De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De last des Heeren door den Profeet Jeremia tegen Juda.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De last des Heeren door den Profeet Jeremia tegen Juda.

4 minuten leestijd

( Vervolg).

Jeremia Cap. VII—X.

Cap. VII.

Zoo zegt de Heer' der legerscharen, de God van Isrel: 'k heb een lust in wat gij offert op de altaren; eet vleesch en laat uw God met rust! 'k Heb uwen vaadren niets geboden, toen Ik hen opvoerde uit de nooden der slavernij, dan dit bevel: hoort naar Mijn stem, houdt Mij in eere! Jehovah is een eenig Heere, hoor Hem en dien Hem, Israel!

'k Had u gezegend boven allen, doch, wien gij hoordet, niet naar Mij; gij deedt naar al uw welgevallen en, in verstokte hoovaardij, hebt gij den heilwenk der Profeten versmaad, het trouwverbond vergeten, den harden nek nog meer verhard en Mij, nog erger dan te voren uw vaders deden, de oogen, de ooren, meineedig volk, getart, gesard.

Wel zult gij, ziener, dit doen hooren en tot hen roepen, — 't baat u niet! Daarom, zoo spreek tot dit verloren geslacht, dat ziende niet en ziet en hoorend doof is; dat de hoede zijns Gods niet aanneemt noch de roede gehoorzaamt; dat de waarheid knecht, moedwillig uitroeit van zijn lippen; Mijn tucht en teugel tracht te ontglippen, heeft 't zaad van zelfbederf gelegd.

Scheer af uw hoofdhaar, Sioniete, en werp het weg; verhef uw klacht! Het volk, dat Mij zoo lang verdriette, verworpen heeft, gehaat, veracht, heb Ik verworpen, want zij slachtten hun kroost op Tofeth's hoogte en brachten 't verfoeilijkst ontuig in mijn Huis. En daarom, ziet, de dagen komen, dat Isrels bloed als waterstroomen, zijn Tempel storten zal in gruis.

Dan zal zijn lijk tot voedsel strekken van gier en arend; 't wild gediert' zal 't lichaam wreed in stukken trekken met woest gehuil; al wat nu tiert en bloeit en juicht zal nederzijsen; de stem des bruidegoms zal zwijgen met die der bruid bij 't hooggetij; 't geklank der harpen zal verstommen bij 't grijnzend puin der heiligdommen in 't land der barre woestenij.

Cap. VIII.

Te dier tijd, spreekt de stem des Heeren, zal 'k al wat Juda stoot in 't graf meedoogloos onderst boven keeren, haar snoode afvalligheid tot straf. Der Koningen gewijd gebeente zal uit zijn heerlijk praalgesteente met dat van al wie eer genoot en van den minste barer zonen voor zon en maan, wien ze eerbied toonen en dienen, smaadlijk liggen bloot.

Hun stof zal, van zijn graf verstoken, tot mest verstrekken van het land. Zoo wordt Mijn eer aan 't volk gewroken, dat Mij onteerde en bracht te schand'. En wie van hen is nagebleven verkiest den dood in plaats van't leven in 't vreemde land. Zoo spreekt uw God. Zeg wijders tot hen  zou men vallen en niet weer opstaan? Zie, van allen wien rouwt het eigen jammerlot?

'k Ben moe van 't altoosdurend zwerven van 't trouwloos volk, dat, wars van 't recht, Mijn Naam onteert zich ten verderven, het heil versmaadt, hun toegezegd. Wat heb Ik hem gedaan? De booze rent als het paard, het teugellooze, in 't strijdperk om. Zelfs ooievaar, duif, kraan en zwaluw neernt de tijden van gaan en komen waar O lijden, Mijn Volk slechts neemt zijn tijd nietwaar!

Hoe zegt men dan: des Heeren wetten zijn bij ons heilig; wij zijn vroed? Uw schriftgeleerden spannen netten van ijdelheid en euvelmoed! Valsch is hun pen, valsch zijn hun treken; hun wijsheid is bedrog gebleken; uw wijzen zijn beschaamd; hun raad is misdaad. Lippen, die verstijven, wat wijsheid zoude u overblijven, die 's Heeren wijsheid hebt versmaad?

Dies zal Ik, — volk der ongelukken en der verdwaasdheid, hoor 't besluit!— uw vrouwen van de borst u rukken en huis en hof wordt 's vijands buit; want allen zijt gij afgeweken tot gierigheid; ja, booze streken bedrijft zelfs priester en profeet, daar zij de breuk mijns Volks verbloemen en valsch van vrede, vrede roemen, waar niets als onvreê heerscht en leed.

Verft ooit een schaamteblos de kaken van wie er misdrijf pleegt? Veeleer zal men zich driest en driester maken, als strekte de oneer hun tot eer. Voor zulk een schaamteloosheid zullen Mijn strafgerichten zich vervullen en vallen zal wat vallen wil. 'k Wil druiven aan mijn wingerd danken, doch, vrucht-, ja, bladloos zijn de ranken — zoo overtreedt en zwijgt men stil!

{Wordt vervolgd.)

1913.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De last des Heeren door den Profeet Jeremia tegen Juda.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's