Stichtelijke overdenking.
Vrede laat Ik u; Mijnen vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Joh.14.27.a
Vrede.
Schoon is de vrede; naar vrede jaagt en dorst elk menschenhart. Opdat de fakkel van den oorlog, waarin volk en volk elkander verteerden, mocht worden gebluscht, hebben zich de denkers der eeuwen en de grooten der aarde ingespannen; met het vraagstuk van den vrede worstelen nog dagelijks die in hoogheid gezeten zijn.
En niet slechts tusschen volk en volk, ook tusschen mensch en mensch is vrede een kostelijk goed. Als in gezin en maatschappij vrede zijn goudglansen spreidt, dan is tot geestelijke en stoffelijke welstand het pad gebaand.
Maar schooner nog is het, als de vrede zich legert in het eigen gemoedsleven van den mensch.
Dat aan een nooit gesteld verlangen vervulling wierd geboden: dat aan den strijd van heel een leven eindelijk de vrucht mocht rijpen, daarnaar spant zich veler zielekracht saam.
Daar is iets in 't hart van den mensch, dat zich op den duur niet stillen laat.
In elk menschenleven is nood, die om voorziening smeekt.
Dit te ontveinzen is jammerlijk zelfbedrog. Voor dien vaak diepverscholen onvrede is oorzaak.
De staat der rechtheid is verloren; daardoor is de diepste levensharmonie verbroken, de vrede weg.
Wel is de mensch bij 't zoeken naar dien verloren vrede 't spoor ten eenenmale bijster geraakt; wel jaagt nu menigeen van vrede slechts een drogbeeld na; maar ook zoo toch nog ligt hier 't klare bewijs, dat de mensch niet is wat hij wezen moet; hij heeft niet wat hij hebben moet, om gelukkig te kunnen zijn.
Hij raakte in 't ongereede; in disharmonie met zichzelf, met zijn leven, met zijn wereld, met zijn God bovenal.
Dat bant den vrede uit onze landpalen.
Dit is een schier algemeen besef geworden.
Dat er iets hapert; dat er wat woelt en kruipt op den bodem van ons leven, dat er niet hoort, dat ons de zon onderschept en den boezem beklemt, dat laat zich immer voor een iegelijk onzer wel gevoelen.
Hoe ernstig deze krankte echter is; hoe diep zij gaat; waar haar oorsprong schuilt; ook waar 't medicijn daartegen gevonden wordt, dat verstaat de natuurlijke mensch niet. Dienaangaande verkeert hij in 't onzekere; daarvoor is hij blind en kan hem alleen goddelijke genade 't oog ontsluiten. Komt dat, dan wordt 't hem klaar, dat de oorsprong ligt bij hemzelf; hierin, dat hij zich van zijn God heeft vervreemd, wijkende achterwaarts.
Dan voeren hem zijne zonden henenweg als de wind; dan worden zijne gerechtigheden hem een wegwerpelijk kleed, dan leert hij amen zeggen op 't woord des apostels: ik ellendig mensch.
En dat er voor zijn doorwond gemoed slechts vrede is in het Bloed des Kruises, dat leert hij, als de Vredevorst dan ook tot hem hoorbaar spreekt: Kom tot Mij, vermoeide zondaar, ruste geef Ik aan uw afgetobd hart !
Ook in bovenstaand Schriftwoord zoekt ons de Heere Christus van die waarheid te doordringen.
't Waren de laatste uren, dat de Heiland met Zijne discipelen saam was; straks zal in Gethsémané's hof misdadige hand Hem, den Herder, van Zijne schapen losrukken.
Ontveinsd had de Meester 't hun niet. En Hij had bespeurd, hoe de gedachte aan dat scheiden hunne ziel ten boorde toe met zorg vervulde.
Vol deernis over Zijne arme schapen had de Goede Herder hen gesproken van den Trooster, die na Hem komen zou, en die hen niet verlaten zou in eeuwigheid.
Nu voegt Hij er aan toe: Vrede laat ik u.
Veel zal u ontnomen worden; veel zult gij moeten missen; van veel zult gij afstand doen; toch: Vrede laat ik u.
Vrede; hoe ontspant zich bij dit weldadige woord de ban van angst, waarin 't hart beklemd ligt.
Vrede; dat is de weelde van vervuld verlangen, gestild begeeren, voorzienen nood, ontspannen klem, weggebannen angst.
Vrede; die is er dan, als weer harmonie heerscht tusschen wat eerst inbotste tegen elkaar, en toch saam behoorde.
De mensch van natuur heeft geen vrede, want de zonde is de wortel van den onvrede; en de zonde wreekt zichzelf, door de benauwing van den onvrede uit te gieten over het gemoed van den zondaar.
De zonde splijt den mensch van zijn God af; en daarmee is de vrede voor immer weg.
Alleen saamverborrden met zijn God; alleen in gemeenschap met Hem, naar Wiens beeld hij geschapen is, kan de mensch waren vrede smaken.
Alleen als rondas en beukelaar des Heeren hen dekken, alleen dan is er voor den mensch een stille zijn in zalige vrede-rust.
Dat heeft de mensch niet erkend.
Wat zijn hoogste geluk moest wezen, nabij zijn God te zijn, van zijn God afhankelijk, door zijn God geleid en beveiligd, dat heeft hij van zich geworpen als zijns niet waardig.
Wat God voor hem was en alleen voor hem zijn kon, dat wilde hij voor zichzelf zijn: zichzelf ten leidsman, zichzelf ten God.
Ontzettende zelfverblinding, zielsverdwazing!
Wat een bloem is, wanneer zij van haar stengel wordt geknakt; de plant, zoo zij van haar wortel wordt losgesneden, dat maakte nu de mensch van zichzelf.
Nu is de slagader van zijn waarachtig leven afgesneden; de verbinding weg tusschen zijne ziel en de Sprinkader des levenden waters, waaruit zij al haar heil moest putten.
Dat houdt een mensch niet uit.
Hij kan niet buiten iets wat hem aanvullen, vervullen moet. De mensch kan nu eenmaal zichzelf niet genoeg zijn; daar is hij niet op geschapen, niet op aangelegd.
De plaats, eens door God ingenomen, kan niet ledig blijven. Dat doet den mensch, die zonder God leeft, grijpen naar afgoden. De bange gaping in het leven van elken godloozen-mensch doet hem de hand uitstrekken naar vervulling; maar nu grijpt hij in zijn dwaasheid naar wat niet-God is.
Hg heeft zijne eer veranderd in 't geen geen nut doet; en volgt goden na die geen God zijn.
In 't eind is mislukking op dezen weg gewis.
Gij weet zelf wel, lezer, hoe ge schier alles aangrijpt om God te vervangen.
Vader of moeder, vriend of kind, eere of rijkdom, kunst of wetenschap, edel of ijdel genot, in wat niet al heeft de mensch een surrogaat gezocht voor God.
Maar de Eeuwige geeft Zijne eere aan geen ander; Hij laat Zich niet duurzaam vervangen; geen Zijner schepselen kan 't Hem nazeggen: liefelijkheden zijn in Mijne rechter hand; verzadiging van vreugde, eeuwiglijk en altoos.
Maar. nu komt te midden van dien nameloozen jammer de Heere Jezus Christus op, en wat 't oude Hellas met haar rijken kunstzin, en 't Rome der oudheid met den luister harer macht, niet vermochten, noch de tegenwoordige wereld met al den schat dien zij uitstalt, den mensch te redden uit. de greep van den onvrede, dat volbrengt Hij, Die de Eengeboorne des Vaders is, vol van genade en waarheid; Jezus Christus, Die te niet deed hem, die 't geweld des doods had, Die een eeuwige verlossing heeft teweeggebracht, in Wien de Vader weerkeert tot Zijn afkeerig volk.
Van Hem jubelt de apostel Paulus: Hij is onze Vrede!
Daarom is dit woord: Vrede laat Ik u, zoo vol diepen zin; hierin ligt al de beteekenis van de komst des Middelaars tot Zijn volk vervat. Straks zal ruwe beulshand Hem nagelen aan 't vloekhout. Tegen den Christus Gods en tegen Zijn Kerk en Zijn werk zal zich de eeuwen door keeren al wat God wederstaat! Daarbij zal vele verdrukking óver Gods Sion gaan.
Maar wat u de wereld ook ontneme, vrede laat Ik, zoo troost de Christus Zijn volk.
En dien rooft u dan geen hel noch Satan meer.
Vrede laat Ik u; mijnen vrede geef Ik u! Dit is de saamvatting van heel den inhoud van 's Heilands machtig reddingswerk.
Met dit Zijn Woord komt de Silo en Vredevorst midden onder 't menschdom staan, dat door onvrede verteerd wordt. Als de wonderdadige Heelmeester treedt Hij met dit pijnstillend woord aan 't krankbed van een van God vervreemd zondaarsvolk.
Vrede laat Ik u!
Dat is de vrucht van Zijn zwaren worstelstrijd onder den last van Gods eeuwigen toorn; dat het levend water uit de heilsfontein, die Hij opent.
Aan dit woord herkent ge immers, o verloren zondaar, den Heiland, dien uw doorwonde ziel behoeft.
Bij dezen Heiland vindt ge, door smart verteerde menschheid, het antwoord op uw dof en onbewust roepen uit de diepte; hier is wat ge op verkeerde paden zocht en daar nimmer vondt.
Toen God van den hemel zag dat er geen Vrede en geen Helper was en zich ontzette, toen heeft deze Heiland gesproken: Zie, Ik kom, o God!
En Hij is gekomen; het Woord is vleesch geworden; Jezus Christus heeft den vloek der wet gedragen; en zoo kon Hij met de stem eener bazuin, klinkend tot de verste stranden. Zijn roep doen uitgaan: O gij allen, die vermoeid zijt. Ik geef u rust I Vrede laat Ik u! Mijnen vrede geef Ik u! .
Mijnen vrede, zegt de Heiland.
En terecht, lezer; want de vrede, dien Christus geeft, is van een eigen karakter; niet maar voor menschen in 't algemeen, die onvoldaan zijn, wijl ze niet hebben wat ze zoeken en begeeren; neen, Christus bereidt vrede voor arme en verloren zondaren, die bovenal lijden hieraan, dat ze geen vrede met God hebben.
Laat ons wel toezien; ook in den onvrede de onvoldaanheid van ons geslacht is zooveel oppervlakkigs. Zoo menige roerende jammerklacht komt enkel maar op uit 't gemis der dingen, die vergaan; daar is veel onvrede, die niet opkomt uit 't zielbeukend besef van zondaar voor God te zijn.
Zeker, naar vrede dorst elk menschenhart, maar zoo weinigen slechts naar den vrede van Jezus Christus, dat is vrede met God.
De vrede, dien Jezus schenkt, is een andere, dan dien de wereld vraagt en schenkt.
En daarom keerden zoo velen zich teleurgesteld van Hem af, toen Hij hier op aarde omging goeddoende; en nog doen dat velen.
Mijnen vrede geef Ik u! sprak de Heiland, en daarmee stelde Hij wel velen teleur, die 't aan andere dingen schort dan aan delging van schuld en vrede met God, maar toch, lezer, daarmee bood Hij aan den diepsten nood in 't zondaarshart de eenige toereikende voorziening, want de vrede, dien Christus schenkt, is vrede met God; door het bloed des kruises.
Zoo vervult Jezus den diepsten nood, den nood aan God. In Christus keert de Eeuwige weer tot Zijn woonstede in 't hart Zijner kinderen in.
En daarom draagt Hij, Die hier spreekt, zoo met recht den naam van der zondaren Heiland, wijl immers geen schooner erfdeel aan zondaren kan worden toebedeeld dan dit. dat Gods aangezicht weer in gunst zal lichten over 't volk, dat Jezus kocht tot den prijs van Zijn bloed.
De droefheid van 't volk, dat schreit naar God, is een gansch andere dan de smart dezer wereld; bij wereldsmart past wereldtroost, want beide zijn onwaarachtig; bij zondesmart past vrede Gods, want beide zijn door God gewerkt!
De vrede, dien de wereld geeft, bedenk bet wel, lezer, heeft nog nimmer gelukkig gemaakt, nog nimmer 't schreien des harten gestild ; want zij heeft niet om in 's menschen diepsten nood te voorzien. De wereld laat u ledig en alleen staan voor de poorten der eeuwigheid, daar waar ge't allermeest noodig hebt. De wereld, o arm mènschenkind, kan u niet helpen, want ze kan u niet helpen aan God. En zonder Hem lijdt uwe ziele eeuwig schade God-loozen. zegt mijn God, hebben geen vrede!
Hoe gansch anders de vrede, dien Christus schenkt.
Waar bij de wereld alles tot bange vreeze stemt, daar geldt hier 't woord: uw hart worde niet ontroerd. Daar is geen reden voor, ook dan niet als de Satan omgaat met de zelve, of als een brieschende leeuw; ook dan niet als de dood uw vensteren binnenklimt, want Gods werk wordt nooit verbroken.
De vrede, dien Jezus geeft, is geteeld voor de eeuwigheid; uitgewerkt onder sterke roeping en tranen, als van zijn God verlaten, opdat gij, die Hem tot uw vrede hebt, nimmer van uw God zoudt verlaten wordenden dat immers is uw vrede, die alle verstand te boven gaat; voor altijd met den Heere; in noodweer en orkaan; in nacht en donkerheid; in leven en sterven; vrede met God door Jezus Christus onzen Heere.
Hier nog als in beginsel; vaak nog door stoornis gedrukt; want hier is 't al maar door zwakheid omvangen en door struikeling omringd.
Hiernamaals volkomen — ongestoord.
Lezer, laat de keuze van uw hart door-genade gericht zijn op den vrede, dien Christus schenkt. Laat uw bede daarnaar uitgaan; .laat u niet afschrikken, door het blootleggen van de diepte van uw levensnood. De Heere doet smarte aan opdat Hij verbinde en geneze. Opdat ge Zijn vrede zult noodig hebben, leert Hij uw eigen onvrede kennen; daaronder worde uw hart niet ontroerd. Op den weg, dien Christus u leidt, zal 't einde vrede zijn tot in eeuwigheid. De toekomst is aan God en Zijn Christus.
Zoo ge één plante met Hem worden moogt in de gelijkmaking Zijns doods, dan zult ge straks ook met Hem aanzitten aan den bruiloftsdisch in de eeuwige tabernakelen; eene plante met Hem in de heerlijkheid van Zijnen eeuwigen vrede.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's