De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren. Gen. 18:22b

Een, die pleit voor een schuldig volk.

Het lot van Sodom is beslist.

De mate harer zonde is vol. Degenen, die het vonnis aan haar voltrekken zouden, hebben van Abraham afscheid genomen.

Een schrikkelijke gedachte. De man Gods is ontroerd omtrent al die zielen. Vandaar dat hij van het aangezicht des Heeren niet wijken kan. Hij moet pleiten. Hij zal zijn smeekbeden opzenden. Met een bewonderenswaardige vrijmoedigheid houdt hij stand. Hij blijft staande voor het aangezicht des Heeren, zoo lezen we.

Vanwaar dit durven. Weet gij er het antwoord op lezer?

Laat het ons eens onderzoeken.

Daar is tweeërlei vrijmoedigheid, een, die de Heere geeft en eene, die de mensch neemt

Dit heeft iedere bidder voor zich zelven maar uit te maken. Indien de Heere als 't ware Zijn sterke vriendenarrm steekt onder den oksel van Zijn hulpbehoevend kindeke, dan wordt alle schroom van die kinderlip geweerd. Toen Jakob Israel werd zeide hij oók: »Heere, ik laat u niet gaan tenzij Gij mij zegent." Dat was kloekelijk gesproken. De Heere getuigt het Zelf: „gij hebt u mannelijk gedragen met God en met menschen."

Eene andere zaak is of in dezen dikwerf niet schromelijk wordt gezondigd.

Dan is het een onheilig spelen met de heiligheid van het gebed door den Heere toe te spreken op een wijze als men Zijns gelijken nauwelijks doen zou.

Van deze vrijmoedigheid was bij Abraham geen spoor. Hij werd niet voortgedreven door iets zijnerzijds, maar aangetrokken van Gods zijde, 't Waren Gods deugden, die hem opvoerden. Deze overleggingen waren in zijn hart: , Gij zult uw woord niet breken, o Heere! Gij zijt immers de Rechtvaardige." Maar terwijl hij dit zegt en den Heere in de oogen mag zien, voelt hij den grond onder zijne voeten wegzinken. „Ik ben wel rechtvaardig: zegt de Heere — maar die stad en hare inwoners." Abraham wankelt evenwel niet lang, dit is een wonderlijke eigenschap bij Gods kinderen, zij zijn zoo vindingrqk. Mijn recht moge wijken, daar is Uwerzijds ook nog genade. Als ik zien mag op U Heere, zoo grijp, ik beide deugden te gelijk, 't Geldt immers: door al Uw deugden aangespoord.

Zie, daarop is de Duivel nu altijd uit, hij tracht immer de eene deugd Gods tegen de andere deugd uit te spelen. Ze moeten met elkander verbonden blijven.

Abraham zeide: goed Heere, zet ze in goddelijke orde voor uw heilig aangezicht: genade en recht beide.

Er is een volk, om welks wille Gij genade wilt bewijzen, dat weet ik. Welk volk op zijne beurt weer geheel rechtvaardig moet gerekend worden, uit genade alleen, enkel om des Rechtvaardigen wille.

Het komt in laatste instantie geheel uit u Zelven: 't Is om 't eeuwig welbehagen.

't Zijn Uwe deugden: genade en recht beide. „Nu Heere... ik heb daar een getal genoemd — och let toch niet op mij ik durf het haast niet te vragen — als er dan geen 50 zijn."

Hier hebt ge het bewijs van wat we straks van Abrahams vrijmoedigheid getuigden. Deze kwam uit den Heere, ge voelt: hier is heilige eerbied. Hier is afstand tusschen bidder en Aangebedene.

„Heere, zegt hij, hoewel ik stof en asch ben, d.w.z. Gij recht zoudt hebben om mij te vertreden, gelijk stof vertreden wordt of als asch weg te blazen, gelijk dit weggeblazen wordt op den ademtocht der winden, misschien zal er een vijftal ontbreken, zult Gij dan om 5 de gansche stad verderven?

O, denk het u in — lezer — hoe bang maar ook hoe klimmend en klemmend zulk bidden is.

Wat 'n zegen voor land en volk zulke bidders te hebben. Deze doen meer dan een leger. De Heere toch let op het geroep van den ellendige.

Abraham pleitte, altijd maar weer op nieuwe genade. Als het hem bij de handen afbreekt, als er nog geen 45 mochten zijn, zoo zegt hij: „40 dan" ?

Hij doet als een koopman, die altijd maar het punt van overeenkomst zoekt te naderen. Hij wil toch zoo gaarne behouden.

'*Wat wordt de liefde hier in haar teerste zoeken openbaar. „Nog sparen, nog sparen, wie weet." De bidder wordt hoe langer hoe kleiner. Als hij tot 30 is afgedaald, buigt hij zich neder „dat toch de Heere niet ontsteke."

En wanneer hij tot 20 is afgeklommen zucht hij: „zie toch, ik heb me onder wonden te spreken tot den Heere." Ik zal nog eenmaal het waagstuk bestaan. En als er dan nog geen 20 zijn komt het krijtend over zijne lippen: „dat toch dé Heere niet ontsteke, dat ik nog eenmaal spreek, misschien zullen er 10 gevonden worden."

Welk een liefde voor medezondaren.

Zou het niet enkel te verstaan zijn van degenen die het geleerd hebben uit genade te leven. Dan is geen pleiten te veel. Dan is er een weekheid van voelen voor alles wat verloren gaat, omdat het verloren is. Daar is een zucht des behouds. Het is een wet geschreven op de tafelen huns harten: „grijpt ze, die ten doode wankelen."

Schoon deze liefde, — maar wat is ze nog in vergelijking met die .liefde waaruit dit stroompje is ontsprongen!

Gods ontfermende liefde in Christus Jezus is oneindig groot. Hij draagt die wereld om Zijn volk te redden eeuwen lang. Zij kan zoo niet uitspatten, of Zijne barmhartigheid klimt er nog boven uit.

Stelt u dit eens voor: ge zoudt uw huisgezin overladen met weldaden en men zou u ieder moment van ontmoeten overgeven aan smaad en hoon. Ge kreegt dank nimmer, spot immer. Zoudt ge dat uithouden. Nog geen week, nog geen dag, nog geen uur.

„Abraham bleef nog staande voor het aangezicht dés Heeren." Hij zou een pleidooi voeren, al was het niet voor zichzelven, toch voor het zijne. „ Heeré, misschien zijn er vijftig rechtvaardigen, in de stad, zult Gij die ook ombrengen ? "

Abraham pleitte op de deugd Gods, rechtvaardigheid geheeten. Evenwel het aantal door hem genoemd wordt niet gevonden. Wat nu? Op Gods barmhartigheid gepleit. Genade Heere, genade alleen. Als er vijf ontbreken, als er tien ontbreken, hij moet al naar beneden, hij gaat hoe langer hoe lager, ge kunt het in zijn vragen aan den Heere merken. Ten slotte houdt het op, „Hij durft niet meer", zegt ge.

Och, noem het liever met een anderen naam, hij kon niet meer. Hij gevoelde: nu gaat mijn bidden over in iets anders. Hij hield op met bidden, omdat de Heere den Geest des gebeds inhield.

Wellicht is eene bedenking bij u opgeko­men en wel deze: zoo straks hebt ge gezegd, dat de Heere het geroep van den ellendige hoort, maar is dit nu wel in deze geschiedenis van Abraham te merken? De Heere heeft niet gehoord, zegt ge.

Zou het waar zijn? 'k Geloof toch, lezer, dat ge u vergist. Leest maar eens het 29ste vers van het volgende hoofdstuk uit Genesis. „Toen - God de steden dezer vlakte verdierf, dacht Hij aan Abraham." Zoo staat er letterlijk, en Hij leidde Lot uit.

Zie, Lot zou om zichzelven niet gedacht hebben, maar God gaf het Abraham in zijn hart te pleiten.

Zoo ziet ge dat de Heere op dè Zijnen let, ook zelfs als , ze zelf nog niet aan hun behoud zouden denken.

Maar - nu een slotwoord, zij het met persoonlijke toepassing.

Wat een groote dwaasheid toch van die wereld om te meenen: 't zijn niet anders dan „sta's in den weg, " Bidders zijn de steunpilaren waarop ook haar gebouw rust. De Profeet Jesaja zegt het zoo kostelijk schoon: gelijk de eik en gelijk de haageik, in denwelken na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzoo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.

En gelijk hij op een andere plaats den volke kond doet: „alzoo zegt de Heere, gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: verderf ze niet, want daar is een zegen in, alzoo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik ze niet allen verderve, "

Wat een zegen voor een volk zulke bidders in zijn midden te hebben, die de nooden van land en volk alzoo voor den Heere mogen nederleggen, die, wat voor moeilijkheden zich ook mogen aandienen, niet afhouden, die staan blijven, gelijk Abraham voor Gods aangezichte staan bleef.

Een zegen voor land en volk.

Maar nu. Abraham pleitte op Gods rechtvaardigheid. Heere, indien er zijn zooveel rechtvaardigen, zooveel, die voor Uw recht hebben leeren buigen, zoo ziilt gij ze toch niet wegdoen." Dus het punt, waarop hier het oog dient gevestigd,  is, zijn hier ook rechtvaardigen, hier in ons midden ook menschen, die den Heere in oprechtheid vreezen, die hun ziele kwellen door het zien en hporen van al de ongerechtige werken dezer wereld.

Zoo niet, ons lot zal zijn gelijk dat der steden, die door Gods heeten adem werden verteerd.

Abraham pleitte voor anderer behoud. Waar zijne ziele ruste gevonden had, zag hij ook zielsgaarne dat anderen gingen schuilen. Hij drong als met heiligen aandrang op den Almachtige aan.

Hoe velen in onzen tijd pleiten zelfs nooit meer om eigen behoud.

'k Sprak dezer dagen een collega, die me mededeeling deed van zijn ervaring. Hoor, lezer, een zijner gemeenteleden durfde deze stoute taal zelfs uiten. „Ds., ik zit veelmeer in de war over mijn huur dan over mijn ziel. Dat laatste zal best schikken."

Schrikkelijk, niet waar? Welk een stoutheid van spreken. Ge huivert misschien? Maar laat ons nu elkander eens eerlijk in de oogen zien. Hoeveel — of beter gezegd — hoe weinig verschilt onze levensopenbaring van dit zeggen. We zijn, wat de groote hoop betreft, immers met niet ! anders bezig, over niets meer verontrust dan over de huurpenningen, welke we aan deze wereld moeten afdragen, en onze arme ziel staat onverzorgd voor die groote eeuwigheid. Mag dit nog langer?

Och, lezer, pleit toch op Gods barmhartigheden, die groot zijn. Vraagt den Heere of Hij het smeekgebed van den heerlijksten Pleitbezorger, Die voor Gods aangezicht staat, wil hooren.

De Heere, ge kunt hier de bewijzen vinden, is groot van goedertierenheid. Zijn geduld kent schier geen grenzen. Voor Sodom laat Hij nog pleiten, voor Gomorra treden nog bidders in.

Bedenkt toch: aan het kruis hing de Heiland met wijd uitgebreide armen, opdat geen enkele van hen, die zich verloren weten, ooit mag blijven zeggen: Zijn arm strekt zich zoo ver niet uit, dat de doorboorde hand komt te liggen op mijn schuldig hoofd.

De barmhartige Hoogepriester pleit voor een gansch verloren volk.

Abraham is in deze niet anders dan een type, een voorbeeld van den Christus Gods, die staat en blijft staan voor Gods aangezicht.

Ook heden nog.

Pleit Hij ook voor onze zonden? Dan zijn we ook zondaren geworden, dan is ons harte ook niet meer thuis in deze wereld, dan gaat - onze ziel ook-uit-naar den. Heere, dan is het hier het land der vreemdelingschap en dan is Boven óns thuis.

Och, dat de Heere 't nog bij velen onzer zoo mocht toebereiden door Zijn Woord en Geest.

Dat het Zoar Gods ons in hare poorten moge zien binnentreden.

Straks zal Sodom vergaan. Alleen die in Zoar binnenvalt is veilig.

Abrahams bidden is dan verhoord.

De betere Middelaar ziet dan op Zijn geredden neder als Zijn buit, als Zijn volk, als Zijn glorie.

Dat Hij ook op ons moge zien. Dat zou heerlijk zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's