De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

De Gereformeerde Kerk en het Volksleven.

XII. (Slot).

In het Woord Gods, waartoe de Heilige Geest ons inleidt, ligt de kracht om ons denken op te klaren' en ons geestelijk leven te sterken.

Dat Woord geeft ons grond onder de voeten.

De burgerlijke wetgeving Gods aan Israel is een goudmijn voor de dingen van het sociale leven, als, naar Gods eisch, des Heeren eeuwige wil voor dat leven, dat er in uitkomt, losgemaakt wordt van de tijdelijke inkleeding voor ïsrael, en toegepast op ónze levensomstandigheden.

Het woord van Christus in de Evangeliën bestrijkt en beheerscht ook het terrein van het maatschappelijk leven en doet ons telkens oude en nieuwe dingen zien.

De apostelen vatten het publieke en sociale leven telkens in het oog en geven hun rijke, onderwijzende en vertroostende vermaningen.

In Psalmen en Profeten komt ook in dezen licht en schaduw uit.

In de Openbaring van Johannes schijnt het licht der eeuwige toekomst over Christus' legerscharen en de macht van den antichrist, over Babels gouden beker, die de volkeren dronken maakt, en over den weg van de zachtmoedigen der aarde, die het Koninkrijk beërven.

Het Woord Gods is zoo rijk.

Dat de Gemeente des Heeren dat Woord trouw beware!

Wat de naaste toekomst ons brengen zal, weten we niet

De teekenen der lijden zijn ernstig. Onder de rijken is veel Godsverachting, plutocratie, machtsmisbruik, weeldezucht, losbandigheid.

Bij de armen veel vergeten van God, verachten van Zijn Woord, werelddienst, ongoddelijk jagen naar lots venbetering, veel murmureeren, ondankbaarheid.

Is het niet ontzettend, dat duizenden onzer arbeiders socialist zijn.

En die godsdienstig heeten, zijn dikwijls weinig ontwikkeld, gehecht aan den drank en niet altijd flink voor hun werk ... zooals in een statistiek pas nog werd verklaard.

Wat zal de toekomst brengen?

De Fransche revolutie met haar nasleep was eenmaal niet te keeren.

Zal de wassende stroom van het socialisme en anarchisme nog tot staan gebracht worden ?

Het is in Gods hand! „Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad; Ik de Heere doe alle deze-dingen" (Jes. 45 : 7).

Maar laat daarbij de Gemeente des Heeren toch haar roeping mogen verstaan, om het Woord Gods te brengen aan allen, en rijk en arm aan te zeggen den weg des Heeren, waarin alleen vrede ligt.

Laten de omstandigheden des levens gekend mogen worden, om alles te belichten met den glans van de Goddelijke Lampe.

Gods Woord heeft altijd raad geweten en altijd den weg gewezen en altijd uitkomst gebracht en altijd vrede verspreid.

Wij hebben een historie, die in deze heerlijke dingen heeft te vermelden.

Hoeveel stormen heeft ons land en ons volk reeds moeten doormaken.

En „de Heere in de hoogte was telkens geweldiger dan het bruken van groote wateren, dan de geweldige baren der zee". (Ps. 93) Daarom kunnen we vol goeden moed zijn, vol blijde hope.

Wanneer ons volk weer leert luisteren naar Gods Woord, weer leert knielen voor den Christus, weer leert leven naar den eisch van Zijn getuigenis, koningen en onderdanen, rijken en armen, ouden en jongen saam.

Dan geen nood.

Christus leeft, Christus Consolator, Christus de Trooster, van Wien het woord geldt: Zie, een Koning zal regeeren in gerechtigheid en de vorsten zullen heerschen naar recht en de volken zullen zich verheugen, ja, de volken zullen zich verheugen, o God".

Tegen de Revolutie het Evangelie.

Maar dan Gods Woord in èl Zijn eisch. In Zijn eisch voor de Kerk zelve allereerst — en dan voor alle terrein des levens, gelijk in den catechismus o.a. door onze Vaderen is uiteengezet.

Lagere, Middelbare en Hooge scholen moeten komen onder den invloed van Gods Woord.

De Pers, de leeszaal, de werkplaats moeten weten wat de Heere gebiedt in Zijn heilig getuigenis.

Onze dichters en schrijvers moeten het weten; onze staatslieden moeten het verstaan; onze werklieden moeten het kennen.

En alles: prediking, bijbelverspreiding, evangelisatie-arbeid, zending, werk der barmhartigheid enz. enz. moet medewerken, om allen en alles bekend te maken met den weg Gods, waarvan het einde leven is en waarbij de heilzame vruchten gesmaakt worden aan deze zijde van het graf.

En o! daar ligt nu de breuke van onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk. De afval in dat huis Gods is zoo groot.

En de ellende in en buiten die kerk vermeerdert met den dag.

Waarbij men wel jaloersch, naijverig en hatelijk weet te zijn tegenover anderen.

Maar waarbij men constant weigert om terug te keerèn tot den ouden beproefden weg van Gods getuigenis in prediking en arbeid.

Allerlei prediking is geoorloofd. .

Allerlei arbeid staat vrij.

Maar de band aan het Woord ontbreekt.

Waarbij de band met het volk met den dag afbrokkelt.

En wel praat men nu, druk redeneerend, met veel vechten, vereeten en verbijten van elkander.

Maar men heeft geen lust om terug te keeren tot den Heere — waarbij de Heere Zijn straffen en oordeelen niet inhoudt. Onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk kón tot zoó'n groeten en rijken zegen zijn voor héél het volk.

Haar invloed kon zoo beduidend zijn in het midden van héél de natie.

Maar terwigl zij nog de „groote" kerk genoemd wordt — heeft de laatst gehouden 10-jaarlijksche volkstelling ons bittere dingen doen proeven. Dingen, die we wel wisten, die we wel vermoeden konden — maar die we nog niet zoo zwart op wit gezien hadden en die nu voor ons staan als onuitwischbare vreeselijke werkelijkheid.

Het volk ontvalt aan de Kerk, die eertijds het volk vergaderde. Het volk veracht de Kerk, die eertijds bij het volk gezag en invloed had. Het volk spot met de Kerk, die onze vaderen in haar schoot zag geboren worden.

En terwijl men overal naar de oorzaak zoekt, laat de Heere de oorzaak vlak voor onze voeten zien en roept Hij ons van alle kanten toe : de Kerk heeft Mij, den springader des levens, verlaten — daarom heb Ik haar verlaten.

De Kerk heeft de woorden der waarheid, haar toebetrouwd, verworpen — daarom heb Ik haar tot een eenzame en verachte gemaakt."

Dat speelt . zich af in het hart van onze natie. Dat kunnen we met onze oogen zien en tasten met onze handen.

Dat proces werkt dóór in steden en in dorpen.

De Kerk dezer landen heeft den weg der waarheid verlaten en het volk des lands verlaat de Kerk.

En zoo zakt land en volk weg in een peillooze diepte van ellend en smart.

In Amsterdam behooren maar 35 van de 100 menschen tot onze Herv. Kerk.

En hoeveel moeten er van die 35 dan nog worden afgetrokken, die niets meer met de Kerk te doen willen hebben, nooit naar de Kerk omzien, feitelijk zonder God en Zijn gebod leven?

In den Haag noemen zich 42 van de 100 Hervormd; in Utrecht 47 van de 100; in Rotterdam (met haar buitengemeenten, waar duizenden wonen die van het platte land kwamen) kan het nog 52 van de 100 halen!

De helft van de bevolking der steden niet meer behoorend tot de Herv. Kerk ..,

En het getal dergenen, die tot géén Kerk behooren, die zeggen er geen godsdienst meer op na te houden, klimt van dag tot dag — in totaal voor héél ons Vaderland 290.000, zijnde 1/20 van de bevolking.

Zal men nu deze dingen met ernst onder de oogen zien?

Zal men nu ophouden om bizonderlijk „de Geref. Kerken" te schelden en te lasteren, waar zoo'n groot deel van ons gereformeerde volk vergadert rondom Gods Woord en waar zoo velerlei arbeid wordt begonnen en voortgezet op het gebied van onderwijs, maatschappelijken en socialen arbeid?

Zal men nu de hand in eigen boezem leeren steken, om af te laten van het schelden op de mannen van den Geref. Bond CS., die niets anders willen dan de Herv. Kerk weer terugroepen tot de wegen Gods, in Zijn Woord ons geopenbaard, en zich in deze weer gaan gedragen zooals aan Hervormde menschen betaamt?

Zal men het leeren wagen met den Heere en Zijne beloften, zoo rijk en lieflijk voor allen die Hem in oprechtheid vreezen, naar Zijn heilig Woord?

O, dat de Geest van Christus over ons worde uitgestort en onze voeten worden vastgemaakt in het spoor Zijner gerechtigheid.

De Heere heeft ons toch niet tevergeefs Zijn Woord bekend gemaakt?

Onze Hervormde Kerk heeft toch niet tevergeefs bekend van ouds: Gods Woord ten licht en Christus tot Gids?

Waarom moeten allen die het hartelijk eens zijn in belijdenis gescheiden van elkander leven ?

Waarom heeft elke geest, ook die de Godheid van Christus loochent, vrij spel en wordt de waarheid onderdrukt en geweld aangedaan ?

Denkt men dat het volk zoo vertrouwen heeft in „de groote Kerk" — waar allies geoorloofd is?

Men werkt met kracht aan den ondergang der Hervormde (Gereformeerde) Kerk.

Men ondergraaft haar fundamentsteenen.

Men woelt los hare hechte grondslagen.

Men verderft het volk.

Wat zou het heerlijk zijn, wanneer er eens een geest van verootmoediging en een geest van bekeering over ons komen mocht en de Herv. (Geref) Kerk weer eens mocht terugkeeren , tot den Heere, die alle weg buiten Zijn woord bezoekt met Zijn vloek en alle paden des rechts wil zegenen uit genade.

Dan zou de bediening des Woords weer gaan opleven en het licht van Gods getuigenis kon uitstralen naar allen kant.

Dan zou de bediening der sacramenten weer recht komen staan.

Dan zou de Kerk weer in zake de diaconie hare heerlijke roeping onder de broeders en zusters, onder de ouden en ongelukkigen kunnen vervullen.

Dan zou het werk der Zending weer ter hand genomen kunnen worden.

Dan zou er kracht kunnen uitgaan van de Kerk, die ervaren zou worden op elk terrein van het volle, rijke menschenleven.

En de Christenen, saam vergaderd rondom Gods Woord, geleerd en geleid door den Geest van Cbristus, zouden het woord niet behoeven te laten aan de ongeloovigen en de socialisten of anarchisten.

In de Pers, in de School, - in Werkliedenvereeniging, in Vakvereeniging, in Jongelingsvereeniging, in Leeszaal, in Tractaatverspreiding, in Evangelisatie-arbeid, in Zendingsarbeid, in den arbeid der liefde en der barmhartigheid — overal waar het rijke en veelvormige volksleven zich ontplooit, hebben de christenen een taak en hebben de christenen ook wat te zeggen en wat te doen, indien de ootmoedige en levende belijdenis mag zijn: De Heere is onze sterkte en Zijn Woord is ons een lamp voor onzen voet.

Er moet antwoord komen uit den mond der Kerk op al de vragen die zich voordoen op het terrein van het leven des volks.

In de prediking moet als 't ware een echo gehoord worden van 't geen gist in den boezem des volks.

Eene prediking, die buiten het volksleven omgaat, is voor een niet onbelangrijk deel met onvruchtbaarheid geslagen en wordt hare roeping ontrouw.

En aan die prediking sluite zich aan alle arbeid onder jong en oud.

Dan zal de Kerk des Heeren kunnen zijn een zout op aarde, een licht op den kandelaar, een stad op een berg.

Maar als daar geen vasthouden is aan Gods Woord, als daar geen tucht is over de geesten, als daar alles geoorloofd is en het koninkrijk verdeeld en het huis verscheurd wordt — dan is de Kerk geen pilaar en vastigheid der waarheid.

Dan is zij een riet, van den wind heen en weer bewogen, wier kracht ijdel is voor het leven des volks.

Daarom kan de Gereformeerde Kerk, die Gods Woord belijdt als de waarheid en alle leugenleer haat, alleen wat beteekenen voor het volksleven.

De Gereformeerde Kerk, die Jezus Christus eerst als haar Koning.

Daarom — laat ons onzen Koning in Zijne Kerk dienen; zóo dienen, dat. zij meer en meer zich openbare als de Gereformeerde Kerk van Nederland, en zij meer en meer gesteld .worde ten zegen voor héél ons volk.

IJdele jubels.

De zonde van de oppervlakkigheid is zoo algemeen en zoo vreeselijk.

Gij zijt wel eens aan 't strand geweest, waar de kinderen zoo gaarne spelen met het zand, dat zoo heerlijk daar ligt in overvloed aan den oever der zee.

En dan hebt gij gezien hoe ze in het zand figuren maakten; hoe ze hun naam gingen schrijven in het zand; hoe ze van zand hoogten gingen maken; hoe ze tunnels groeven, hoe ze huizen, kasteelen zelfs bouwden, . met torens en grachten er om heen — waarop dan de vlag geplant werd, terwijl zij er bij stonden als een ridder voor zijn middeleeuwsch, onneembaar slot.

Dat wordt gedaan bij eb.

Maar wanneer de vloed opkomt, dringt het water zachtkens naar boven, het rolt vroolijk aan, de golfjes komen stoeiend verder, de stroom giet zich brutaal uit over het zand waar figuren gemaakt zijn en namen staan geschreven, het klotst wild tegen de zandhoogten, het bruist hoog over de kasteelen en haalt alles onderst boven, het maakt alles effen, het breekt alles af, — geen gracht meer, geen wallen meer, geen kasteel en geen torens meer, — en de vlag ligt nat en vuil op den grond.

Kindervermaak — om zich te verblijden in het zand.

Kindersmart — om alles te zien weggespoeld door het water.

Men meende iets te bezitten — en het was ijdelheid; 't hield geen stand, 't beteekende niets, 't was waardeloos.

Beeld van 't geen in het leven onder de menschenkinderen dagelijks voorvalt.

O, die zonde van de oppervlakkigheid.

Neem ons volk in onze dagen, nu men van stad tot stad en van dprp tot dorp feest viert. Nu men niet anders hoort dan van onafhankelijkheidsvreugd.

Men spreekt van voor 100 jaren, toen Nederland, onderdrukt door Napoleon, vrij werd gemaakt van vreemde heerschappij.

Niet meer een deel van Frankrijk. Niet meer een vreemde dwingeland als vorst.

Los van Frankrijk. Oranje weer op den troon. Onafhankelijk, vrij was Nederland, wat blijven mocht tot op dezen stond!

En dan wordt daarbij gesproken van Frankrijk, dat land waar men God onteert, door uit te roepen: geen God en geen meester! Waar men zich overgeeft aan allerlei zonde. Waar de natie dreigt onder te gaan.door zedeloosheid en losbandigheid. Waar men de lichten des hemels heeft uitgebluscht.

En dan wordt gesproken van eigen vrijheid, van eigen braafheid, van eigen kracht en deugdzaamheid, van eigen eer en sterkte.

Maar men vergeet, dat ons volk verloren gaat indien het zich blijft tevreê stellen met den schijn der dingen, indien het niet ont­ dekt wordt aan eigen zonde en ongerechtigheid, indien het niet leert graven in de diepte en iets anders, iets hoogers, iets beters zoekt te verkrijgen dan te roemen in eigen sterkte en heerlijkheid. Indien het niet leert bekennen gebonden te zijn door allerlei zonden. Indien het niet ontdekt wordt aan eigen ongehoorzaamheid, daar men weigert te bukken en te buigen voor den hoogen God en te wandelen in de paden Zijn Woords.

Men bedriegt zich, zich vermakende met den .schijn der dingen. Men graaft niet in de diepte. Men bouwt sterkten van zand in deze dagen van volksfeesten. Ja—voor 100 jaar werd Napoleon weggejaagd door God en Oranje kwam terug, Nederland was vrij.

Maar wie hadden Oranje weggejaagd?

Waren het niet de menschen, die zich niet schikken wilden naar Gods ordinautiën, die land en volk wilden sturen in den weg van de vrije gedachte en van de vrije daad?

Menschen, vrij van zin, wilden de banden verscheuren en de touwen van zich werpen. Menschen, — die nu wéér aan het bewind zijn, die nu wéér in het regeerkasteel zitten, gedreven door den zweep van een geweldigen drijver.

Menschen, die nu met Oranje willen doen, wat onze Vaderen in 1798 zonder Oranje deden.

Men viert onafhankelijkheidsfeesten !

Nederland is vrij van Frankrijks overheersching.

De Heere heeft groote wonderen verricht, dies zqn we verblyd!

Maar wee, indien we gelijk zijn aan de kinderen die sterkten bouwen van zand!

Want wat spreekt men van vrijheid!

Is ons volk niet gebonden door geesten uit den afgrond?

Heerscht niet een geest, die van God en Zijn Woord niet wil weten ?

Zijn het niet 290.000 menschen die bij de laatste yolkstelling vrijwillig neerschreven: we behooren niet meer tot eenig Kerkgenootschap ?

Is niet de dronkenschap een nation ale zonde ?

Wordt niet het vloeken overal gehoord ?

Heerscht niet een geest van losbandigheid onder rijk en arm?

Is er niet een zoeken van stoffelijke dingen, terwijl men niet bedenkt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods?

Wat spreekt.men van vrijheid?

Is onze Gereformeerde Kerk vrij?

Weldra zal het 100 jaar geleden zijn, dat zij onder een menschelijk juk gebracht is, om de waarheid naar Gods Woord te onderdrukken en de leugengeesten vrij spel te geven in alles; om Woord en sacrament te binden en de loochening van de godheid van Christus vrij te doen voortgaan.

En nog altijd deelen in den smaad der meerderheid zij, die wenschen op te komen voor hun Koning, van de rechten en de inzettingen des Heeren.

Zij, die de inzettingen der menschen eeren, genieten volle vrijheid; hun, die voor de waarheid naar Gods Woord wenschen op te komen, wordt nog steeds onrecht aangedaan!

Wat praat men van vrijheid!

Is het in ons goede vaderland, waar men feest viert vanwege de vrijheid, niet gehoord: „dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden, want ze zijn de doode vlieg, die de zalf des apothekers stinkende maken ?

En daarmee bedoelde de vrijzinnigen minister Kappeijne van de Capello, dat de Christus-belijders de bedervers der natie waren, dat het onderwijs in ons vaderland niet vrij mocht zijn, om zich in te richten naar uitwijzen van Gods Woord.

Dat in de school verboden moest worden te bidden en te-danken, te lezen uit Gods getuigenis, te noemen den naam van Jezus.

En het christelijk onderwijs staat nog altijd achter bij het godsdienstlooze onderwijs — welke achterstand in het jaar van het eeuwfeest van Neerlands onafhankelijkheid niet verminderd is geworden.

Wat spreekt men van vrijheid !

De vrijmetselaars met allen die vrij van zin zijn en zich niet willen richten naar den regel van Gods Woord hebben een verbond gesloten en duizenden er bij geofferd, om Indië zooveel mogelijk te sluiten voor de vrije prediking van Gods Woord en voor den bouw van christelijke scholen — en hun toeleg is kennelijk om den Christus-belijder Idenburg van den troon te stooten te Buitenzorg en zijn plaats te doen innemen, door een man van de vrije gedachte, die instemt met de volksleuze, aangehaald' door den dichter van Ps. 2.

Wat spreekt men van vrijheid!

Wee ons — indien we gelijk zijn aan de kinderen, die sterkten bouwen van zand!

Wat is de zonde der oppervlakkigheid algemeen en vreeselijk.

Dat land en volk meer verstond wat Jezus eenmaal sprak: indien gijlieden in Mijn Woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen en zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrij maken.

Daar moet het heen voor volk en vaderland.

Dèar moet het heen voor Kerk en School.

Vrij.

Om zich te kunnen en te mogen en te willen bewegen naar uitwijzen van Gods Woord.

"Bommenwerpers" en „petroleurs."

De namen, hierboven geschreven, zijn niet van ouden datum. Men sprak toen nog niet van dyamiet en petroleum. Ze wijzen heen naar mannen van zeker vernuft, zelfs vindt ge onder hen kundige mannen, doch, die hunne kennis misbruiken om verderf en ondergang te bewerken, 't Zijn helsche uitvindingen, de uitvindingen dier mannen; of dat eigenlijk niet; maar het gebruik, dat zij maken van de meerdere kennis op natuurkundig gebied, is helsch, is duivelsch. Vernieling en ellendigheid is in hunne wegen — en den weg des Vredes hebben ze niet gekend."

Deze namen zijn door een heer (gij dacht wellicht door een baliekluiver !) uitgesproken om gereformeerde mannen aan te duiden, die in wederkeering tot Gods Woord heil zoeken voor de Kerk des Heeren. Deze heer was met de uitvinding dier titulatuur voor zijne gereformeerde „broeders" in de lijn der mannen, die oudtijds Elia een oproermaker, Jeremia een kwaadstichter en Paulus een pest noemden.

'k Zeg niet, dat die mijnheer onder die mannen behoort, (hij toch bouwt mede aan de graven der profeten!), doch, dat de uitvinding dier titulatuur in de lijn der smaders van apostel en profeet ligt. Want hij die het uitsprak is professor; wel niet door de Landsregeering benoemd en eigenlijk van vreemden afkomst, naar ik meen; maar wel in Nederland ingeburgerd en benoemd door de Synode der Ned. Herv. Kerk, om „bijbelsche leer" 'en Zendingsgeschiedenis te onderwijzen enz. om de leer dier Kerk voor te staan en ook soms als adviseur der Synode op te treden.

Die professor is gevat en heeft soms gelukkige invallen. Pilatus had ook eens een »gelukkige inval, " toen hij den Koning der Kerk op ééne lijn plaatste met Bar-abbas, den bommen ..., 'k bedoel den moordenaar en politiek misdadiger.

Niet dat de professor met Pilatus is te vergelijken. Wie zou een hoogleeraar in de H. Theologie, nog wel door de Kerk zelve benoemd, durven op een lijn stellen met een Heidensch Landvoogd ? Ik niet. De professor is dan gevat, heusch niet dóm (stel u voor: een professor dom! ? Zooiets denkt men alleen van een Gereformeerd professor in sommige kringen en Gereformeerd is deze professor niet) en schrijft heel aardige „prolegomena" en geeft weleens blijk, dat hij veel Gereformeerde boeken leest en benut en veel kennis bezit.

Maar nu heeft hij zichzelven een oogenblik vergeten en zijne positie geheel uit 't oog verloren en werd een bommenwerper naar het hoofd van gereformeerde mannen.

Niet op een studenten-gezelschap of aan theetafel (dat past dan ook niet voor een professor!) maar in een officieele vergadering, waarin over een voorstel gesproken werd om een Conferentie te houden ter bespreking van den kerkelijken toestand, 't Voorstel wilde voor deze niet kerkelijke bijeenkomst, toch kerkelijke afvaardiging van ambtsdragers; of dat gaat en of 't wat uit zal halen, is een andere vraag ; 't feit is, dat een vriendelijk man met goede intentie 't voorstelde. Professor voelt wel iets voor zoo'n conferentie, mits ... geen gereformeerde bommenwerpers en petroleurs op die conferentie komen.

Is het niet ontzettend stout, om ten aanhoore van velen, in die omgeving, zulke schimpnamen te durven geven aan een kring van mannen, die in ordelijken weg 't goede zoeken voor de Kerk des Heeren ?

De smart, waarde redactie, maakt soms bitter.

Natuurlijk, dat een professor voor zijn opinie mag uitkomen, al wordt hij ook door de Kerk gesalarieerd ; maar vergeet hij dan zichzelven, (en fatsoen is ook wat!) hij moet niet zoo smadelijk spreken van andere personen, vooral hij niet, die predikanten in de Herv. Kerk mede moet opleiden tot ethische menschen ook.

Professor, gij hebt een vlek op uwe toga geworpen ; en meer; gij hebt, mannen, die gij in een „gullen bui" broeders noemt, gesmaad en slecht voorbeeld gegeven aan jongelui. Dat de veelzins nobele president, zoo iets zonder protest liet voorbijgaan, spijt schrijver dezes, die wel wenscht, dat de bedoelde Hoogleeraar man genoeg zij (een man is hij!) om dat woord terug te roepen.

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's