Uit het kerkelijk leven
De Gereformeerde Kerk en het Volksleven IX
De Kerk behoort te staan midden in het volle leven der menschen kinderen. Onze Kerken zijn niet zonder oorzaak op de markten gebouwd !. Midden in het gewoel van den jagenden arbeid, waar de wateren van de menschenzee opspatten, daar behoort de Kerk te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid ; als een getrouwe getuige van Christus; als een vuurtoren, die het licht der waarheid naar alle kanten uitstraalt; als een leidsvrouwe, die altijd bereid is om te onderrichten, te helpen en te troosten.
Maar dan moet de Kerk de draagster zijn van Gods waarheid en geen ander als Hoofd en Koning erkennen, dan Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar, die bekleed is met alle macht en heerlijkheid in den hemel en op de aarde. En dat Woord Gods, — die schat der Kerk ! — vraagt om mannen „machtig zijnde in de Schriften en in den weg des Heeren onderwezen," om dat Woord te openen, toe te passen, te handhaven, te verspreiden en te verdedigen. Dan, lezen we, zal het Woord des Heeren wassen met macht en de overhand nemen.
Dan zal de Gemeente geleid worden in grazige weiden. Dan zal het volk niet verloren gaan, omdat er weer profetie is. Ongelukkig daarom, wanneer de Kerk het Woord niet zuiver bewaart; als zij geen bedienaren des Woords heeft, die waarlijk het Woord en alléén het Woord brengen. Want dan mist de Kerk een zoo aller belangrijkst stuk.
Of is het Woord des Heeren niet volmaakt en is het niet wijd ? En moet dat Woord niet toegepast worden op elk terrein des levens ? Gods Woord gaat toch over het kerkelijk erf en over het terrein daar buiten. Over geestelijk terrein en over stoffelijk gebied.
Het raakt den sabbathdag en de dagen der week. Het spreekt tot rijken en armen, koningen en onderdanen, ouders en kinderen. Het spreekt over alles en voor ellen. Wat onze Vaderen zoo goed begrepen hebben toen zij den Heibelb. Catechismus, waarin het Woord zoo kostelijk wordt verklaard, hun „schatboek" noemden. Ja — als de prediking naar het Woord is, gaat zij zoo diep en zoo breed. Dan kan ze ook altijd nieuw zijn, altijd actueel, altijd versch. Gods Woord heeft een wondere kracht.
Gods licht is een wonder licht. Het wil de Leidsman zijn voor alle tijden en bij alle omstandigheden en voor alle menschen. Gods volk kan dan gevoed worden met brood, indien het Woord recht bediend wordt. Het zaad der Kerk kan recht onderwezen worden in de stukken der waarheid en aan de gangen des Heeren worden bekend gemaakt.
Ieder hoort dan ook voor elke levensroeping de stemme Gods tot vermaan, tot leering, tot bemoediging, tot troost. En zoo kan jong en oud hooren wat de rechten en de inzettingen des Heeren zijn, waarbij het harte van Gods kind, wanneer het welgesteld mag wezen, gaarne getuigt: „leer mij, o Heer, den weg door U bepaald, dan zal ik dien ten einde toe bewaren" als ook: „Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten."
En met dat Woord mag de Kerk dan uitgaan tot de massa, in de heggen en in de stegen; op de wegen en in de velden. Dat Woord draagt zij — welgesteld zijnde — zoo gaarne uit naar de landen der heidenen, die ook voor een eeuwigheid geschapen zijn en ook tot Christus' kudde moeten worden toegebracht.
Wat kan de Kerk dan een breede plaats innemen, heerlijk werk doen, tot grooten troost zijn. En het is zoo noodig, dat zij spreekt tot Gods volk, tot het zaad der Gemeente, tot de massa, tot de heidenen. Hoe diep ongelukkig is men niet uit en van zich zelf. En wat heeft men, wanneer men het Woord des Heeren niet verneemt? Immers niets! En hoe staat het nu in deze ? Gods volk krijgt steenen voor brood. Het zaad der Gemeente wordt verwaarloosd. Naar de massa ziet de Kerk niet om. Der heidenen nood wordt niet gedacht.
In de achterbuurten wordt meer vloeken dan bidden gehoord. In de hoogste kringen der maatschappij wordt veelszins de laagste plaats gegeven aan Gods Woord, aan vroomheid en matigheid. En de nette fabrieksarbeiders, de fatsoenlijke klerken, de 'welgestelde burgers, de couponknippende renteniers, de specialiteit-geleerden — ze maken op ons den indruk, dat de dorst naar wereldsch geluk, het jagen naar aardsch genot, het zoeken van eer en aanzien, niet zelden veroorzaakt, dat met den Bijbel niet gerekend wordt. Men offert aan Bacchus, men knielt voor de godin der Rede, men danst om het gouden kalf.
De god van het goud en van het genot, de god van de wijsheid en van den drank lokken er hoe langs hoe meer in het moeras van materialisme en zin-genot. En men houdt maar vol, dat hoe minder de mensch aan godsdienst doet, hoe verder men komen zal. In de fabriek, in de werkplaats, op het kantoor, in de winkel, op de beurs en op de markt, in de studeerkamer en op de scholen zint men telkens om nieuwe banen te maken, opdat men gelukkiger door de wereld zal kunnen gaan — steeds als eerste voorwaarde stellend : de godsdienst er buiten.
De mensch heeft geen ziel meer, schijnt het. Slechts een maag en een portemonnaie. En daar heeft men den godsdienst niet voor noodig! Terwijl ten opzichte van heiden en Mohammedaan verkondigd wordt, dat zij gelukkiger zijn dan de christenen, die barbaren gelijken, — waarom het Westen het niet behoeft te probeeren om met den christelijken godsdienst naar het Oosten te gaan.
Men heeft den Bijbel daar in Indië niet noodig! Wanneer men den inlander gelukkig wil doen leven moet men hem in zijn eigen omgeving laten en niet storen met wat men de leer van Christus noemt...
Is het niet diep ellendig, wanneer men zoo hóórt en ziet hoe de menschheid over 't algemeen denkt over en getuigt van den godsdienst? En stond nu de Kerk des Heeren maar met een levende prediking van het Woord Gods als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van de natie, om in de Kerkgebouwen de ontvouwing te geven van Gods getuigenis, in de catechisatiekamer de inzettingen des Heeren bekend te maken aan het zaad der Kerk, in de straten en in de stegen, op de grachten en in de sloppen de bazuin der waarheid te doen hooren, en de goddelijke banier uit te planten op elk terrein des levens — ook den heidenen verkondigd welke de zaligheid in Christus is, ziet, dan was er hope, dat tegenover het woord der afgoden en dwaalgeesten het Woord onzes Gods zou winnen in bekoring en van zegenrijken invloed zou worden onder alle standen en rangen der maatschappij, den donkeren landen van het heidendom tot blijdschap en vrede.
Maar .. . zij die als getuige der goddelijke waarheid geroepen is tot spreken, zij stamelt hier en daar een enkel woord, terwijl haar woord niet is met kracht en heerschappij. Niet zelden met zichzelf in de scherpste tegenspraak zijnde.
Zij die van God de ordonnantie kreeg, om 's Heeren ordinantiën uit te zetten overal — ze weet zelf van 's Heeren ordinantiën zoo weinig en weet uit de schatkamer van Gods Woord geen oude en nieuwe schatten voort te brengen.
Zij die één behoort te zijn, om één leven te leven, één taal te spreken, één getuigenis te geven, gehoorzamende aan één Koning, Jezus Christus — zij is zoo verdeeld, zoo zwak, hinkende op twee gedachten. Baal rookend en springend rondom het gouden kalf. Is het wonder, dat hare zonde groot is voor God ? Kan het anders, dan dat haar invloed klein blijkt te zijn onder de menschen ?
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's