Staat en Maatschappij.
In het teeken der financiën.
De positie van het nieuwe Kabinet lijkt ons niet benijdenswaard. Niet alleen reeds om deze reden, dat de vrijzinnigheid maar over 38 zetels beschikt en de socialisten met hun zestienen de aanvulling zal moeten leveren om tot de meerderheid te komen, maar de omstandigheden waarin nu de heer Gort van der linden en zijne ambtgenooten zijn opgetreden, komen ons nog minder begeerlijk voor, lettende op de moeilijkheden waarmede de financieele politiek van het Kabinet zal te rekenen hebben.
Ondanks het accrès van inkomsten gedurende de laatste maanden, zal blijkens de begrootingcijfers over het dienstjaar 1913 de ontvangsten toch maar nauwelijks de uitgaven kunnen dekken. En loopt het 't volgende jaar mee dan is in het gunstigst geval een zelfde uitkomst ook voor 1914 te verwachten. Voor een ruimer vloeien van de baten ontbreekt voor het oogenblik elk gegeven.
Toch zal er geld, ja zelfs veel geld boven de gewone inkomsten moeten beschikbaar komen. Allereerst de millioenen die benoodigd zijn tot dekking der uitgaven ten behoeve van de uitkeering aan de 70-jarigen als gevolg van de aanneming der wet Talma.
Voorts de gelden die zullen moeten dienen om het eindcijfer der oorlogsbegrooting, ten gevolge van de Militiewet en reorganisatieplannen van Minister Colijn kloppend te maken.
Maar ook wanneer die sommen gevonden zijn, is men er nog bij lange na niet.
Dan komt b.v. de inlossing van de beloften die bij de stembus door de verschillende linkerpartijen gedaan werden.
Vooreerst de uitbreiding van het getal der 70 jarigen tot allen van dien leeftijd, mannen zoowel als vrouwen, die de ondersteuning behoeven. Een meerdere uitgave van de schatkist, door de deskundigen geraamd op een 12 millioen gulden.
Verder de verbetering van de tractementen der onderwijzers, eene verbetering waarvan de urgentie eveneens bij de stembus is uitgesproken. De kosten dezer verbetering bedraagt voor elke f 100 meer tractement een som van 2.5 millioen gulden.
Dan is er, om van andere toezeggingen maar te zwijgen, 'eene agitatie gaande om loonsverhoogïng te verkrijgen voor ALLEN die in Staatsdienst werkzaam zijn. Op aanstaanden Zondag zal daartoe in een gebouw te Amsterdam eene vergadering belegd worden, waarin een der onlangs gekozen Socialistische Kamerleden het woord zal voeren, om, naar de oproep voor die vergadering luidt, de urgentie eener algeheele loonsverhoogïng nog eens nader aan te toonen. De verwachting, dat aan dit verlangen zal voldaan worden, is bij de manifestanten, die het vierde Manifest van het Staatscomité bij grooten getale verspreiden, zoo groot, gezien de 16 Sociaal-democraten, die thans in de Kamer zitting krijgen, dat men het doet voorkomen alsof het nieuwe Kabinet onmiddellijk als eerste maatregel de millioenen voor de loonsverhoogïng zal aanvragen.
Het Kabinet bevindt zich in een lastige positie.
Met belangstelling zal ons volk de Troonrede tegemoet zien, waarin de financieele politiek voorzeker niet zal ontbreken.
Voor den éérsten tijd staat de politiek in het teeken der financiën.
Een bedenkelijk advies.
De vereeniging „Vaderland", ter behartiging van de belangen der Protestantsche Nederlanders in Duitschland, doet in eene circulaire een beroep op de offervaardigheid van het protestantsche deel der natie, opdat meer dan tot dusver de geestelijke en stoffelijke belangen der protestantsche Nederlanders in Duitschland kunnen gediend worden.
Van welk een omvang de emigratie van Nederlanders naar Duitschland is, daarvan geeft de circulaire eenige cijfers, die ontleend zijn aan een Duitsch tijdschrift voor statistiek. Zoo woonden er in 1905 in Duitschland 100996 Nederlanders en steeg dit getal in 1910 tot 144175. Op eene bevolking als de onze a 5858075 inwoners geeft dit bijna 25 personen op de 1000.
Deze emigratie op zoo groote schaal houdt terecht de aandacht bezig van regeering, kerkgezindten en andere corporaties. Toch wordt in den schreienden nood, die tot tastbare en zichtbare verwildering van velen der Hollanders leidt, maar weinig gedaan.
Deze omstandigheid nu gaf den stoot tot de oprichting van de vereeniging „Vaderland", waarbij de bedoeling voorzit zich aan te sluiten aan kerken, corporaties, vereenigingen en particuliere personen, welke de belangen der Nederlanders behartigen, om zooveel mogelijk éénheid en saam werking tot stand te brengen en te bevorderen, om de versnippering van de toch reeds ongenoegzame krachten te voorkomen, en den arbeid doeltreffender te maken in het belang onzer landgenooten.
Terecht meende het nu afgetreden kabinet dat aan de vereeniging „Vaderland" een rijkssubsidie behoorde te worden toegekend. Het voorstel daartoe werd gedaan en goedgekeurd en al is het bedrag niet hoog, toch is de subsidie van f 500 een blijk, dat de regeering den arbeid der vereeniging waardeert.
Wij zouden van deze zaak niet zoo breedvoerig gewag hebben gemaakt, wanneer niet dezer dagen onze aandacht gevallen was op een bezwaar dat in de pers geuit werd tegen de verleende rijkssubsidie en dat wel om een reden die ons, met het oog op het belang der aangelegenheid die het hier geldt, hoogst bedenkelijk voorkomt.
In de N.R.Ct. van 7 September komt een ingezonden stuk voor van Ds. K. J. Quast, Ned. Herv. predikant te Grootegast, de zoon van den bekenden Utrechtschen predikant van dien naam. De schrijver, die vroeger hulpprediker te Recklinghausen in Pruisen was, is van oordeel dat de vereeniging „Vaderland", die de goede bedoeling heeft om zooveel mogelijk eenheid en samenwerking tot stand te brengen, door haar oorsprong de bestaande gedeeldheid nog grooter dreigt te maken.
Ds. Quast licht niet nader toe in welk opzicht die oorsprong bezwaren ontmoet. Wel blijkt iets verder in het stuk, waar het eigenlijk den predikant uit Grootegast om te doen is. De vereeniging „Vaderland" is uit den booze. Zij moet weg. Kijk maar eens naar de namen die onder de oproeping staan, zoo schrijft hij, dan ziet ge eens hoe eenzijdig de Vereeniging is samengesteld en dan volgt daarop deze insinuatie aan het adres van het Ministerie-Heemskerk, die beter achterwege had kunnen blijven: „Voor het vorige Kabinet is dit (de zeer eenzijdige samenstelling van „Vaderland") waarschijnlijk de hoofdgrond geweest om eene subsidie van 500 gulden uit 's rijks kas beschikbaar te stellen."
Ziet men nu dat onder de zes onderteekenaars er drie zijn van de Gereformeerde Kerk en drie van de Hervormde Kerk en dat onder deze laatste zich een hoofdbestuurslid bevindt van den Gereformeerden Bond, dan kan men zich de ergernis indenken van een ethisch predikant, die ook van het vorige Kabinet niets moest hebben. Maar dat de vijandschap van die zijde zoover zou gedreven worden als in het advies van Ds. Quast aan de tegenwoordige regeering te vinden is, gaat het wel de perken te buiten. „Voor het huidig ministerie", zoo schrijft Ds. Quast, „moet dit (de zeer eenzigdige samenstelling) een reden wezen om of billijkheidshalve ook de andere voor de Protestantsche Nederlanders in Duitschland werkende lichamen te bedenken, öf beter nog eene afwachtende houding aan te nemen (cursiveering is van ons) tot op dit gebied ingang heeft gevonden een eenheidsbeweging uit allen, voor allen; en niet, waar het bij „Vaderland" thans op neer zal komen: uit geen, boven allen."
Op de vriendelijkheid in het slot van dezen passus, gaan wij maar niet in. Het is ons hier alleen te doen om op het advies dat ds. Quast met betrekking tot de zaak, die hij van zoo nabij kent, aan de regeering geeft, de aandacht te vestigen. Het beste — zoo zegt ds. Quast — o regeering is, dat gij uwe handen maar van de beweging van Gereformeerde zijde aftrekt, dat gij maar eene afwachtende houding aanneemt. Loopt het dan bij gebrek aan financiëelen steun met de behartiging der geestelijke en stoffelijke belangen mis, welnu dan is dit nog veel beter, dan dat hier de leiding in handen van Gereformeerden is.
Natuurlijk zou er geen haan naar kraaien als de vrienden van ds. Quast aan het hoofd der beweging stonden. Dan was alles in den haak, dan was het „een eenheidsbeweging uit allen, voor allen", maar nu de leiding in die handen niet is, ' is het alles verkeerd.
Intusschen wij achten het advies van ds. Quast, en dat nog wel in de gegeven omstandigheden, hoogst bedenkelijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's