Uit het kerkelijk leven.
De Gereformeerde Kerk en het Volksleven.
XI
Om Leidsvrouwe des volks te zijn behoort de Kerk Gods Woord te bezitten, Gods Woord te eeren, Gods Woord te bedienen, naar 's Heeren eisch, onder de leiding des Heiligen Geestes, gedrongen door de liefde van Christus.
Dat Woord is zoo rijk; dat Woord is zoo wijd — zoo diep, zoo breed!
Een woord, dat bij den Romeinschen blijspeldichter Terentius voorkomt, is spreekwoordelijk geworden: „Homo sum; nil humani a me alienum puto". Dat is; „ik ben een mensch; niets menschelijks acht ik mij vreemd."
Dat kan in hoogeren zin van 't Woord Gods gezegd worden en van den Dienst des Woords.
Gelijk de Zone Gods mensch geworden is, zoo strekt de Heilige Schrift als het Woord van God zich uit over geheel het menschenleven, over al wat daartoe behoort, ook over allerlei toestanden, allerlei verhoudingen, allerlei nooden, allerlei arbeid.
En het kan niet ontkend worden, dat het Woord Gods moet worden verTilaard en toegepast naar de eigenaardige behoeften van den tijd, waarin men leeft.'
Versta óns wel!
Dit mag niet opgevat worden, als ware de inhoud van het Evangelie voor wijziging vatbaar; ook niet zóo, alsof men bij de prediking des Woords slechts een tekst te noemen had, om dan het Schriftwoord los te laten en slechts te handelen over alles en nog wat, dat zich in onze dagen aan onze oogen voordoet.
Neen!
Het Evangelie Gods blijft eeuwig hetzelfde.
Die een ander Evangelie zou gaan verkondigen, zou' van Gods vloek zéker zijn (Gal. 1:8).
En die het Schriftwoord slechts als motto gebruikt, om aan dien kapstok allerlei dingen op te hangen heeft geen begrip van de prediking en de toepassing des Woords.
Maar gelijk het Woord Gods niets menschelijks vreemd zich acht, zoo heeft God dat Woord ook beschikt als een woord voor alle tijden en alle omstandigheden — en komt het er dus op aan, dat wij zóo door den Heiligen Geest geleerd en geleid worden, dat wij de diepte en breedte van dat Woord mogen verstaan, om licht en leering te ontvangen óok voor de omstandigheden en voor de vraagstukken van ónzen tijd.
In dagen Van oorlog, van pestilentie, van volksrampen, van volksuitreddingen, van volkszegeningen — moet dat eeuwig en onveranderlijk Woord van God, onder de leiding des Heiligen Geestes, ook voor ónze dagen onderwijzing geven.
En o! wie van Gods volk durft het ontkennen, dat Gods Woord ook niet voor ónzen tijd is? ,
In de dagen van den Transvaaloorlog ontstak Gods Woord licht' — en het sprak van Gods gerechtigheid, van Gods wondere leidingen, van Gods Raad, van kleine machten en overmacht, van benauwdheid en uitredding, van loutering en triomf, van diepe wegen en zegen.
Nationale gedenkdagen als we. nu weer mogen vieren doen naar Gods Woord grijpen — en het spreekt tot ons met woorden van vorige eeuwen en vorige geslachten alsof ze voor óns geslacht geschreven zijn.
De strijd voor Christelijk onderwijs, de arbeid onder gevallenen, de kamp tegen alle vuilheid en zedenbederf, de strijd voor de Christelijke beginselen op staatkundig terrein — wordt het niet alles belicht met licht, dat van de lampe van Gods Woord afstraalt? Spreekt Gods Woord in deze niet met woorden van ónzen tijd, wijst het niet op toestanden onder ons geslacht, wijst het den weg niet bij ónze toestanden?
En waar onze tijd bizonder staat in het teeken van de sociale vraagstukken, is het daar ook Gods Woord niet, dat vraagt om uitgedragen te mogen worden onder rijk en arm, onder jong en oud, om leering en wijsheid te geven?
De verarming aan de eene zijde, en de opeenhooping van geldmacht aan de andere zijde; particulier bezit en communaal bezit; de gezonde verhouding tusschen patroons en werklieden; werkeloosheid en werkstaking; ziekte zonder verdienste en ouderdom zonder eenig inkomen; het alcoholvraagstuk; de onzedelijkheid in allerlei vorm — wat dunkt u, zijn dat dingen, zoo diep ingrijpend in het huiselijk bestaan en in het volksleven, waarvoor de Heere Zijn ordinantiën niet gesteld heeft en waarover Hij in Zijn Woord niet spreekt?
En zou de ongeloovige wereld alleen maar deze dingen aan de orde mogen stellen en over deze dingen met onze mannen en vrouwen mogen spreken — of zou het juist eisch van Gods Woord zijn, dat de christenen zich met deze dingen inlaten, om aan de wereld te zeggen hoe God het - eischt in Zyn Woord en hoe de ménsch het diensvolgens heeft te betrachten?
Het Evangelielicht moet uitstralen vér over al deze vraagstukken en al deze toestanden.
Het Evangeliezout moet met volle handen worden uitgestrooid in het midden van het volksleven.
Vooral, waar de vijanden van Gods Woord reeds lang aan het woord zijn om, vreemd van Gods ordinantiën, met vertrapping van al wat tot het hoogere leven behoort, hun wijsheid uit te stallen en allerlei middel aanbevelen, dat vrede noch welvaart brengen kan.
Er is hier tekortkoming bij de christenheid.
Er is hier gebrek en verzuim te constateeren inzake de bediening des Woords in-het midden der gemeente.
Gebrek in liefde, gebrek in rechtvaardigheidsgevoel, gebrek in werkzaamheid is hier waar te nemen bij degenen die christenen zich noemen.
Wat uit rechtsgevoel en in liefde eigener beweging had moeten veranderd worden en behoorde toegestaan te zijn, moest veelszins geëischt en afgedwongen worden.
Tot stoffelijke lotsverbeteringen gaven in den regel de ongeloovigen den stoot en niet de christenen. En niet zelden wordt door christenen nog tegen gesproken en terug gehouden wat in rechtmatigheid eisch des tij ds kan worden genoemd, om den werkman tot ruimer en vaster levensbestaan te brengen ; ziende vooral op de toestanden die het fabriekswezen in de wereld brachten.
Dat is te betreuren.
En hier ligt de fout in het gebrekkig kennen en toepassen van Gods Woord op ónzen tijd en op onze omstandigheden.
„Helpt den verdrukte" roept Jesaja (1:17); „de arbeider is zijn loon waardig" lezen we Luc. 10:7; „ziet het werklieden die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren des Heeren Sebaoth. — Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slachting" schreef Jacobus (5:4 en 5) een paar duizend jaar .geleden — en is het alles niet voor onzen tijd ?
Niet om een klassen evangelie te brengen.
Niet om een teeken te geven tot den klassenstrijd.
Maar, om Gods gerechtigheid te verkondigen, die de zonde en het onrecht haat, predikende de rijke liefde en genade van Christus over armen en rijken, die saam op reis zijn naar de eeuwigheid.
De Heere heeft de armen en de rijken zoo gemaakt, dat ze elkander hebben te ontmoeten en saam hebben te leven voor het aangezichte Gods — en voor beiden heeft de Heere Zijne ordinantiën gesteld.
Niet de ongeloovigen moeten het probleem der armoede aan de orde stellen. Niet zij, die geen rekening houden met Gods Woord, moeten de eischen stellen, aan welke patroon en arbeider hebben te gehoorzamen. Niet de socialisten hebben onze arbeiders te .spreken over geldzucht en uit buiten, over werkeloosheid en werkstaking, over rechten en plichten.
Neen, aan de hand van Gods Woord moet alles, ook wat betreft het maatschappelijk en sociaal leven, besproken worden. En verzuim in deze kan schrikkelijke gevolgen hebben.
Lees eens wat de Schrift zegt in betrekking tot de scheuring van het Rijk van Israël onder Rehabeam.
Is die breuke tusschen Jeruzalem en de tien stammen niet voorbereid door de liefdeloosheid tusschen Juda en Efraïm en door Salomo's weelde en afgoderij ?
En wat heeft meegewerkt tot de uitbarsting der Fransche revolutie aan 't einde der 18de eeuw, die met hare ongoddelijke beginselen de wereld heeft overstroomd ? Is het niet geweest het verzuim der christenen, om in tijds, door de liefde van Christus gedrongen, met betooning van verstandige christelijke voorzorg, in de misstanden en ellenden en zonden in te grijpen ?
Zeker — van dat alles wat er geschiedde om Juda en Efraïm te scheiden en wat gebeurde in de dagen dor Revolutie om de wereld te straffen, geldt zeer zeker het woord van Amos, : „zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet? "maar dat ontslaat den christen niet, om in deze te doen wat de hand vindt om te doen.
En daarbij heeft de Kerk van Christus voornamelijk te betrachten, dat naar uitwijzen van Gods Woord, de volkszonden worden bestraft en aan rijk en arm wordt aangezegd, wat de Heere van hen eischt.
Daarbij is geen sprake van propaganda maken voor dit of' dat.
't Gaat bij den dienst des Woords niet over het fabriekswezen, oyer het kapitaal, over werkstaking, over loonlijsten, over geheelonthouding of wat ook.
Dat is werk voor de pers; voor boeken, brochures, tijdschriften, lezingen enz.
Bij de rustigheid en majesteit van den dienst des Woords past het, om de beginselen die de Heilige Schrift aangeeft, op te diepen en te bespreken, daarbij kloek aanwijzend wat daar voor arni en rijk voor de praktijk uit voortvloeit. De groote hoofdlijnen, die ook feitelijk alles beheerschen, moeten duidelijk worden aangegeven en in de.conscientiën en in het bewustzijn van arm eii rijk moet, onder de gunst des Heeren en bij de werking Zijns Geestes, worden neergelegd, wat de Heere wil dat hier op aarde door ons zal geschieden.
Neéu, men moet niet met ophef verkondigen, dat men sociaal preeken wil.
Maar men moet het volle licht van Gods Woord laten uitstralen over alle terrein des levens, waarbij bizondere tijdsomstandigheden ook wel eens kunnen veroorzaken, dat men bepaalde, stukken uit Gods Woord voor de prediking kiest.
Ja — de Dienaar des Woords leve meer, dan wel eens het geval geweest is, in, in hetgeen onzen tijd beweegt, ook in de gisting der sociale toestanden. Hij neme kennis daarvan; hij zie helder en klaar in, wat Gods ordinantiën vereischen' en moeten medebrengen in het maatschappelijk leven.
Hij zij zelf met den Heiligen Geest, den Geest van Christus, aangedaan, de gerechtigheid najagende en zoekende, door de liefde geleid; waarbij de geest der goedertierenheid en barmhartigheid niet vreemd zij.
En dan predike hij het volle en rijke Woords Gods; den vollen raad Gods; waartoe ook behoort, hoe God wil dat wij wandelen zullen in de zaken van het maatschappelijk leven.
Dan zal gepredikt worden, dat de vreeze des Heeren leert vergenoegd te zijn met onzen staat en stand; dankbaar te zijn met 't geen we ontvangen; niet te murmureeren bij zorg en moeite; ntet de verzenen te verheffen tegen degenen, die boven ons gesteld zijn; niet inhalig te wezen; geen kwaad met kwaad te vergelden; in druk en lijden geduldig te zijn en alles in de hand des Heeren te laten, die komt op Zijn tijd.
Maar dan zal ook worden vermeld, dat de minder bedeelden o! zoo véél missen dat anderen genieten; dat naar Gods bestel aan velen een gunstiger en vaster levenspositie moeten worden bezorgd; dat met rechtvaardigheid en goedertierenheid naar veler klacht moet worden geluisterd; dat allen, die een wat meer bevoorrechte piaats innemen, gerechtigheid hebben te plegen; dat voor de zonden van geld en overmacht moet worden gewaakt, dat plutocratie, geldgierigheid, mammondienst, ' geweldpleging, machtsmisbruik van God vervloekt is; dat de Heere, die alleen de eigenaar in absoluten en volstrekten zin is van alles, de rijken als rentmeesters op aarde gesteld heeft, opdat de armen het goed zullen hebben.
Dat moet niet verkondigd worden, omdat de geest van dezen tijd het zoo wil.
Neen, dat moet vermeld worden met heiligen ernst, omdat God het wil. Omdat des Heeren Woord het eischt.
Waarbij geen hol schelden tegen den rijke en geen oppervlakkig geroep tegen den Mammomdient past — want die het hardst roepen zijn dikwijls zelf niet afkeerig van geld en goed!
Maar waarbij naar uitwijzen van Gods Woord, voor arm en rijk de wortel der zaak wordt bloot gelegd en beide worden voorgesteld aan den weg des Heeren, waarin beide hebben te wandelen in de vréeze Zijns Naams, vervuld met de liefde van Christus!
Is het werk der Zending naar de Schriften?
Dat de heidenen ook moeten worden toegebracht en dat onder hen diens volgens „het Evangelie des Koninkrijks" (Matth. 24 VS. 24) moet worden gepredikt door Christus' gezanten is een gedachte die door en door Schriftuurlijk is te noemen.
Veilig kan zelfs gezegd worden dat héél de heiisopenbariug onder .Oud-en Nieuw-Verbond er door beheerscht wordt.
We noemen slechts enkele teksten en geven slechts enkele opmerkingen.
1) Gansch het menschelijke geslacht is uit éenen bloede; (Hand. 17:26) allen hebben in Adam gezondigd en liggen verdoemelijk voor God — voor allen, van welk geslacht, volk of land ook, is de boodschap des heils geopenbaard : „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze .vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad. Dètzelve zal u den kop vermorselen en gij zult het de verzenen vermorselen." Gen. 3 : 15.
Dèt is de eerste zendingsgedachte.
Eén menschengeslacht, éen evangelie Gods, éen Naam tot verlossing — in Jezus' Naam behoort zich alle knie te buigen van degenen die over de gansche aarde verstrooid zijn. Filipp. 2:10.
2) De torenbouw van Babel.
Daar vinden we het ontstaan der verschillende volkeren, de wording van het heidendom. Sem en zijn geslacht beweldadigd, de anderen drijven hoe langer hoe verder af. Het maken van afgoden wordt algemeen; zelfs Abrams geslacht blijft er niet vrij van (Jozua 24 : 2, Gen. 31:19, Gen. 35 : 2.)
Maar terwijl de heidenen dan „de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderen in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten" (Rom. 1:23, 25) openbaart de Heere Zich bizonderlijk aan Abram, die dan aanstonds de heilrijke profetie krijgt: in uw zaad zullen gezegend worden-dlle geslachten des aardrijks." Gen. 12 : 3.
Die bij Babel verstrooid zijn, zullen door Abrahams God weer vtrgaderd worden, en deelen in Sems zegen.
Van 's menschen val tot op de roeping van Abram is er van zending geen sprake nog, Gods volk was onder het geheele menschelijke geslacht verspreid.
Maar vanaf de roeping van Abram, bizonderlijk door de verboudsluiting met Israel bij Sinaï, wordt Gods Kerk van de andere volkeren gescheiden — welke afgescheiden staat zou voortduren tot dat Israel den Christus voortgebracht had.
Geen zendingswerk tot op dien stond, al lag de belofte er voor de andere volkeren, die buiten Israel waren.
Eerst moest de Christus komen.
En die vóór Zijn komst werden ingelijfd in Sion werden niet gewonnen doordal Israel tot de heidenen uitging, maar zij werden door God zelf toegeleid tot Israel, om in Sion te mogen worden ingeschreven.
Geen zendingswerk dus — maar wel liggen er beloften voor de Heidenen. Die in Christus zouden worden vervuld.
3) Zendingsgedachten in de Psalmen en bij de Profeten.
a) In het Psalmboek wordt Israels God menigmaal bezongen als den grooten God, die heerscht over de gansche aarde en alle volkeren regeert met Zijn sterke rechterhand. En voor dien God zullen eenmaal alle landen zich ontsluiten; alle volkeren zullen Hem leeren aanbidden. En de Koning dien de Heere Zich gezalfd heeft, om over Sion te regeeren, zal regeeren van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde.
Vol zendingsgedachten dus. „Al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods" Ps. 98:3. „Eisch van. Mij en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uwe bezitting." Ps. 2 : 8. „Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen ; ziet, de Filistijn en de Tyriër met den Moor, deze is aldaar geboren." Ps. 87:3, 4.
Wilt ge achtereenvolgens de Psalmen opslaan om de zendingsgedachten na te speuren, zie dan: Ps. 2: Ps. 9 : 21, Ps. 18 : 44, 59, Ps. 22 : 28-, Ps. 24:1, 7. Ps. 47:2, 3, 9, 10, Ps. 57 : 10, Ps. 66:1, 4, 8, Ps. 72:11, Ps. 96:3, 10, Ps. 98 : 3, Ps. 100, Ps. 105 : 1, Ps. 108 : 4, 6, Ps. 110:1, 2, Ps. 117:1, Ps. 138:4.
b.) Bij de Profeten: Het eigen lievend Israel had kunnen weten, dat het heil óok voor de heidenen zou geopenbaard worden. Vanouds was het door de Profeten op 't duidelijkst te verkondigd.
Jacob profeteert van een Held uit Juda's stam „Wien de volkeren gehoorzaam zullen zijn" Gen. 49 : 10. David ontvangt de belofte van een Koningszoon, die alle volkeren en vorsten aan zich onderwerpen zal, 2 Sam. 7 : 8—12, Ps. 110 : 1, 2. Jesaja ziet den Christus, naar Wien de heidenen zullen vragen, Jes. 6:9, 10; 11:10. En Haggaï spreekt van „de troost aller heidenen" 2:9. (Jes. 42 vs. 1, 4, 6, 7, Jes. 49 : 6 )
In de profetieën dus overvloed van zendingsgedachten en beloften voor de Heidenen. Sla maar op: en. 12:3, 49:10, 2 Sam. 7 : 8—12, Jes. 6 : 9, 10, Jes. 11:10, Jes. 40 VS. 3, Jes. 42:1, 4. 6, 7, Jes. 49 : 6, Jes. 60:3, Jes. 66 : 18, Jer. 3:17, Jer. 31:31—34, Joel 3:1, Micha 5:1, 3, Haggaï 2:29, Zacharia 14:9, 16, Maleachi 1:11.
Door héél de Oud-Testamentische Godsopenbaring loopt alzoo de gouden draad: alle geslachten der heidenen zullen komen om den Heere te aanbidden; ze zullen komen aanvliegen als duiven van alle einden der aarde.
4) Israel in ballingschap.
Tot straf voor de zonden moest Israel een en ander maal in ballingschap wonen onder de Heidenen.
Maar de Heere wil uit die strafifen over Israel komend nog een zegen bereiden voor de vreemde volken.
Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, Meden, Egyptenaren — evenals later de Grieken en de Romeinen — hooren van de in verstrooiing levende Joden iets van de Israelietische Messias verwachting. De hope wordt bij de Heidenen opgewekt, gelijk blijkt uit de komst van de Wijzen uit het Oosten naar Bethlehem.
Het Oude Testament was ook in het Grieksch overgezet (Septuagint-t). Waardoor het Woord Gods gemakkelijker onder het bereik der heidenen komen zou.
5) Zendingswoorden uit Jezus' mond.
Uit Israel is de Zaligmaker geboren. Hij was ook allereerst voor de schapen van het huis Israels. Maar ook voor andere schapen. De Hoofdman te Kapernaüm, de Kananeesche vrouw, de Samaritanen (Joh. 4) zijn ten bewijs.
Vooral in Jezus' gesprekken komt het uit, dat de zaligheid ook voor de heidenen was bestemd. Hij spreekt van „een grooten oogst" waarvoor Hij vele arbeiders noodig heeft. (Matth. 9:37, 38, ) van het Avondmaal, met gasten uit Oost en West (Matth. 8:11, 12) (Luc. 14 : 16—24, ) van het vischnet Matth. 13 : 31—33, '47, ) van het mosterdzaad, van het zuurdeeg enz. Waarbij de duidelijke verklaring van den Heiland is „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn, deze moet Ik ook toebrengen: zij zullen Mijne stem hooren, en het zal, worden éen kudde en éen herder". Joh, 10 : 16. Daarom ook het bevel: gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb" (Matth. 28 : 19, Mare. 16 : 15, Joh. 15:16.)
Of zooals in Matth. 24:14 staat: Dit evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot eene getuigenis allen volken, en dan zal het einde komen." (Matth. 26:13.) Terwijl we dan in Hand. 1:8 lezen: Gijlieden zult Mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria, en tot aan de einden der aarde."
En waar zoo de Koning gesproken had. vond dit weerklank in de zielen van Zijn discipelen en beginnende bij Jeruzalem zijn zij gansch het land door gegaan, door Samaria heen — tot dat Antiochië Paulus en Barnabas afvaardigt naar de heidenen, tot in Rome komend met de woorden des eeuwigen levens, ja, doordringend tot aan de einden der aarde onder geleide van Gods alles werkenden Geest. [Joh. 3:17, Joh. 10 : 16, Hand. 4:12, Hand. 13 :47. Hand. 16 : 31, Rom. 1:8, Ef. 2 : 14, Coll. 1:6, 1 Joh. 2 : 2, 1 Joh. 5 : 12, 1 Tim. 4:4—7, Openb. 7:9, enz. enz.]
[Gelijk Mozes, de aanvoerder van Israel, in alles onderwezen was, bekwamelijk toegerust, zoo wordt Paulus, de man van veel wetenschap, door God verkoren als heidenapostel. Niet de geringste maar de uitnemenste krachten moeten voor dit groote werk worden afgestaan!]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's