Stichtelijke overdenking.
Eene Zon en een Schild.
''Want God, de HEERE, is eene Zon en Schild." Ps. 84:12a.
Psalm 84 is niet de minste onder de psalmen; hij is wel de parel uit dit liederenboek genoemd.
Hoewel in het opschrift Davids naam met wordt genoemd, kunnen we wel aannemen dat deze parel van groote waarde uit zijne koninklijke schatkameren is voortgebracht.
Men proeft er David in.
Heel z'n persoon, heel z'n weg, met dat veei ervaren van druk en moeite, staat in dit lied vóór ons.
En het is Davids heimwee naar Gods huis. Davids zielsbegeeren om dicht bij den Heere te mogen schuilen, dat hier ons geteekend wordt.
Hij denkt aan de dagen van ballingschap terug, toen hij, door Saul gezocht, in de woestijnen ronddolen moest. Toen hij van plaats tot plaats trok en overal gevaren hem dreigden. Toen hij nergens rust vond voor het hol van zijn voet. En toen hij zoo innig behoefte had aan Gods gemeenschap, aan 's Heeren hulp en bijstand, aan des Allerhoogsten gunst en liefde.
O, wat kon hij zuchten tot God, tot den levenden God! Wat kon hij verlangen om dicht bij den Heere te zijn; om in Zijn licht te mogen wandelen en onder Zijne vleugelen te schuilen.
En immers dan dwaalde zijn oog naar de aanspraakplaats des Heeren, naar de heilige plaats, waar God woonde tusschen de cherubs, in het midden van de gordijnen.
Heimwee naar God — werkte heimwee naar Gods huis. immers daar was het symbool van Gods wonen onder Zijn volk, het teeken-van Gods nederbuigen tot Zijn gunstgenooten, het zichtbaar en tastbaar bewijs van Gods liefde en trouw over al Zijn-kinderen. Hoe benijdde hij de musschen en de zwaluwen, die vrij in en uitvlogen daar waar het altaar stond; die in de voorhoven Gods hun nest bouwden en er hun jongen rustig lieten liggen, totdat ze groot waren geworden. Hoe lieflijk dat tafereel in Gods huis!
Kon hij ook maar zoo dicht bij het altaar komen; kon hij ook maar wegschuilen in de voorhoven Zijns Gods. Kon hij daar maar neerknielen, om dicht bij den Heere te zijn en zich aan Hem op te dragen!
En daarom, wat waren die priesters te prijzen, die dag in dag uit in het heiligdom mochten verkeeren; die daar mochten wonen en den Heere gestadiglijk prijzen!
Sela! — ruste voor de ziele, die te midden van velerlei onrust naar die ruste kan verlangen met heilig begeeren!
O! kon hij maar opgaan.
Om nader te komen bij zijn God. Om den Heere dicht bij zich te mogen hebben. Want dat is toch maar het beste van het beste, om het van z'n God te begeeren. Om te verlangen bij Hem in te wonen. Om uit Hem te mogen leven. Om niet zonder Hem te kunnen. Om in Hem alles te weten wat noodig is voor leven en sterven.
En daarom welgelukzalig die schare, die optrekt naar Jeruzalem, om God te zoeken in Zijn heiligdom, om Hem te aanbidden in Zijn goddelijk paleis.
Zwaar kan de weg zijn voor die pelgrims. De. weg naar Jeruzalem was zoo gemakkelijk niet!
In de verte wenkte de stad, die omringd was door bergen.
En hun harte sprong op van vreugde, hun tong raakte los. Ze zongen het blijde uit: „Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in."
Maar dan waren ze er nog niet.
Voor die bergen waren dalen.
En in het dal der moerbeziën was het pad moeilijk. Het stond er voor bekend, dat het benauwd en vermoeiend was om er door te trekken. Moe van de reis werden dan de laatste krachten bovenmate beproefd. En het viel velen moeilijk om voort te gaan.
Maar ze kwamen er door. Ze kwamen er allen door. God hielp hen er door. Hij kwam hen te hulp. Hij sterkte hen, gaf hun kracht, schonk hun moed, vervulde hen met blijde hope.
En ze togen voort, door de diepte tot aan de poorte van Jeruzalem.
Daar stonden hunne voeten in de straten van des Heeren stad.
Er was er niet eén bezweken. Ze waren er allen gekomen,
David staart ze na, die gansche lange rij, die heerlijk groote menigte.
En dit is zijn getuigenis:
„Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; Elk hunner zal in 't zalig oord Van Zion haast voor God verschijnen."
Ze zijn er!
En o! hoe heerlijk moet het zijn, om daar in te gaan, waar de Heere woont.
Zoo denkt hij, met zielepijn vervuld, die hen in de verte ziet gaan, maar zélf niet optrekken mag.
Zélf eenzaam achter moet blijven. Zélf, als van God verstooten, in de woestijn moet ronddolen; tusschen de heuvelen moet wegschuilen; van berg tot berg moet vluchten, gelijk de schichtige berggeit.
Wat is hij ellendig!
En uit de woestijn zingt, roept, schreeuwt een balling het uit:
„Let, Heer der legerscharen, let Op mijn ootmoedig smeekgebed: Ai! laat mij niet van druk verkwijnen; Leen mij een toegenegen oor, O Jacobs God! geef mij gehoor."
Kon hij maar meetrekken naar Gods huis! Liever dat, dan in de woestijn als balling rondzwerven.
Ook liever daar, in Gods huis, dan meegetrokken te worden naar 's werelds vreugdepaleizen.
Honderd maal liever daar.
Liever een dorpelwachter in 's Heeren huis, liever daar op den drempel gezeten — dan aan de rijk voorziene tatel van den wereldlievenden rijkaard op een eereplaats gebracht.
Liever een kruimke van zijn God in het heiligdom, dan overvloed van giften uit de handen van hen, die de wereld najagen met luidruchtig misbaar, vol gemaakte vreugd.
Hij, een koning, hij roept het zoo echtgemeend uit:
„'k Waar liever in mijns bonds-Gods woning. Een dorpelwachter, dan gewend Aan d' ijdle vreugd in 's boozen tent."
Rol uw schatten maar op, o wereld, voor dezen koninklijken zanger!
Hij kent de waarde van al uw pralen en al uw prijzen.
Zonde en ijdelheid is het — wat de ziele, oprecht tot God genegen, met innige smarte vervult.
Wat baat den mensch dat alles?
Niets!
De ziele moet God hebben, den levenden God, in de openbaring Zijner genade en liefde; en daar, daar kan de ziele ademhalen, daar kan het harte vervuld worden met vreugd en met sterk verlangen gaan Davids genegenheden uit om 's Heeren voorhof te mogen binnentreên.
Zijn ziel bezwijkt er onder.
En hij zegt ook waarom dat zoo is. Hoort maar!
„Want God, de HEERE, is eene Zon en Schild."
Twee dingen zegt David van z'n God. God, zijn God, is eene Zon.
De Heere, Jehova, de God Israels, is een Schild.
En omdat de Heere dat is, verlangt David naar z'n God. Daarom gaat z'n begeeren, met al de intense kracht der ziel, tot Hem uit. Daarom weet hij, dat niets voor hem de plaats van z'n God kan innemen, diep gevoelend dat de Heere alleen die volheid van leven, genade en kracht is, welke hij noodig heeft. Daarom vindt hij het zoo vreeselijk om zich vér van' z'n God te voelen. Daarom zal hij niet zwijgen, voor dat de Heere hem ingehaald heeft in Zijn nabijheid. Want o! dat is toch maar de zoetste zielevreugd, om bij God te mogen wonen.
„Welzalig hij, die bij U woont! Gestaag U prijst en eerbied toont."
„ Want God de Heere is een Zon en Schild"
Twee dingen worden hier genoemd.
Er wordt gesproken van licht en van kracht, van liefhebben en leiden, van onderhouden beschermen, van beginnen, en voleindigen, toebrengen en bewaren.
We voelen dat aanstonds.
Wat doet de zon?
Immers licht uitgieten, van den nacht dag maken, de duisternis verdrijven en vroolijkheid schenken, levenskraeht, levenslust, levensschoonheid uitstrooiend over alles wat zij bestraalt.
Wat is het donker in den nacht. Wat is het donker in den kerker.
Wat gevaren in den nacht. Wat doffe, muffe, zure, ongezonde lucht in het donkere hol.
En de zon verandert alles.
Als de zon het wint van den nacht en het duistere kleed in stukken scheurt, dan daagt het liclit overal en een ieder gaat uit en kent met onderscheiding z'n weg.
Dan is de stilte verbroken; dan is de doodsche benauwdheid weggevaagd.
Dan is het licht — en het licht brengt verademing, leven, beweging, vroolijkheid en welvaren.
En laat de zon eens instralen in een donker hol. Breek eens uit, tot er opening is in den muffen kerker. Laten de lichtstralen eens dansen, waar pas alles toegegrendeld was, zoodat er geen lichtvonkje gloorde.
Dan is de zure, ongezonde lucht wég. Dan vluchten de schaduwen van dood en druk.
Dan halen de longen diep adem, dan komt er licht in de oogen, dan leeft de hoop op.
Licht is leven. Licht is verlossing. Licht is kracht en vroolijkheid. Licht is hope en sterkte. Licht is vrede.
Breng het maar over op Davids toestand. Ellendig was hij er aan toe.
„Ai, laat mij niet van druk verkwijnen — dat is zijn klacht!
De gezalfde koning is in doodsnood. Neen — spreek hem niet van een paleis, van goud en zilver, van genot en festijn.
Z'n ziel is zoo diep ongelukkig.
Z'n vleesch smelt weg van smart.
Maar nu denkt hij aan z'n God.
Die is er toch nog. Die leeft.,
"En als ze allen optrekken naar Jeruzalem, naar Gods huis, dan roept hij hen toe: gaat maar, want daar kunt gij u baden in het licht!
En dat licht wordt ook zijn licht.
God is hem een Zon.
En de ongelukkige David verheugt zich in zijn licht.
Wie hem verlaat — God zal hem niet verlaten.
Wie hem verstoot — God zal hem niet verstooten.
Wie hem slaat — God zal hem beschermen en bewaken.
O! wat is hij gelukkig met z'n God!
God, de Heere, is hem eene zon en een schild! Jehovah is zijn levenskracht!
Hij kan ademhalen. God zorgt voor hem. God zal zijn voet voor wankelen bewaren. De Heere zal hem geleiden. De Heere zal hem voeden en sterken. De Heere zal hem vroolijkheid geven in het hart, méér dan de wijn.
En wat hem bedreige — de Heere zelf is als een Schild boven zijn hoofd.
Wat zou hij vreezen?
Voor wien zou hij vervaard zijn?
Hij mag gerust wezen, want —
„want God, de HEER, zoo goed, zoo mild, is 't allen tijd' een zon en schild."
O! wat kent David de deugden Zijns Gods. Wat heeft hij veel aan z'n God. en Wat is de Heere zijn hoogste goed. Wat is hij met z'n God rijk en gelukkig, veilig en sterk.
Hij de arme balling is te benijden boven Saul — want die zal in de duisternis vallen, maar hij zal in het licht wandelen; die zal ellendig omkomen en neerzinken onder de zwaarte van jammer en ellend, maar hij zal z'n hoofd omhoog heffen en zitten op een troon.
De Heere is zijn licht — Hij zal hem genade geven.
De Heere is zijn Schild — Hij zal hem kronen met eere.
Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht, Die kiest de welgebaande wegen: Steekt hen de heete middagzon In 't moerbeidal, Gij zijt hun bron. En stort op hen een milden regen. Een regen, die hen overdekt, Verkwikt en hun tot zegen strekt.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's