Staat en Maatschappij.
Nog eens het „Non Possumus."
Nog eens het „Non Possumus." Bij gelegenheid van de voorbereiding van de Grondwetsherziening van het jaar 1887 werd aan de algemeene beschouwingen een nota toegevoegd, die door alle anti-revolutionairen, die destijds lid van de Tweede Kamer waren, was onderteekend.
Deze nota zeide o. a.:
„Zonder herziening van art. 194 (thans art. 192 Xe Hoofdstuk „Van het onderwijs"), hetwelk, ofschoon ook al tegen de bedoeling des wetgevers, het openbaar onderwijs tot eene macht verlaagt, die het Nederlandsche volk vervreemdt van zijne geschiedenis en zijnen God, is voor het bederf van onzen staatkundigen toestand, de vrucht hoofdzakelijk van eene schoolwetgeving, die in uitsluitenden dienst staat van de richting des ongeloofs, geen herstel mogelijk."
De onderteekenaars vereenigen zich met de nota van de heeren De Geer en Lohman als leden der Staatscommissie.
„Dit is ook het gevoelen der ondergeteekenden; en zij aarzelen daarom niet reeds nu de verzekering neder te schrijven, dat geenerlei voorstel tot Grondwetsherziening op hunne ondersteuning zal kunnen rekenen, tenzij vooraf art. 194 (thans art. 192) der Grondwet zoodanig gewijzigd zij, dat bij handhaving van het eenmaal in de Grondwet neergelegde beginsel der vrijheid van onderwijs, eene regeling mogelijk worde van het openbaar onderwijs, die, zonder openbaring van cenige vijandschap tegen God en Zijn Woord, de staatsbemoeiing tot het volstrekt noodige beperkt, voor geene inrichting eenige bevoorrechting medebrengt en den plicht der ouders om hunne kinderen op te voeden erkent en bevestigt, maar niet opheft noch overneemt."
Deze mededeeling: dat geenerlei voorstel tot Grondwetsherziening op de ondersteuning der anti-revolutionairen zou kunnen rekenen, tenzij vooraf artikel 194 der Grondwet wijziging /onderging — eene ongeveer gelijkluidende mededeeling werd in een andere nota door de Roomsch-Katholieken afgelegd — werd in de openbare zitting der Kamer op 17 Maart 1886 gevolgd door een voorstel van den heer van Wassenaer van Catwijck, de woordvoerder der anti-revolutionaire Kamerclub, om allereerst Hoofdstuk X der Grondwet „Van het Onderwijs" te behandelen. Hij vroeg aan de Kamer die welwillendheid, opdat het werk der Grondwetsherziening zou kunnen gelukken. „Daarom", zeide hij, „vraag ik aan de Kamer ook welwillendheid, want het zal ons (de antirevolutionaire leden)onmogelijk zijn onze stem te geven aan de overige wijzigingen der Grondwet, wanneer niet aan onze van den aanvang af bestaande eischen op het gebied van het onderwijs op de een of andere wijze kan voldaan worden. Ik zeg niet, dat onze medewerking zal ontbreken. Neen, Mijnheer de Voorzitter, wij zullen medewerken in dien zin, dat wij alles met de grootste aandacht zullen beschouwen en bespreken, elk amendement bezien; maar de eindstemming van elk hoofdstuk zal bij ons moeten zijn een: Non Possumus!" Aan dit „Non Possumus" (wij kunnen niet), dat een stuk uit de historie der anti-revolutionaire partij bevat, werden wij bij het kennisnemen van dat gedeelte der Troonrede herinnerd, waar eenerzijds gewaagd wordt van eene onverwijlde voorbereiding van Grondwetsherziening tot toekenning van het kiesrecht, behoudens vast te stellen uitsluitingen, aan alle mannelijke Nederlanders van een te bepalen leeftijd, en anderzijds de mededeeling gedaan wordt van de instelling eener Staatscommissie aan wie het onderzoek zal opgedragen worden in hoever eene algemeen bevredigende regeling mogelijk is ter zake van de subsidieering van het bijzonder onderwijs.
Ook hier dus een voorstel tot wijziging van artikel 80 der Grondwet, welke wijziging onverwijld wordt voorbereid, en in het verschiet de mogelijkheid van eene algemeen bevredigende regeling terzake van de subsidieering van het bijzonder onderwijs.
Zal de houding van de rechterzijde in het algemeen en van de anti-revolutionairen in het bijzonder thans eenzelfde zijn als die welke in 1886 werd ingenomen? Geen aan de ordestelling van eene herziening van het kiesrecht zonder dat tegelijkertijd het Grondwetsartikel over het onderwijs in behandeling komt.
Wij hopen en vertrouwen dit van onze mannen.
En mocht onverhoopt dan de linkerzijde weigeren op dien eisch in te gaan, dat dan in de Staten-Generaal voor de tweede maal het „Non Possumus" weerklinke.
Teleurgesteld.
De onderwijzers zijn teleurgesteld over het ontbreken van eene toezegging in de Troonrede, waarbij hunne salarissen afdoende zullen worden geregeld.
Voor die teleurstelling bestaat reden. Immers de concentratie had ook de verbetering der onderwijzerssalarissen tot inzet der verkiezingen gemaakt.
„Herziening van het schoolwezen en verbetering van de opleiding en positie der onderwijzers, ten einde het volksonderwijs op hooger peil te brengen, is dringende eisch", zoo luidde de onderwijs-paragraaf op het program der vrijzinnigen.
Verbetering van de positie der onderwijzers! Dat het kabinet-Heemskerk den nood der onderwijzers niet had gelenigd werd als een grief der concentratie schier bij elke gelegenheid in den breede uitgemeten.
in het Propagandaboek van de vrijzinnige concentratie schreef men daarover: „Ging het om de verhooging van de salarissen der onderwijzers, dan klonk het: Er is geen geld; het is noodig voor de sociale hervormingen. Zelfs al werden de millioenen bestemd voor doeleinden, die wel niemand van socialen aard zal noemen, dan nog voerde de Minister zijn uitvlucht aan om te rechtvaardigen, dat hij weigerde de dringend noodige verbetering der onderwijzerssalarissen ter hand te nemen."
Het kabinet-Heemskerk schoot op het punt van de voorziening in de behoeften der onderwijzers heel wat te kort. Dat zou een kabinet van vrijzinnige richting anders doen. De vrijzinnigen beloven toch slechts dat, waarvan zij weten, dat ze het zullen kunnen geven. Het kabinet-Heemskerk moest heen. De openbare onderwijzers, die zich met andere groepen voor de zegekar van de vrijzinnigen en de socialisten lieten spannen, hielpen mede de overwinning voor de linkerzijde te bevechten. Dubbel spijtig moet het nu voor hen zijn, dat, waar anderen met den buit gaan strijken, zij achter het net visschen.
Intusschen nu de Troonrede zwijgt, hopen de onderwijzers op de volksvertegenwoordiging, van welke zij thans verwachten, dat zij niet zal nalaten haar gegeven woord in te lossen.
Die hoop zal echter niet in vervulling komen. Het Comité voor gemeenschappelijke salaris-actie, dat Zaterdag 20 September door den Minister van Binnenlandsche Zaken werd ontvangen en in de gelegenheid gesteld werd om de .belangen der onderwijzers voor te dragen, ontving voorloopig van dien bewindsman nul op het request.
Naar de Minister toch mededeelde, heeft de regeering — het blijkt uit de Staatsbegrooting voor 1914 — in de eerste plaatste zorgen voor dekking van het bestaande tekort. Voorts vragen de nieuwe sociale wetten belangrijke sommen, waarvoor nieuwe bronnen van inkomsten moeten worden gezocht. Bij deze begrooting kan, zoo zeide de Minister, van een terhandneming van de salarisregeling geen sprake zijn en vermoedelijk ook niet bij de begrooting voor 1915. Daarna zal de Minister zien wat hij doen kan.
De volksvertegenwoordiging weet dus waar het op staat, als zij bij de regeering eene poging zal aanwenden om op verbetering der salarissen van de-onderwijzers aan te dringen. Het zal ons benieuwen of de vrijzinnigen en socialisten ook het kabinet-Cort van der Linden op dit punt in gebreke zullen stellen en dit kabinet, evenals zij dit destijds het ministerie-Heemskerk deden, over de verwaarloozing der onderwijzersbelangen zullen ter verantwoording roepen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's