De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

Over den Godsdienst.

I.

Wat is waarheid?

Die' Pilatus'-vraag wordt nog al eens gedaan in onze dagen, — en er is oorzaak voor, waar het wereldleven ons de meest bonte verscheidenheid laat zien.

Wie meent dat we in kalme dagen leven, vergist zich. Vooral sedert 1870 is er op elk gebied groote actie ontstaan. Maar wat zal stuur geven? Wat zal het einde zijn?

Eén ding is zeker: de tegenwoordige tijd verschilt belangrijk van een voorafgaande periode.

In den tijd der Fransche Revolutie en de doorwerking harer beginselen was er voor den godsdienst geen plaats.

„Ni Dieu" — was de leus.

Dat is: geen God! En dus ook: geen godsdienst.

En het is de onvergeefelijke fout van het liberalisme, dat het dezen Franschen geest heeft geïmporteerd in ons vaderland, overal verkondigend: er is geen God — dus ook geen godsdienst meer.

Men heeft geleerd en men heeft gehandeld naar het woord van Gambelta: Ie clericalisme c'est l'énnemi d.i. de godsdienst is de vijand!

Neutraal moest alles zijn. Dat is: wat Gode's was moest den .Heere ontrukt worden; wat geestelijk was moest stoffelijk gemaakt worden, het hoogere moest plaats maken voor het lagere. Alles werd verklaard buiten God om. Alles werd ingericht buiten Gods Woord om. Heel het leven moest vreemd worden aan 't geen boven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand des Vaders.

Dom van het knappe liberalisme!

Want men had toch moeten weten, dat ons volk van huis uit een godsdienstig volk is en dat ons volk nooit genoegen zou nemen met een openbare school, die de eenvoudigste eischen van het gemoedsleven geweld aan doet, die den mensch weigert te geven wat de mensch, krachtens zijne goddelijke oorsprong, behoeft.

Voor een tijd is het gegaan.

Maar het intellectualisme, dat het verstand tot hoogste gebieder maakte, baarde het materrialisme, dat den mensch leert om te zien alleen naar 't geen van de aarde is.

En bij dat materialisme, dat verafgoden van de stof, is de hoop op geluk geheel en al gebouwd op een zandgrond. Het maatschappelijk, sociaal leven moet geheel ingericht worden naar uitwijzen van stoffelijke belangen.

Het huiselijk leven draait geheel om dingen van deze aarde.

De school rekent niet anders dan met de dingen die voor oogen zijn.

Zoó zal het geluk komen, wanneer alles op peil gebracht wordt naar aanwijzing van het materialisme.

Maar de berekening is falikant uitgekomen. Het materialisme baart smart op smart.

En het opkomen van theosofie, spiritisme, magnetisme, hypnotisme enz. zijn bewijzen te over, dat de mensch voelt en blijft voelen, dat achter de wereld der zichtbare dingen de realiteit der geestelijke wereldmachten, het bestaan der onzichtbare dingen niet te ontkennen valt.

De diepe weg van Godsverachting baart in deze vruchten die goed zijn.

Want diep is de weg geweest.

Veel heeft men durven zeggen, schrijven, bewijzen. Brutaal heeft men zich durven stellen tegenover den levenden God en Zijn onfeilbaar, eeuwigblijvend Woord.

Luide heeft men durven veroordeelen wat onze vaderen altijd hebben geleerd. Schamper heeft men gelachen om de ideeën der Godsmannen. En huiveringwekkend banaal was de uitspraak: Jezus van Nazareth is de grootste bedrieger der eeuwen geweest — maar nu is Zijn rijk uit — ecrassez l'infame — vertrap den ellending!

Met schoone beloften voor de toekomst, ging dat veroordeelen van de religieus geestelijke dingen gepaard.

Doch meer en meer werd en wordt een ontroerende wereld van ellende en moeite gezien.

Zeker, door de kundige uitvindingen is het leven verrijkt, door allerlei wetenschap is de kennis vermeerderd, door allerlei arbeid is de welvaart verhoogd. Maar de grootsche verwachtingen der 19de eeuw hebben bankroet geleden. De schoone beloften van de mannen der revolutie en des ongeloofs zijn ijdel gebleven. En het lijden is vermeerderd, de smart is geklommen, de ellende heeft zich uitgebreid — terwijl tegenover allerlei vreugd die wereld van smart en zorgen, die wereld van jammer en lijden zich scherper begint af te teekenen, zonder dat er veel hoop op verlossing wordt gevonden.

Liederen van smart, zangen van leed hoort men dan ook overal, waar onder geleerden en eenvoudigen, onder rijken en armen, onder ouden en jongen over de dingen des levens gesproken wordt. Liederen van smart en zangen van leed maken de lucht zoo zwaar om in te ademen, maken het brood zoo bitter om te eten, maken het leven zoo moeilijk. Het schijnt soms alsof die wereld van moeite en ellende niet zoo groot is.

Er is zooveel vroolijkheid. Er zijn zooveel blijde jubels.

Maar ... dan blijkt telkens weer, dat achter 't schoonste licht toch weer duisternis verborgen zit, dat bij elke vreugd de smart niet verre is — en Mozes' woord geldt nog: 't uitnemendste van het leven is moeite en verdriet. Of om met Paulus' woorden te spreken, 't wordt telkens weer duidelijk, dat het gansche schepsel zucht te samen en als in barensnood is tot nu toe.

Ja — 't leven is zoo moeilijk, de ervaring is zoo bitter, de teleurstelling zoo wreed. Wat gaan de illusie's van oogenblik tot oogenblik den weg van de zeepbel, die veelkleurig huppelt en schitterend opstijgt, om plots uit elkaar te spatten. 

't Leven is gelijk aan de zee.

Ga eens naar het strand.

Schoon ligt daar de onmetelijke watervlakte in stille statie, vroolijk glimlachend vol zilvere vreugd.

Rustig beweegt zich de visschersvloot en de ranke vaartuigjes worden door de kleine golfjes overladen met onschuldige liefkoozingen.

Maar daar ginds vertoont zich in het Westen een wolkje, 't Is wel klein, doch 't wordt grooter; de hemel wordt donker, de wind. laat zich weldra kreunend hooren door 't want; 't water wordt beroerd; de zee begint te koken van woede, witte wolken schuim vliegen her-en derwaarts, en met ruw, ontembaar geweld beginnen de golven te spelen met de schepen, te spelen met menschenlevens, te spelen met de mannen van vrouwen, die, op het hooren van den wind, zuchtend nederzitten in de visschershut, te spelen met de kinderen der moeders, die biddend neerknielen, vol angst, in het verborgene van haar woonvertrek.

Wat een verandering! Pas zoo indrukwekkend door haar stille statie is zij nu zoo schrikwekkend door haar ruw geweld.

En neen, of zij den volgenden dag weer vriendelijk glimlacht bij het schitterende glanzen der zonne in het water — dat kan ons niet bedriegen. Want die planken, die mast, die lijken die zij zachtkens voortschuift dan over de hobbelige watervlakte, om ze dartel spelend op den oever te werpen, die zeggen ons, dat de zee wreed is, zich niet bekommerend om de mannen, die gillend zijn weggezonken in de diepte der bodemlooze wateren, noch om de vrouwen die in een oogenblik weduwen zijn geworden, noch om de kinderen, die nu geen vader meer hebben.

Scheen alles zoo schoon, zoo lieflijk, zoo rustig, zoo vriendelijk en zoo blij — maar *t is een diepte van wreedheid, een kuil van ellende, een vlakte vol teleurstelling, angst, dood en vernieling.

Zoo is 't met ons leven hier op aarde. En ja — men heeft beloofd die diepte van ellende te zullen dempen.

Men heeft toegezegd, olie te kunnen werpen op de kokende golven.

Men heeft den voet vastigheid en het harte blijdschap in uitzicht gegeven.

Maar op de golvende wateren der zee wordt hoe langer hoe meer de klacht gehoord : de wetenschap der vorige eeuw heeft bankroet geleden. En men begint het hoe langer hoe meer te gevoelen en te bekennen: de mensch kan niet zonder een greep in het onzichtbare, een vasthouden van het hoogere, een zoeken van God en Zijn nabijheid, een ervaren van Zijn hulp, een hopen op 't geen boven is.

We leven thans in een mystieken tijd. Bittere ervaringen van smart hebben dat zoo gemaakt.

In allerlei kringen houdt men er godsdienstige stelsels op na. En men wil weer hooren van God en goddelijke zaken.

Het „Nut voor 't algemeen" bekent, dat de godsdienstlooze school uit den booze is en voor het volk niet stichtend. Men gaat eigen, vrije scholen oprichten met religieuse tendenzen.

Neen, men wordt niet meer uitgelachen, wanneer men spreekt over de ziel en over geestelijke, hoogere, verborgen dingen.

Waar voorheen alleen de lieden van „de nachtschool", het „niet-denkend deel der natie" zich met den godsdienst bezig hielden, wordt daarover thans in allerlei kring druk gesproken.

En het wordt openbaar, dat de menschelijke natuur geweld aangedaan wordt wanneer de godsdienst eenvoudig uitgeschakeld wordt.

Men heeft geleerd in een weg van stofvergoding, slechts voor de aarde, alleen rekening houdend met de dingen die beneden zijn. En het is openbaar geworden, dat een mensch met een dergelijk platvloersch leven niet toe kan.

Het historisch materialisme heeft beslag gelegd op breede rijen van arbeiders en nietarbeiders. Men heeft gezegd: God is dood. Men heeft verklaard: de godsdienst is de uitvinding van bedriegelijke volksmisleiders en domme priesters.

Maar bij den verstikkenden adem des doods, die van het rationalisme en materialisme uitging, heeft menig hart het leeren uitschreeuwen: er is een God die leeft.

Om het te bekennen, dat de godsdienst een allerkostelijkst kleinood is.

Neen, al heeft in-November van het jaar 1906 de Fransche minister van arbeid, Viviani, publiekelijk verzekerd: zij roepen den man, die vermoeid daar neerzit en weent over zijn ellendig lot, toe, dat er achter die wolken, waarheen zijn droeve blikken zich wenden, slechts hersenschimmen zijn — en wij hebben met machtig gebaar daar in den hemel de lichten uitgedoofd, die niet meer zullen aangestoken worden", ziet, dat heeft niet kunnen verhinderen, dat in allerlei kring gevoeld en beleden wordt: de mensch kan niet zonder ' den godsdienst; de mensch kan niet zonder de hoogere, de geestelijke, de eeuwige dingen. En bij al het mistasten van velen, bij al het dwalen in voorstelling en belijdenis, — blijkt zonneklaar nochtans, dat de Grieksche dichter Aratus naar waarheid getuigde: de mensch is van Gods geslacht", (Hand. 17 : 28) wat de oorzaak is, dat de mensch, die krachtens zijn schepping Godsbewustzijn in zich omdraagt, niet zonder God kan en telkens weer tast en grijpt of hij God ook vinden kan.

(Wordt vervolgd.)

Een medewerker schrijft ons:

Professorale onbegrijpelijkheid.

Gelijk sommige lezers van Uw geacht orgaan zich nog wel herinneren zullen, heb ik getracht de benoeming van Jhr Mr. B. O de Savornin Lohman tot professor in het staatsrecht aan de Utrechtsche universiteit met verschillende argumenten te verdedi gen-1) Of ik daarin geslaagd ben, blijve aan het oordeel van hen, die mijn stukske onder de oogen kregen. Met groote belangstelling ben ik in de maand December des vorigen jaars naar Utrecht getogen, om den nieuwen professor zijn inaugureele rede te hooren houden, gelijk ik die een paar maanden te voren van Prof. Noordzij had bijgewoond en in de laatsten Junimaand Prof. Ovink hoorde oreeren, — maar met de allergrootste belangstelling heb ik mij den voorlaatsten Maandag naar de stad der kerkhoven opgemaakt om naar Prof. Obbink te luisteren — de man van de palstaanders en frontmakers, na ja ge weet wel waarvoor, voor een zeker artikel, dat in verkiezingsdagen door de liberalen eilacy soms met goed succes wordt gehanteerd: het artikel van de Ned. Herv. Kerk. Toch heb ik mij nimmer goed de redenen kunnen indenken, waarom hij een katheder te Amsterdam voor dien te Utrecht verwisselde, of liever — waarom velen, niet alleen van de ethische, maar ook van de confessioneele richting, zoo gaarne hem van de hoofdstad des lands naar de hoofdstad van het Sticht zagen trekken. Wanneer men hem n.l. hoort, dan is, al wat orthodox is, één in Jezus: ut omnes unum sint, gelijk in het kamp der N. C. S. V met groote letters wordt kond gedaan maar dan is men, volgens hen, door een fundamenteele kloof van de modernen, die de beteekenis der groote heilsfeiten loochenen, gescheiden. Indien dit het geval is, dan moest men het toejuichen, dat Prof.Obbink in Amsterdam de vaan der orthodoxie zou blijven hooghouden te midden van zgn ultraradicale collega's: immers Utrecht is orthodox, dus laat hem daar in Amsterdam als een episcopus in partibus infidelium (bisschop in het gebied der ongeloovigen). Doch nu heeft men het vreemde verschijnsel gezien, dat de ethischen van alle schakeering, met vele confessioneelen, geen middel onbeproefd hebben gelaten om hem van dat heerlijke zendingsgebied weg te halen en naar Utrecht over te brengen, hoewel ze op hun vingers konden natellen, dat er in Amsterdam hoogstwaarschijnlijk, om niet te zeggen zeker, een moderne in zijn plaats zal komen en in Utrecht in elk geval een orthodoxe zou worden benoemd, van welke nuance dan ook. Ik voor mij kan dat niet heel goed in overeenstemming brengen, hoewel mij gelukkig toch daarover een nader licht is opgegaan in de toespraken van prof. Obbink, na zijn rede gehouden, dat hij n.l. in 't bijzonder begeerde de a.s. predikanten der Ned. Herv. Kerk te onderwijzen.

Al dadelijk trof mij, wat de belangstelling betrof, het betrekkelijk leege der aula. De banken en stoelen waren lang niet alle bezet. Dat was anders, toen prof. Visscher bijna een tiental jaren geleden zijn inaugureele rede zou houden — de deuren moesten bij die gelegenheid lang voor het aanvangsuur gesloten worden, of toen prof. Noordtzij het vorige jaar zijn rede hield: alle plaatsen waren een kwartier voor tijd ingenomen, gelijk er ook zeer velen waren opgekomen om prof. v. Leeuwen te hooren. De Utrechtsche predikanten schitterden dezen keer door afwezigheid: wij hebben hen ten minste niet opgemerkt, maar 't kan zijn dat we hen over het hoofd gezien hebben. En nu zou nog wel de redder in den nood zich laten hooren, wiens komst zoo vurig was verbeid, doch die kwam zonder dat het bleek dat hij begeerd was. Onwillekeurig dacht ik: is het verschil in belangstelling bij de intreerede van Gereform. en die van minder rechtzinnige hoogleeraren soms niet een symptoom, een teeken van het feit, dat de eerste gedragen worden door een groote groep, de tweede door een kleine coterie, die steeds meer in het: gedrang raakt?

Over de rede zelve een oordeel uit te spreken, die handelde over oud-Egyptische voorstellingen van leven en dood, vermeet ik mij niet. Oude herinneringen echter werden er door opgefrischt, in zoover als ik voor mijn semi-candidaatsexamen een dictaat van prof. Visscher over de Egyptische religie naarstiglijk bestudeerd heb. Of nu de Ka het kan ook de Ba zijn, want dat kan ik alles zoo precies niet onderscheiden — het gepersonifieerde levensprincipe van den mensch is, aldus prof. Obbink — die (dit tusschen haakjes) zijn rede zoo vlug voorlas, dat we in het begin moeite hadden hem te volgen — dan wel of de Ka de dubbelganger van den mensch is, interesseert ons minder: na ons semi-candidaatsexamen hebben we de Egyptologische en Assyriologische godsdienststudie zonder heimwee aan kant gedaan: laat ons het er voor houden, dat beide waar is, dat nl. de Ka, zooals we dit van Osiris mochten I vernemen, is alles. Wij laten dus de rede verder rusten, aan prof. Obbinks bekwaamheid om Egyptologie en Assyriologie en aanverwante vakken te doceeren, natuurlijk in het minst niet twijfelend.

Waar ik echter hoofdzakelijk om gekomen was — gelijk de menschen naar een kerkelijke huwelijksinzegening gaan minder om den dominé te hooren dan wel om de bruid en haar toilet te zien — zoo kwam ik om de toespraken: want zoo'n inaugureele oratie over het een of ander onderdeel der godsdienstgeschiedenis gaat toch boven mijn verstand. De juistheid daarvan kan ik niet narekenen. Maar waar het me dan om te doen was, dat bleef precies weg.

Ik had n.l. gehoopt, dat prof. Obbink eens duidelijk zou uiteenzetten — zij het dan ook in korte bewoordingen — welk standpunt hij in theologicis inneemt en wat we dus van hem te verwachten hebben. Maar jawel: hij liet ons even wijs als wij waren. Indien wij ons goed herinneren zei Prof. Obbink in de eerste plaats, dat hij er zich in verblijdde, dat thans een vijfde hoogleeraar in de faculteit der godgeleerdheid aan de Utrechtsche universiteit is aangesteld (een faculteit, die jarenlang meer studenten telde dan die aan de andere hoogescholen tezamen) een blijdschap, waarin ook wij deelen, schoon deze nu niet bepaald onvermengd is; in de tweede plaats, dat er een groote verandering , in die faculteit is gekomen sinds hij aldaar studeerde: Kleyn overleden, Cramer, zijn opvolger Baljon, Lamers, van Leeuwen, Valeton alleen Cannegieter nog over, hetgeen wij alles reeds wisten om dan in de derde — de voor naamste — plaats — er op te wijzen, dat niet al zyn ambtgenooten, zijn komst hadden begeerd — hetgeen wij overigens al hadden vermoed — en nu komt het: „dat er tusschen sommigen van hen en hem diepgaande verschillen zijn": iets wat wij ook wel eens beweerd hebben, dat er n.l. tusschen gereformeerden en ethischen een principieel verschil bestaat 2) en dit is de clou der zaak — dat voor het predikambt in de Ned. Herv. Kerk nog wat anders noodig is dan een stuk sluitende theologie, dat wij niet alleen schrandere theologen moeten vormen." Dat is dus, wat prof. Obbink niet wil. Ik ben aan het prakkiseeren gegaan om te weten te komen, wat prof. Obbink wel wil en ik dacht eerst, dit bij intuïtie — wilt ge bij kristallisatie: misschien hebt Ge het artikel daarover in een pas verschenen aflevering van het Tijdschrift voor wijsbegeerte wel gelezen — gevonden te hebben. „Nog wat anders dan een stuk sluitende theologie, niet alleen schrandere theologen." Ja, ja, we kennen die phrasen en dan volgt er meestal zoo iets van: het leven, het leven waarop het aankomt. We wilden eerst dit bij de woorden van prof. Obbink bijdenken, we herinneren ons niet zeker of hij zoo iets gezegd heeft, doch vroegen oogenblikkelijk ons af: maar wie wil dat dan wel? „De religie is een centraal verschijnsel", belijden wij gereformeerden zonder uitzondering: „een zaak van den geheelen mensch." Heeft prof. Obbink soms bedoeld, dat een stelsel van godgeleerdheid, dat buiten ons hart omgaat, niet voldoende en er iets anders noodig is? Dan zegt hij wat de meest doodgewone rechtzinnige dominee zijn catechisanten en gemeente jaar en dag voorhoudt, dat er onderscheid bestaat tusschen het historische en het zaligmakende geloof. Nu zijn, beweert Dr, van Eeden, predikanten menschen, die verhard zijn in het zeggen van gemeenplaatsen; ik laat dit daar, maar ik neem niet aan, ja, ik weerspreek ten stelligste, dat dit met theologische professoren zelfs in de toespraken hunner inaugureele rede het geval is. Een gemeenplaats als die bovengenoemd kan prof. Obbink niet bedoeld, laat staan van gezegd hebben. Doch dan nog eens: wat dan wel?

„ Doordringen tot den religieuzen grond der dingen", maar hoe ? Welke moet de maatstaf  wezen, die over het al of niet ware, het religieuze en vooral het pseudo-religieuze beslist?

Ik ben weer aan het prakkiseeren en nadenken gegaan, maar het einde is: „ik en weet het niet" en ben toen ineens tot de verrassende ontdekking gekomen, dat zoodanige onbegrijpelijkheid tegenwoordig in de mode schijnt te wezen. Talleyrand heeft wel voor een eeuw al gezegd, dat woorden dienen om onze gedachten te verbergen, maar in 't bijzonder in de laatste weken worden we van die waarheid steeds meer overtuigd. Want wat is tegenwoordig b.v. de overeenkomst tusschen de sociale paragraaf van een troonrede en de toespraak na de inaugureele rede van een theologisch professor, waarin ook hij zijn program van actie nederlegt? Deze n.l., dat zij aan een rebus, een raadsel schier gelijk zijn. Prof. Ovink, een professor in de philosephie, getuigde in zijn rede over het Kritisch Idealisme: „dat het Christendom met steeds grooter beslistheid — en naar onze overtuiging met noodwendigheid — stelt het geloof in een God, die als de Schepper der wereld boven haar staat, een Heilige Persoonlijkheid, die zich op bijzondere wijze in Christus openbarend, ons van onze zonden wil verlossen, geestelijk vernieuwen en door Zijn genade ons met Hem in gemeenschap wil doen leven, " 4) Prof. Obbink, een hoogleeraar in de theologie, heeft het alleen over het principieele verschil, dat wat in Egypte physiék bedoeld wordt, in het Nieuwe Testament zedelijk religieus wordt opgevat en over de innerlijke levenskracht van het oudste Christendom, dat het, van oude denkvormen zich bedienende, zijn geheel eenig en zelfstandig karakter heeft bewaard. Een vriend van me meent opgemerkt te hebben, dat bij het hooren der vermelde woorden van Prof. Ovink Prof. Cannegieter van kleur verschoot: een hoogleeraar in de wijsbegeerte, die het heeft over God, zich op bijzondere wijze in Christus openbarend, over zonde en genade, ... 't is te erg: gelukkig, dat dit door de rede van Prof. Obbink is vergoed. Hier was geen kleursverandering van noode, hier kon men als moderne rustig onder blijven zitten: ja werd de hoogleeraar in kwestie niet met name genoemd als degene, die wel niet als de Benjamin onder zijn leermeesters aan prof. Obbink was overgebleven — immers prof. Cannegieter is ouder dan prof. Kleyn en Baljon zouden zijn geweest — maar die toch de eenige is uit den ouden tijd, toen het in Utrecht nog zoo goed was.

Doch om terug te keeren tot datgene, wat ik zoo gaarne gehoord had, ja waarom ik mij de reis naar Utrecht wel niet onder hageljacht en stormgeloei, maar toch tusschen de buien door heb getroost, doch waarop ik vergeefs wachtte: het einde der geschiedenis dan is dit, dat ik ook na de intreerede en toespraken schuchter de vraag moet stellen: „Wat zal toch deze professor wezen ? " Hij is — om een beeld te ontleenen aan zijn eigen studievak, hetwelk wijlen prof. Ritter zoo gaarne en zoo dikwijls gebruikte — als de gesluierde Isis voor mij blijven staan en ik, die wel niet met Faust kan zeggen, dat ik philosophie, juristerij, medicijnen en theologie door en door bestudeerd heb met brandenden ijver, ik moet nolens volens met Faust getuigen :

Da steh' ich nun, ich armer Thor! Und bin so klug als wie zuvor. (Daar sta ik nu, ik arme dwaas. En ben zoo wijs gebleven als ik was).

i) Zie De Waarheidsvriend \\ Oct. 1912.

2) Zie De Waarheidsvriend van 3 Jan. 1913.

3) Bij het corrigeeren van den drukproef krijgen we juist Prof. Obbinks rede in handen en lezen daar dat hij wil doordringen tot den religieuzen grond der dingen, waar niet (uw) denkend brein alleen, maar uwe heele ziel in actie komt, waar de heilige bezieling geboren wordt, die U niet alleen tot schrandere theologen maakt, maar bovenal tot levende predikers van het Evangelie.

4) a. w. blz. 34.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's