De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

En zij riepen den blinde, zeggende tot hem: heb goeden moed, sta op, Hij roept u. En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus. Mare. 10:49—50.

Een wonderdoende Verlosser.

Daar is op deze wereld o zooveel, waaraan men aanstoot kan nemen, daar is niet weinig, wat rechtmatig ergernis wekt. Men zou, hierover sprekende, al wat naar voren kunnen brengen en toch nooit uitgesproken raken.

Wat beweegt — om maar iets te vragen — de volkeren? Durft ge 't te zeggen? Wat is de drijfveer van hun doen en welke is de beweegkracht van hunne handelingen?

Het zijn vaak werken, die, zoo niet het licht schuwen, toch niet niet in het openbaar kunnen uitgedragen worden.

In engeren kring is het-al weinig anders. Wat een samenspannen, wat een werken en wroeten, waarvan moet getuigd: het gaat niet opdat het recht zijn loop hebbe, maar juist om het tegenovergestelde.

En nu komen we nog eene schrede nader. Wat in het groote gezien wordt rondom ons, spiegelt zich af in het kleine binnen in ons.

De groote wereld en de kleine wereld hebben het raderwerk gemeen. En welke van deze twee ons nu het naaste staat, behoeft geen betoog.

Natuurlijk de wereld van het eigen-ik. Wat een lijnen, die vanuit de onzichtbare wereld opkomen en ... verschrikken. Vooral als de Heere ons een blik heeft gegeven naar binnen, als over dat leven is geworpen het licht der eeuwigheid. Wanneer we daar opeens zien staan eene Gode vijandige macht, dan wordt begrepen, waarop de Apostel doelt: „wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods." Dan begrijpt men hoe Luther het zeggen kon: „ik ben veel banger voor mijn eigen hart dan voor den Paus met al zijn kardinalen."

De Schrift zegt zoo terecht: „'tis arglistig, meer dan eenig ding, doodelijk, wie zal het kennen." Wie zal dien sterken, daar in die geheime wereld schier oppermachtigen vijand gevangen nemen? Wie?

De Heere alleen. Hoe Hij het doet? Op een wondervolle wijze. We willen het u doen zien aan de hand van de geschiedenis van den blinde aan den weg.

Daar zit hij, als een toonbeeld van ellende, de blinde bedelaar. Hij kan niets dan leven van gebedelde brokken. Geeft men hem, hij heeft te eten; houdt men terug, hem vervolgt de honger. Ongelukkig, nietwaar, zoo neder te zitten, alleen oogen te hebben om te weenen en niets te zien.

Misschien waren dit wel zijn overwegingen, toen hij in de verte aan de veelheid van stemmen gewaar werd dat iets bijzonders op komst was.

Wat zou het zijn en wie zal het wezen?

Hij vraagt, en als antwoord ontvangt hij: Jezus de Nazaroner. Die man uit Nazareth, willen ze zeggen. Ge hebt ook wel van hem gehoord.

Gevoelt ge 't, lezer, de schare zag Hem niet anders dan als een leeraar, een menschenkind. De blinde daarentegen had iets anders geleerd. Daar stond voor zijn geestesoog geen leeraar, geen profeet, maar Israels Beloofde, de machtige' Verlosser, die komen zoude. Vandaar zijn roepen: „Jezus, Gij Zone Davids, ontferm u mijner." Hij wist dus hetgeen hij gehoord had, en wat de Heere hem inwendig had doen verstaan. Deze is het. Die mij verlossen zal beide van mijne ziele-en lichamelijke blindheid. Wonderlijk, Bartimeüs zag met blinde oogen meer dan degenen die zien konden. Waar het geheim schuilt, weet ge: de Heere was bezig in en aan hem Zijne genade te verheerlijken. Vandaar begint hij te roepen: „ontferm u mijner."

Er was hope. En let er nu eens op, hoe deze hope werd aangewakkerd. Door tegenwind.

Die voorbijgingen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude.

Wat is die blinde wereld, die meent te zien, toch wonderlijk hard; Zij gunnen het dien armen man niet eene, dat de Heere zich omtrent hem komt te ontfermen.

Ge kunt dit telkens opmerken.

Als de Heere begint of begonnen is aan een ziel te werken, dan zijn er nog zooveel, die een zoodanige trachten af te houden.

„Houd op met roepen, bidden helpt u niet, Laat ons ten allen tijde voorzichtig handelen. Gods werk is o zoo teeder, lezer.

Gelukkig, wat de Heere begint, weet Hij ook te voleindigen. Door tegenheên wordt het, in plaats van afgebroken, gebouwd. Denkt maar eens aan de gelijkenis uit de Christenreize van Bunyan; de man die water in het vuur wierp om de vlam te blusschen, vond aan de achterzijde van den muur een engel, die olie in de vlammen uitgoot. Als de duivel het leven in de ziel tracht te blusschen door wateren van tegenstand uit te storten, zoo staat de Heere met de oliekruik des Geestes gereed. Bartimeüs — zoo lezen we — begon zooveel te meer te roepen: „Zone Davids, ontferm u mijner."

En Jezus, stilstaande — daar hebt ge het; de Ontfermer laat een greep in Zijne schatten toe. Hij staat stil en zegt, dat men hem roepen zal. Diezelfde schare roept nu: heb goeden moed. Het staat er breed met u voor, de genadetroon is bezig genade uit te gieten.

Maar laat ons nu eens letten op de haast, die gemaakt wordt. Er is niet gesproken: sta op, Hij roept u — of de blinde, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus,

Dat is bij den bedelaar dus maar één ding: geroepen worden, opstaan en komen.

De opmerking is gemaakt: iemand die den gang naar het paleis waagt, mag komen zooals hij is, hij behoeft zich niet te sieren, hij behoeft zich geen haar beter voor te doen dan hij is. Aardsche hoven vragen schittering van gewaden, het hemelsche hof: een boete-, kleed. Of nog beter, zooals u hier wordt voorgesteld: de arme blinde Bartimeüs had zoo'n verlangen, was zoo zielsverrukt, dat hij in zijn lompenkleed nog niet vlug genoeg overweg kon. Hij moest naar den Heere, al zou hij er ook staan als een spot voor de massa.

Wat een heerlijk haasten, zoo tot den Heere te komen. Dat is wel een teeken van echtheid. Als de stem doordringt: sta op. Hij roept u, dat er dan ook niet de minste bedenking gemaakt wordt.

Weet ge hoe het o zoo vaak gaat, ook als de roepstemmen des Heeren tot ons gebracht worden. Dan moet dit kleed nog aan, en dat kleed er nog overheen, en dan moet deze nog geraadpleegd of diens inzicht gevraagd — en niet dadelijk tot den Heere zelf. En daar alleen is het pas goed. Wat zouden de menschen u geven, zij hebben allen evenzeer behoefte om geholpen te worden. De Heere roept: kom tot Mij ! Hebt gij een lompenkleed, ge behoeft niet zoolang te wachten, dat er nergens geen naadje meer los is. Zitten er vlekken in, waarlijk, zoo ze u hinderen: ik heb vollerszeep. Daar blijft geen vlekje inzitten, als Ik mij nederzet ter reiniging.

Het allerbeste is, dat ge in uw groote haast om tot Jezus te komen, zelfs uw lompenkleed afwerpt, gansch ontbloot toevlucht zoekt onder Zijn dekkenden mantel.

Daarin is geen naad.

Heerlijke symboliek, lezer. '

Den mantel afgeworpen hebbende.

Wat is een mensch er altijd op uit om zich zoo netjes mogelijk voor te doen, ook voor het oog van den Allerhoogste. Alsof Deze het lïiet weten zou, wat ons deert. Hij ziet tot op den diepsten bodem van het menschenhart. Hij wil de eer der reinigmaking alleen hebben. Het staat met de verlossing van een mensch zóó: De Heere doet niets, zoolang hij meent zelf nog iets te kunnen doen. Over den naakten schouder werpt Hij het dekkende kleed van Zijne gerechtigheid. Maar dan ook verandert het, als het kleed van de zonden weggenomen wordt, als den zondaar van den ouden stam afsnijdt, kan deze niets meer doen, maar eenmaal ingeplant zal ze uit den nieuwen stam levend, Gode vruchten ter verheerlijking voortbrengen.

Ge zult het straks zien bij Bartimeüs. Hij staat hier voor Christus, geheel ontledigd; zal iets van hem terecht komen, zoo moet barmhartigheid worden verkregen en genade gevonden.

Ontferming — zoo had hij geroepen, anders vraag ik niets, maar op Uw tijd.

Let er eens op, als hij daar staat, zegt hij niets meer, hij zwijgt.

In des konings paleis heeft alleen de koning het recht om te spreken. Hij moet den scepter toereiken.

Hij heeft geroepen. Hij zal het verder ook wel maken.

Het haasten van Gods kinderen is een haasten tot zooverre, dat ze van aangezichte tot aangezichte komen te staan met den Allerhoogste; vandaar ook het schriftwoord „die gelooven haasten niet."

Alleen in de roeping, enkel in het komen zijn ze niet te weerhouden. Al stond de heele wereld er tegenover met den Satan in de voorste gelederen, ze zouden niet kunnen afblijven. Maar als ze staan van aangezicht tot aangezicht met den Heere, och dan weten ze te zwijgen dan is heel hunne verschijning een vragen.

Dat ze dan zwijgen kunnen zal voor geen gering deel wel hierin zijn oorzaak vinden, dat deze ontmoeting iets wonderlijks in heeft.

Het hopen staat op het punt verwezenlijkt te worden. Het geloof is reeds zoo werkzaam, dat het is alsof het begeerde reeds werd uitgereikt.

Wanneer ik het beeld mag gebruiken door den Heiland me Zelf aan de hand gedaan! Als de hondekens op de tafel des Heeren het brood zien opgestapeld, waarvan ze weten dat het voor de kinderen is, dan kunnen ze het toch niet laten de smaak zich voor te stellen, de tong beweegt zich alsof ze het reeds proefden.

Dit moge iets zijn, de hoofdoorzaak is hierin gelegen: , Hij, die mij roept is getrouw. Hij, Die nooit tevergeefs op Zijn Woord deed hopen zal me niet beschamen. Hij zal bijstand biên, ik zal verlost worden.

Hoe staat het nu met ons, lezers?

Toen Jezus Jericho's poorte naderde, werd Hij ontstuwd door een groote menigte. Zij konden zien en konden hooren en.... waren toch blind en doof.

Dat is de natuurlijke stand van zaken. We kunnen o, zooveel van den Heere hebben  gehoord. Zijne wonderwerken kunnen als vlak voor onze oogen zijn voorbijgegaan en toch niets van Hem verkrijgen. Alleen die blinde werd met blijde verlossing begiftigd.

Zijt ge zoo ook al blind geworden? Zit dan maar veel aan den weg, waarlangs de Heere wil voorbijgaan, waar gij van Hem hooren kunt.

Wanneer uw blindheid een last is geworden, zoo geven we u goeden moed, We hebben te doen met een wonderdoenden Verlosser. De innerlijke roerselen van Zijne ziel gaan uit tot hetgeen omkomt op den levensweg.

Daar ligt zulk een zoete troost in verborgen.

't Is de Heer' wiens mededoogen, blinden schenkt het lieflijk licht.

Hij komt vast voorbij; Ge behoeft er niet eens aan te twijfelen. Hij heeft nog nooit iemand hongerig gemaakt, die niet een moment zal leeren kennen: wat is het voedsel uit die doorboorde hand een kostelijke verzadiging. Legt uw oor maar te luisteren.

Wacht op den Heer' gij vromen; Is Israël in nood. Er zal verlossing komen Zijn goedheid is zeer groot.

Wachten en opmerkende zijn, zie daar het woord, u toegeroepen.

't Is mogelijk dat wien uwe ziele beidt u nog verre schijnt.

Begint maar te roepen om ontferming. Wanneer gij waarlijk bedelaar zijt geworden, blind in u zelven, licht verwachtend van Hem, als het u om den Heere is begonnen, laat dan den 'moed niet zinken; want als gij opstaat is Hij al opgestaan; als gij Zijne schreden hoort, is het om u begonnen.

Om niemand anders dan om u.

Hij roept u bange, blinde, bekommerde ziel. Het heerlijkst licht wacht u. Ge zult Hem zien in Zijne schoonheid. Immers dit is de ervaring aller eeuwen:

Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht, Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht. Dat ongeveinsd in 't midden der ellenden Zich naar Gods troon met zijn gebêen blijft wenden. Hij geeft den wensch van allen die Hem vreezen, Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's