De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

13 minuten leestijd

De Gereformeerde Kerk en het Volksleven.

VIII.

Natuurlijk dat velen het met de gereformeerde gevoelens niet eens waren.

Velen die zich evengoed „Hervormd" noemden als de belijders van de gereformeerde waarheid waren, kwamen tegen de gevoelens onzer vaderen op.

't Zou een ramp zijn, indien de waarheid zóo onderdrukt werd, indien de consciëntie zóo aan banden werd gelegd, indien de Kerk zóo werd ingeperkt, indien de eischen voor de leden der Kerk zóo exclusief en bekrompen waren, indien de invloed van de Kerk zóo beperkt werd enz. enz. bracht men in 't midden.

Erastus (geb. 1524) vertolkte veler gevoelen, toen hij, de invoering van een Calvinistische Kerkorde in de Paltz tegenwerkend, in zijn geschrift „uiteenzetting van de zeer gewichtige vraag of de tucht steunt op een goddelijk gebod, dan wel of zij uitgedacht is door menschen" de kerkelijke tucht onschriftmatig en tiranniek noemde. Hij vreesde, dat de kerkeraden, voorzien van zoo groote macht als de kerkelijke tucht naar gereformeerde beginselen geeft, tot eene hiërarchie als de Roomsche, tot gewetensdwang zouden komen, evenals de Spaansche inquisitie.

Onze gereformeerde vaderen beriepen zich evenwel met recht op het algemeene gevoelen der christelijke kerk van de oudste tijden af en op de besliste uitspraken van de H, Schrift. En in de confessie werd het niet onduidelijk uitgesproken, dat het noodig is, dat de regeerders der kerk orde en tucht onderhouden in de kerk en dat zij zich wel wachten moeten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze eenige Meester geordineerd heeft.

Alleen is het te betreuren, dat in de meeste kerken, die haar ontstaan danken aan de actie van Calvijn en het hartelijk met hem eens waren, wanneer hij schreef, „dat de zaligmakende leer de ziel van de kerk is en de discipline of kerkelijke tucht de spieren, waardoor de leden des lichaams aan elkaar en elk op zijn plaats gehouden worden" — in de. practijk zich zoo weinig om de kerkelijke tucht bekommerd hebben. Men wist „indien ieder lid der kerk leefde naar eigen welgevallen, indien hij zich niet stoorde aan de belijdenis en de orde der kerk en er geen middel van verweer tegen of afwending van het kwaad was, dan zou de arbeid der kerk vruchteloos zijn en haar leven zou gevaar loopen".

Men wist „de discipline is dan het middel - om het recht te handhaven in de kerk van Christus, de toom om de ongebondenen in te toornen, de prikkel om de gewetens wakker te maken, de geesel om de zondaren te kastijden, het geneesmiddel om de krankheden en verkeerdheden uit te zuiveren".

Men beleed, dat de kerk dus te zorgen had, dat de belijdenis der waarheid en de ordeningen van Christus werden gehandhaafd en dat zij er op te werken had, dat de gemeente en hare leden wandelde naar de inzettingen des Heeren.

Maar ... in de practijk vertraagde men in deze. En de tweede sleutel vooral, — waarvan het 85ste antwoord van onzen Heid. Cat. spreekt — bleef hoe langer hoe meer in ruste.

't Bleef wel staan in het 85ste antwoord: „alzoo als, volgens het bevel van Christus, degenen, die onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, die van de Gemeente daartoe verordend zijn, aangebracht worden ; en, zoo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden, door het verbieden der Sacramenten, uit de Christelijke Gemeente, en van God zelven uit het Rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidmaten van Christus en van Zijne Gemeente aangenomen, wanneer zy waarachtige betering beloven en bewijzen" — maar de kerk deed niet volgens het bevel van Christus.

Wel heeft Christus ten behoeve van en voor het welzijn Zijner Kerk ambtelijke bedieningen ingesteld en goddelijke gaven gegeven (Ef. 4:11, 1 Cor. 12:28), om die gaven te gebruiken en die bedieningen te oefenen — maar het ging helaas! in de gereformeerde kerk niet naar de goede en heilige orde Gods.

De Gemeente mag niet aan een vreemde macht onderworpen worden, want Christus is haar éenig Hoofd en haar Koning.

Maar de dienstknechten van Christus (1 Cor. 4:1, 2 Petr. 1:1), de gezanten van Christus' wege (2 Cor. 5:20), de uitdeelers van de verborgenheden Gods (1 Petr. 4:2) aan wie de zorg voor de kudde was toebetrouwd, zijnde de onderherders onder Christus, den opperherder, aan Wien zij rekenschap verschuldigd zijn, zij zijn niet gebleven bij Zijn Woord en bij zijn bevel en hebben zich gevoegd naar de gevoelens der menschen en de pretentie der wetenschap en de brutaliteit des ongeloofs en de gruwelen der 'booze wereld. 

De apostelen hebben allerlei verordeningen gegeven aan de gemeente en aan Timotheus en Titus heeft Paulus in bizonderheden bekend gemaakt hoe men het huis Gods zou besturen — maar men is ontrouw geworden aan de apostolische voorschriften, waardoor het is aanschouwd, dat de Gereformeerde Kerk, die wist dat het gaan moet om een zuivere bediening des Woords, een zuivere bediening der sacramenten en rechte oefening van de tucht — in alle drie deze stukken hoe langer hoe meer ging afwijken, doende naar eigen lust en eigen reglement. 

Wat een toestand in 't leven geroepen heeft, als nu geschetst kan worden met woorden van Prof. van Veen, die in zijn boekje „de organisatie der Ned. Herv. Kerk" zegt: „Treurige toestanden worden in onze Kerk openbaar. Allerlei gebreken roepen om verbetering. De grootste willekeur heerscht op meer dan éen gebied. Ten opzichte van de leer doet een ieder wat goed is in zijne oogen. De prediking van den Christus naar de Schriften wordt nog gehoord, maar evenzeer de loochening van Hem. Zelfs kunnen oproerige leeringen van sociaal-democratie en anarchisme straffeloos worden verkondigd van de kansels en een predikant, die Boeddha eert boven den historischen Christus, wordt geacht niet in strijd te handelen met de leer der Kerk. Inderdaad, er is reden genoeg om te klagen over den nood der Kerk" (blz. 94 en 95).

Wat blijft er zóo over van „de pilaar en vastigheid der waarheid" ?

Wat wordt er zoo nog gezien van het „licht op den kandelaar"?

Immers niets.

En wel kunnen we overnemen wat Prof. Bouwman in zijn boek „de kerkelijke tucbt" zegt:

„De Kerk bezit in de breede kringen van het volksleven niet meer de belangrijke plaats, die zij eeuwen achtereen heeft ingenomen. Er is een tijd geweest, dat de Kerk eén macht van groote beteekenis was, dat zij haar invloed liet gelden op de burgerlijke regeering, dat zij den toon aangaf op het gebied van kunst en wetenschap, van het sociale en bet familie leven; een tijd dat men de Kerk overal ontmoette, in de raadszalen der regeering en op de stille studeerkamer, op straat en in huis, en dat zij het léven beheerschte. Die tijd is voorbij !

De Kerk geniet niet meer de eer, die haar toe komt. In breede kringen heerscht de meening, dat de godsdienst een persoonlijke zaak is, geschikt voor de binnenkamer, maar die op het publieke terrein niet meer invloed mag uitoefenen dan elke andere persoonlijke overtuiging. Al sterker wordt het gevoelen, dat de Kerk staat buiten het maatschappelijke en staatkundige leven. Het ambt bezit zelfs te midden der gemeente bij velen niet meer het noodige aanzien en het gezag en dientengevolge wordt de tuchteloosheid en de willekeur in de hand gewerkt.

De oorzaken van dit verschijnsel zijn velerlei.

De Kerk zelf gaat hierin niet vrij uit!

Zij heeft niet met die trouwe liefde en teederheid het Evangelie verkondigd, de banier der waarheid ontplooid en het volksleven bewerkt als het was naar eisch harer roeping.

Zij is al spoedig na de Reformatie der 16e eeuw gaan rusten op de aanvankelijk behaalde zege en al bleef zij nog formeel vasthouden aan de belijdenis der waarheid, toch ging het warme leven te loor ; zij werkte niet meer als een zuurdeesem en verloor haar zegenrijken invloed op het volksleven. andere denkbeelden over God, de menschen  en de wereld ; het aardsche werd het centrum van de gedachtenwereld, de negatieve Bijbelcritiek tastte de majesteit van het Woord Gods aan, het ongeloof greep de breede volkskringen aan, zoodat de groote massa vervreemd werd van de Kerk en de Kerk veel van haar gezag inboette.

In zoo menig opzicht is de harmonie der  levensverhoudingen verbroken. Hét sociale vraagstuk beheerscht de gemoederen, allerlei problemen vragen om oplossing, doch zoo weinig wordt gevraagd naar het licht, dat God in Zijn Woord schenkt. En al is er ook bij velen behoefte aan de warmte der religie, het denken en het zoeken van hen, die ontwend zijn aan het Woord van God, tracht naar bevrediging niet in den weg, door God zelf aangewezen, maar in allerlei godsdienstige voorstellingen van eigen vinding of van heidenschen oorsprong of bij de warmte der gevoelsmystiek.

Te midden van deze worsteling en tegenover den nood der tijden moet de Kerk, thans helaas ! in hare gedeeldheid zwak, een vaste houding aannemen en al beter haar roeping verstaan. De Kerk moet al trouwer het recht van haren Koning verkondigen, al krachtiger de ontferming van haren Christus prediken en ingaan in den nood des levens. Maar daartoe moet de Kerk ook haar heilig karakter handhaven door de kerkelijke tucht, opdat de indruk dat de Kerk is het eigendom des Heeren, levende naar Zijn wil, en dat God te rein van oogen is om het kwade te aanschouwen, ook buiten de Kerk in de wereld gevestigd worde.

Zij moet de heerlijkheid van haren Koning laten uitschitteren op elk levensgebied en daartoe door de trouwe prediking des evangelies, door de reinheid des levens en door de handhaving van de ordeningen Gods de grootheid Zijner majesteit, de onkreukbaarheid en heiligheid van Zijn recht en de grootheid Zijner barmhartigheid verkondigen.

Zonder de uitoefening van de tucht laat de Kerk de majesteit van het evangelie niet tot haar recht komen, kan zij zich niet handhaven en boet zij hare eere als Kerk van Christus in.

In de rechte handhaving der kerkelijke tucht blijkt mede of de Kerk is eene levende Kerk, of de waarheid haar hart heeft gegrepen". (Wordt vervolgd.)

Wat wij willen.

Er wordt zoo dikwijls gevraagd: wat wil de Geref. Bond toch eigenlijk?

We willen een paar dingen noemen.

De Geref. Bond wil verzamelen blazen.

De Geref. Bond wil een band leggen tusschen Broeders en Zusters in den geloove, die wenschen te leven uit éen en hetzelfde beginsel, dat naar Gods Woord is, duidelijk uiteen gezet met de 3 Formulieren van Eenigheid onzer Herv. (Geref.) Kerk.

Wat niet leeft uit éen beginsel hoort niet bij elkaar. Maar wat van éen belijdenis is, vragende naar het Woord onzes Gods en wenschende te buigen voor den Christus Gods, dat behoort bij elkaar en moet die saamhoorigheid ook meer gaan openbaren voor de menschen. Omdat de Heere wil dat we één zijn én omdat eendracht macht maakt.

De Ger. Bond stelt zich daarbij geenszins voor, dat allen die nu in de Hervormde Kerk leven tot den Bond zullen toetreden. Dat kan niet. Maar die echt Hervormd zijn en hartelijk instemmen met onze belijdenisschriften, daarbij de oprichting en het herstel begeerende van onze Vaderlandsche Kerk, behoorden zich allen aan te sluiten.

Want staande .op den grondslag van Schrift en belijdenis is het de diepgefundeerde overtuiging van den Ger. Bond, dat de Heere voor onze Hervormde Kerk nog een toekomst heeft weggelegd, mits zij zich komt bekeeren van haar zondige dwaalwegen en weer gaat spreken naar den Woorde Gods, om zich ook weer te openbaren naar Gereformeerde, presbyteriale kerkvorm.

Dan, wanneer onze Hervormde Kerk weer de waarheid Gods gaat belijden, met verwerping van alle leeringen die daarmee in strijd zijn en zij weer tot een organisatie komt naar de lijnen van de Dordtsche Kerken-orde, waarbij de plaatselijke Kerken weer kunnen uitkomen, zooals Christus dat b.v. eischte van de zeven gemeenten in KI. Azië, (Openb. 2 en 3), dan zullen alle Broeders en Zusters in den geloove daar weer saam wonen en de Heere zal aldaar Zijn zegen gebieden.

Van achteruitgang der Kerk of van vermindering van invloed onder het Volk, zal daarbij geen sprake zijn.

De Heere heeft alles wijs en goed verordineerd.

Die het wagen met Zijn Woord en die wandelen naar .Zijn geboden, zijn er altijd 't best aan toe en hebben altijd de grootste krachten.

Laten anderen dan van wagenen en paarden vermelden — het briesend paard moet toch sneven en de sterkste strijd wagenen loopen ten slotte.toch vast in het zand!

Maar die op den name des Heeren mogen mogen vertrouwen en de Gods van vader Jacob tot hun hulpe hebben, die zijn zalig te noemen. Neen, de wijsheid, der wereld is niet het hoogste. „Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!" belijdt de christen. Daarom is de keuze van den Geref. Bond : „ziende op het gebod, blindt voor de uitkomst".

Of ook: „gehoorzamen is beter dan offerande". Alle verzuchtingen en alle bedenkingen en alle berekeningen dat onze Herv. Kerk, wanneer zij weer kloek gaat belijden naar Gods Woord en naar de 3 Formulieren van Eenigheid, zooveel van haar invloed zal nboeten of zooveel zal achteruitgaan in aantal eden, mogen ons niet afhouden om te luisteren aar het Woord des Heeren: „wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht".

 't Is beter om tot den Heere z'n toevlucht te nemen dan op menschen te betrouwen.

Die vleesch tot z'n arm stelt is van God vervloekt, maar die op den Heere mag hopen en naar Zijn wetten mag vragen, die zal gezegend worden met overvloed.

Het loon des Heeren is een groot loon. Niet uit verdienste, maar uit genade.

Wat wij willen is dus nu in zooverre duidelijk.

Dat wij vergaderen en verzamelen willen in één Bond, alle Hervormde Broeders en Zusters, die van Gereformeerde belijdenis zijn en die verlangen naar de wederoprichting en het herstel van onze aloude Hervormde (Geref.) Kerk; waarbij wij hopen op Gods genade, die nog altijd zegt: „wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht", alsook: „Uw loon is groot".

Daarom, heeft de Geref. Bond ook in art. 1 van zijn Statuut gezegd:

„De vereeniging draagt den naam: „De Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandsche Hervormde (Geref.) Kerk".

En in Art. 4: d

„De vereeniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid, te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Geref. Waarheid in het midden van de Nederl. Herv. {Geref.) Kerk, om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons Volk, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619". 

Verstaat Gij nu eenigszins wat de Geref Bond wil?

Spoedig willen we U.nog meer hiervan zeggen.

Maar wilt gij niet vast lid worden, (minimum contributie f 1, — per jaar.)

En kunt Gij, die leden zijt van onzen Bond, niet vast een Afdeeling oprichten in Uwe woonplaats, 't zij stad of dorp ?

Met 10 leden is dat reeds mogelijk; en het bevordert onze actie grootelijks.

Van dit Propagandablaadje zijn gratis exemplapen te verkrijgen bij den Hoofdredacteur en bij onzen Penningmeester.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's