naboth immers behoorde tot de erve zijner vaderen, d. w. z. tot dat goed dat hij van zijn voorgeslacht had overgeërfd. En zulk een erfenis mocht, naar het uitdrukkelijk bevel des Heeren in Leviticus 25 en Numeri 36, niet worden vervreemd. Was men soms wegens armoede genoodzaakt het te verkoopen, dan kwam het toch in het jubeljaar weer aan de familie terug. Dat gebod des Heeren, in zijn letterlijke beteekenis natuurlijk slechts voor Israels volk in de bedeeling der schaduwen van kracht, was ook aan Naboth bekend. Als een goed Israëliet had hij ook dat gebod lief meer dan goud, ja meer dan het fijnste goud, had hij ook dit bevel voor recht gehouden. Maar dan kon het ook niet anders of ook in dezen moest alle valsche pad door hem gehaat. Vandaar dat hij ook welbewust en met beslistheid het aanbod van Achab van de hand heeft gewezen, zeggende: „dat late de Heere verre van mij zijn dat ik u de erve mijner vaderen geven zoude."
Dit antwoord van Naboth moet eens een oogenblik goed door ons ingedacht worden. Naboth toch zegt niet: ik zal u de erve mijner vaderen niet geven. Want ach, Naboth die zichzelven kende, hij zal het zeker ook in die oogenblikken wel gevoeld hebben, als hij het had moeten doen, dan zou hij zeker het aanbod van den koning niet hebben afgeslagen. Naboth toch kende zijn hart. Hij wist dus dat dat uit zichzelve arglistig genoeg was om het gedane voorstel te aanvaarden en dan de aanvaarding er van desnoods nog met een vromen schijn te bedekken. Vandaar dat hij er zich zelf maar buiten laat en dat zijn antwoord den vorm krijgt van een gebed. Naboth is er dus, blijkens zijn antwoord, diep van doordrongen, dat hij alleen in de kracht des Heeren het verleidende voorstel van Achab zal kunnen weerstaan. Alleen staande in de mogendheid van zijnen God kon hij onverzettelijk zijn in zijne weigering om de ervé zijner vaderen te missen.
Zoo zag Naboth in de erve zijner vaderen een geestelijk goed. Zeker, die wijngaard op zichzelf was en bleef een stoffelijke zegen. En gelijk alle stoffelijke zegeningen, zoo zou ook deze wijngaard slechts tijdelijk zijn. De wijngaard had dan ook alleen zoo groote waarde voor hem, omdat hij de erve zijner vaderen en alzoo het voorwerp was van de inzettingen en de ordinantiën Gods. Alleen om 's Heeren wil heeft Naboth van zijn erfdeel zelfs tegenover koning Achab geen afstand gedaan.
Edoch, de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Vandaar dat Achab ook niet begreep, waarom Naboth zoo halstarrig weigerde op zijn voorstel in te gaan. Achab verstond niet, waarom die erve zijner vaderen. voor Naboth zoo dierbaar was. Het was hem een raadsel dat het verkoopen van een wijngaard nu iets met den wil des Heeren te maken kon hebben. Dat was toch, dacht Achab - en velen denken het met hem -een zaak waar men den Heere beter buiten kon laten. Wanneer het nu nog een zaak gold betreffende het heil zijner ziel, dat Naboth dan zijn beginsel niet verloochend en zijn overtuiging niet prijsgegeven zou hebben, zie, dat was nog eenigermate te begrijpen geweest. Maar nu het ruilen van een wijngaard, stond God nu niet veel te hoog en was hij, meende Achab, niet veel te heilig om daarin betrokken te worden?
Die Naboth was dan toch ook een — in de oogen van Achab — onuitstaanbare man! Zoo overal Gods Woord bij te halen, tot zelfs in de meest alledaagsche dingen den Heere te betrekken, neen, met zulke menschen viel voor Achab niet te eggen of te ploegen. En zoo was Naboth nu ook, zoo'n echte drijver, die nu eens nooit van toegeven wist, en altijd maar voet bij stuk wilde houden!
Was het wonder dat iemand met de prikkelbare natuur van Achab toornig en gemelijk werd ? Want inderdaad, Naboth was een man, met wien de wereld niet lang saam kon wonen. Naboth was zoo heelemaal geen man, die het al goed vindt, als de helft plus één het maar wil, of als de een of andere hooggeplaatste in de wereld het maar wenscht. Naboth wist dat de wil van een ander voor hem wet was geworden, en als nu met dien wil de eisch der menschen in tegenspraak was, al waren die menschen dan nog zoo talrijk of nog zoo voornaam, dan wist hij dat hij aan den wil van dien éénen te gehoorzamen had.
En zoo is het nog. Wanneer we dan ook te dien opzichte iets van Naboth bezitten, dan kan het niet anders, dan vindt de wereld ons onuitstaanbaar, dan verdragen de kinderen dezer wereld ons niet. En als Achab dan in zijn toorn zijn aangezicht omwendt, dan is er allicht een Izebel die haar pijlen scherpt om in 't verborgene te schieten naar de oprechten van hart.
De afloop van deze geschiedenis is overbekend. Izebel toch heeft met haar man, den laffen en karakterloozen Achab gespot. Wat, is hij een koning en zal hij zich door zoo'n vromen dweper laten ontzeggen wat zijn hart begeert? Dan zal zij toonen wat men met zulke lastige en onuitstaanbare menschen moet doen.
In Achabs naam heeft zij weldra brieven verzonden tot de oudsten en tot de edelen der stad, In die brieven heeft zij een vasten doen uitroepen, heeft zij zich dus voorgedaan, alsof zij het met den dienst des Heeren zeer ernstig nam. Precies zooals de wereld zich in onze dagen nog zoo menigmaal voordoet, alsof de belangen van de Kerk des Heeren haar zeer ter harte gaan. Maar bij al haar gehuichelde liefde voor den dienst van Jehovah is Naboth straks het slachtoffer geworden van de meest lage hebzucht die er bestaat. Twee belialsmannen immers zijn spoedig gevonden en na de valsche beschuldiging dat hij God en den koning had gelasterd, is Naboth weldra de ban, die uit het midden van Israels volk wordt weggedaan.
In den ongelijken kamp tusschen Achab en Naboth had dus schijnbaar Achab het gewonnen, en is de nederlaag aan de zijde van Naboth geweest. Ja, schijnbaar was dit zoo, maar in 'werkelijkheid was het juist andersom. Naboth immers, die hier om 's Heeren wil van de erve zijner vaderen geen afstand wilde doen, heeft straks een andere erfenis ontvangen, want hij was een erfgenaam Gods; dus was hij ook een mede-erfgenaam van Christus en. zoo is hij straks deelgenoot geworden van die onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in den hemel voor hem weggelegd was. Achab daarentegen heeft door deze misdaad, aan Naboth gepleegd, de maat zijner ongerechtigheden vervuld. Door deze daad was zijn gruwel tot rijpheid gekomen. Vandaar dat straks op ditzelfde stuk land van Naboth de profeet Elia hem ontmoet, om het schrikkelijk oordeel des Heeren hem aan te kondigen. En het is ons allen bekend op welk een vreeselijke wijze dat oordeel straks, zoowel aan Achab als aan Izebel, voltrokken is.
Was de winst van Achab dus, toen het er op aankwam, verlies, het verlies van Naboth is voor hem winste geweest.
En zoo nu gaat het ook in den strijd om de erve der vaderen, die daar in onze dage wordt doorgemaakt. Immers al is de vorm verschillend, het kan u niet onbekend zijn dat het wezen van den strijd voor het volk des Heeren van alle eeuwen hetzelfde is. De vorm verschillend! Immers de martelaarskroon, die Naboth voor de erve zijner vaderen heeft gedragen, wordt van ons niet geëischt. Zeker, wij kunnen onszelf wel martelaar maken, maar, daarmee zijn wij 't nog niet. De scherpste pijlen, die tegenwoordig door de eerlooze handlangers van Izebel worden afgeschoten, bestaan slechts in wat laster en smaad. Reeds daaruit blijkt dat de vorm verschillend is. Maar wat het wezen betreft is de strijd van een ieder die God vreest, dezelfde strijd dien Naboth met Achab doorworstelen moest.
Of gaat het ook thans niet om de erve der vaderen? Neen, die erve der vaderen bestaat voor ons niet in een zeker stuk lands, in een wijngaard die van ons opgeëischt wordt. In den grond der zaak was het dat voor Naboth ook niet. Immers we hoorden hoe zijn hart alléén aan dien wijngaard gehecht was om 's Heeren wil, om den wille van het woord van Zijnen God.
En dat nu is de inzet van den machtigen strijd der geesten, die ook in onze dagen wordt doorgemaakt. De erve onzer vaderen, dat is voor ons het Woord des Heeren, dat zijn voor ons de rechten en de inzettingen Gods. Voor dat Woord toch hebben onze vaderen geofferd hun goed en hun bloed. Neen, niet zooals het wel eens wordt voorgesteld voor een uitwendige kerkvorm, maar voor de Waarheid van Gods onbedriegeljjk getuigenis, daarvoor hebben zij gestreden, daarvoor hebben zij geleden, daarvoor zijn zij gestorven, niet zelden op brandstapel en schavot. Voor dat Woord hebben zij gezorgd, dat het aan de kinderen zou bekend gemaakt worden, opdat ook het navolgend geslacht die weten zoude, - de kinderen die geboren zouden worden en zouden opstaan en vertellen ze hunnen kinderen.
Op dat Woord nu, op die erve onzer vaderen, op dat Patrimonium, d.w.z. op dat vaderlijk erfdeel, heeft men het in onze dagen gemunt. Evenals Achab den akker van Naboth, zoo zou de wereld dat Woord zoo gaarne met haar bezittingen willen vereenigen. De grenzen tusschen wereld en Kerk moeten zooveel mogelijk worden uitgewischt.
En daarvoor wil de wereld wel een ander woord teruggeven, want gij meent immers niet dat de wereld ongodsdienstig wil zijn? O neen, evenals de mannen van Athene, alleszins gelijk als godsdienstig zelfs. Achab.. wilde Naboth een akker geven veel beter dan hij bezat. En zoo wil de wereld u ook een woord geven veel ruimer en veel schooner dan dat Woord dat de erve onzer vaderen is.
Hebben wij nu de kracht van het Woord des Heeren nooit ervaren aan ons hart, kennen we dus de groote waardg van de erve onzer vaderen niet, dan zijn wij al spoedig geneigd om op het.voorstel van de wereld in te gaan, en dan ruilen wy de erve onzer vaderen vaak zoo gemakkelijk in voor wat de wereld ons biedt. Maar, denkt er wel aan, al wat gij van de wereld in ruil voor het Woord des Heeren ontvangt, het mag nog zulk een schoonen schijn hebben, maar het is van alle waarachtig leven ten eenenmale gespeend. En daarom, wat wij u bidden mogen, geef toch het Woord des Heeren, geef toch de erve onzer vaderen niet prijs. Laat u toch door het ongeloof onzer dagen niet ontrooven dat kostelijk kleinood dat gij in den weg der middelen van uwe ouders ontvingt en dat gij straks weer geroepen zijt aan uwe kinderen achter te laten. Blijf dan niet achter in den strijd dien ons Christenvolk voor zijn goed recht en voor het recht zijner kinderen te doorworstelen heeft.
En dat zult gij niet als gij er iets van moogt. verstaan dat het Woord des Heeren voor een iegelijk die gelooft een kracht Gods, en nog wel een kracht Gods tot zaligheid is. Dan immers is er ook bij u een vermaak in het Woord, dan zöudt gij de erve uwer vaderen tot geen prijs - willen missen en als de wereld dan tot u komt om u voor dezen wijngaard een anderen te bieden, dan zegt ge 't Naboth na: dat late de Heere verre van mij zijn dat ik u de erve mijner vaderen geven zou. Ja, dan verstaat gij wat de dichter eens zong:
Z' is 't menschdom meerder waard
Dan 't fijnste goud op aard. Niets kan haar glans verdooven.
Zij streeft in heilzaam zoet,
Tot streeling van 't gemoed, Den honig ver. te boven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's