De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Over den Godsdienst. III.

't Is de zuivere, naakte, droeve waarheid, dat de moderne cultuurmensch, die door de lucht vaart met z'n Zeppelin en de landen doorkruist met z'n automobiel de hand reikt aan het oude heidendom, neerknielend voor, althans zich keerend tot het maaksel van 's menschen hand.

Een koper beeldje, een afschuwelijk duiveltje, een jong katje heeft groote waarde voor den mensch van de 20ste eeuw.

Met die beschermheiligen tegen ongelukken — ze worden voor 60 cent verkocht! — voelt men zich veilig.

Het lijkt zoo onbegrijpelijk, zoo onwaarschijnlijk.

Men heeft immers al zoo lang geleeraard: er is geen God; er is geen godsdienst; de mensch is zich zelf en behoort zich zelf te leven.

En dan blijkt het een onvergeeflijke domheid om daarmee voort te gaan; om te blijven hopen, dat zóo God verdwijnen zal en weldra geen godsdienst meer wezen zal.

Want er is een God. Er blijft godsdienst, al lijkt de godsdienst heel dikwijls niets op het dienen van God.

De menschheid duldt het ten slotte niet, om steeds aan te hooren: er is geen God. Het Gods-bewustzyn, mismaakt en afgesleten door de zonde, zit er ten slotte te diep in, dan dat de mensch, die van Gods geslacht is, het ook werkelijk op den duur zonder God stellen kan.

Hij moet iets hebben, God of geen god, waarop hij z'n vertrouwen zet; waaraan hij zich vastklemt; waarbij hij wegschuilt.

En daarom den grondzuil van den godsdienst uit het midden van hel volksleven uit te rukken, zooals de vrijzinnige beproeft, kan niet anders dan met geweld gepaard gaan, moet een volk ongelukkig maken en zal ten slotte steeds niet gelukken.

Het volk wil niet van z'n godsdienst beroofd worden.

En waar de natie godsdienstloos wordt daar zinkt de mensch weg in grof materialisme, om uit de diepte van ellende ten slotte weer de armen omhoog uit te strekken, roepende: waar is God, op wien ik en mijne kinderen betrouwen mag, want wij vergaan!

Zie op ons eigen land.

Honderd jaar en langer heeft men geroepen: er is geen God en men heeft alles van den godsdienst willen losmaken, telkens verder gaande, telkens brutaler zich aanstellend.

En de stofvergoding neemt ook hoe langer hoe meer een breede plaats in onder riijk en arm. Een koortsachtige dorst naar de dingen die beneden zijn, bezielt jong en oud.

Men heeft geleeraard : de godsdienst is als een vijand te beschouwen, die de natie verdeelt en den individu deprimeert, naar beneden werkt, krankzinnig en ongelukkig maakt.

Men heeft ook wel gezegd: de godsdienst is privaatzaak; ieder moet het voor zich zelf maar uitmaken, maar in het volksleven, in het maatschappelijk leven mag met den godsdienst geen rekening gehouden worden, er is geen plaats voor.

In den grond hetzelfde.

De godsdienst is zoodoende van nul en geener waarde.

De godsdienst valt overal buiten

En men heeft die leer ingedronken als water; de kinderen weten er van te vertellen. Wat ellendige zaak is eigenlijk de godsdienst! zoo zegt rijk en arm.

Maar wat ziet men?

Men is in het midden van den arbeidersstand voor een groot gedeelte beroofd geworden van alle geloofs-overtuiging.

De practijk van het leven — dikwijls zoo zwaar en vol ellend — heeft de theorieën der volksmisleiders geholpen.

Men verzet zich tegen den godsdienst. Althans veelal.

Vroeger was men zoo onkundig en gedwee, zoo lichtgeloovig en zoo dom.

Maar dat is uit! Men is beter ingelicht, wakker geschud, mondig geworden. Van onder „suggestie" der godsdienstleeraars — domine, pastoor en rabbi — is men gelukkig ontkomen en nu is het ideaal: de socialistische maatschappij der toekomst!

De zon der vrijheid rijst op in het Oosten. De zon des geluks werpt hare stralen reeds uit naar alle kant.

't Gaat nu om een „menschwaardig" bestaan, met erkenning van „de rechten" van den mensch.

Dat heeft de Revolutie toch maar als heerlijke vrucht nagelaten, dat het „ancien regime" uit is en dat de moderne tijd een endere levenswijsheid kent.

Van uit Parijs is ons dat geworden, waar den 7den November 1793 in de zaal der Nationale Conventie een Roomsche bisschop zijn priestermantel afwierp en een roode muts opzette — onder het geroep van „leve de Revolutie!" Wat doordrong door geheel Frankrijk, wat in 1795 over de bevroren rivieren ook hier kwam. En wat sedert dien tijd met klimmende belangstelling wordt geëerbiedigd als de hoogste wijsheid.

„Ni Dieu — ni maltre"; geen God geen meester!

En zóo zal men vrij zijn. Zóo zal men als broeders éen zijn. En men zal mede genieten van de goederen der weelde, die tot nu toe slechts voor de hoogere standen bereikbaar waren.

Wat de hoogste levenswijsheid is? Men zal het u wel spoedig en kort zeggen. Hoort maar: hebben is hebben en krijgen is de kunst —' wat men zónder Bijbel nog beter leeren kan, dan mét een Bijbel!

Ja — elk — uur aan den godsdienst besteed is verloren, 't Is niets dan een rem bij den vooruitgang.

Geen godsdienst!

Bebel, de groote Socialist, wist het wel, toen hij in 1881 in den Duitschen Rijksdag zeide : „In het staatkundige zijn wij socialisten, republikeinen, in het staathuishoudkundige socialisten en voor wat de religie aangaat, atheïsten of Godloochenaars".

Geen Koning, geen God, geen eigendom,

't Past immers in elkaar als een bus!

En immers, ieder van het „bewuste" proletariaat weet het toch, dat de godsdienst nooit ander geweest is dan een der machten van de „bezittende" klasse, om zoodoende den minderen man er gemakkelijk ouder te houden!

Voor ouden van dagen, die aan seniele aftakeling en hersen verweeking lijden en voor kinderen, die nog niets van het leven gezien hebben en nog niet wijzer zijn, mag het misschien nog iets aantrekkelijks zijn, om te hooren over God, den Bijbel, den hemel enz. Maar voor het zich-zelf-bewustgeworden proletariaat heeft de godsdienst afgedaan!

En, wakker geschud, leeft men zonder God, om weg te zinken in een grof materialisme, slechts oog hebbend voor de aarde en de dingen hier beneden.

De Zondag en de dagen der week zijn precies gelijk, alleen heeft men op den Zondag waarschijnlijk meer vrij en wat meer „verzet". Overigens wordt heel het leven: zooveel uur werken, zooveel uur slapen, zooveel uur vrij en zooveel geld thuisbrengen.

Dat is alles.

En de kinderen die de „rechten" van den mensch nog beter leeren dan de vaders en de moeders, spreken niet anders dan over geld en goed en genot.

Maar de ellende groeit met den dag.

O ze arbeidersgezinnen worden van geslacht tot geslacht ongelukkiger, waarbij de zonden van ons volk zich gruwelijk vermeerderen voor God, die was en die is en die wezen zal tot in eeuwigheid, zich openbarend in het rijk der natuur en in den weg der Schriftuur. Met het roepen; „geen God en geen meester !" is men er nog niet. Door de roode muts te zetten op het hoofd kroont men z'n huis nog niet met zegen.

Door alles stoffelijk te maken verhoogt men nog niet het levensgeluk van vrouw en kinderen.

Integendeel — in onze arbeiderswereld wordt een wereld van ellend en zorg, van smart en strijd gevonden, waarbij de grondoorzaak te zoeken is in het feit, dat men zich dronken gedronken heeft aan de theorieën der revolutie, waarin aan geslacht na geslacht geleerd wordt: er is geen God en de godsdienst dient afgeschaft tejworden.

Gelukkig, dat er hoe langer hoe meerderen komen, die gevaren gaan zien en die zich gaan verzetten tegen de ongeloofstheorieën om zich weer te wenden tot den levenden God en Zijnen Christus.

Men grijpt weer naar den Bijbel, men gaat weer naar de Kerk, men wil weer hooren van de twee wegen, waarbij Christus zegt: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot den Vader dan door mij."

Het godsbewustzijn begint weer meer te spreken. De Bijbel komt terug in huis en school. In de Kerk vraagt men naar de oude, beproefde waarheid. Het vereenigingsleven moet doortrokken zijn van het heilig beginsel, dat naar Gods Woord is. " ,

En men wil niets weten, van de stelling „godsdienst is privaatzaak", begrijpende, dat het nergens anders om te doen is, dan de godsdienst overal buiten te houden, om alles godsdienstloos te maken, leerend, dat het hoogste geluk voor den mensch is vrij te komen van allerlei overgeleverde dwalingen, waartoe ook behoort, dat er een God is en een hel en een hemel. Men ziet het gevaar van alles wat z.g.n. neutraal is. 't Is om los te komen van God en van onder de tucht van Zijn Woord.

't Is om eigen zin en lust te volgen.

Waarbij de vrucht van de beginselen van liberalist en socialist is, dat de groote afgod van het materialisme ouders en kinderen in z'n armen opvangt, om ze neer te smakken in een peillooze diepte van ellend en radeloosheid, waarbij geen ontkomen is, noch voor den tijd, noch voor de eeuwigheid.

Belijdenis-kwestie.

't Is gebeurd te Dokkum, in het hooge Noorden en de Herv. Gemeente van Aalsum was er bij betrokken, vandaar dat de Kerkeraad dezer gemeente er over sprak.

'We worden ingelicht als we even lezen den brief door Aalsum's Kerkeraad aan de Synode gezonden.

Daarin stond:

„De Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente van Aalsum en Wetsens wendt zich met alle bescheidenheid tot U, om inlichting te mogen ontvangen in een zijns inziens zeer belangrijke zaak. Wel weet hij, dat hij om inlichting te ontvangen aangewezen is op zijn Classicaal Bestuur, waarheen door U zou kunnen worden verwezen. Maar daar de inlichting van een Classicaal Bestuur weinig of niet gezaghebbend is, zou het hem zeer aangenaam zijn (den Kerkeraad n.l.) van het hoogste Kerkelijk College inlichting te ontvangen, dat wel niet verplicht is om deze te geven, maar dat toch ongetwijfeld het recht bezit om, waar het dit wil, aan het verzoek om inlichting te voldoen.

De zaak is deze: In het voorjaar van dit jaar heeft de Kerkeraad kennis genomen van een uwer circulaires, waarin er op aangedrongen wordt, dat men bij de te stellen vragen, die gedaan worden aan aanstaande lidmaten, zich meer aansluiten zal bij de vragen die in art. 39 van het Regl. op het godsdienstonderwijs vermeld worden. Nu hebben enkele personen uit Aalsum „belijdenis des geloofs" afgelegd te Dokkum. En aldaar is geantwoord op de vragen:

1o. (letterlijk). Belijdt gij te "gelooven in een leven van geloof, hoop en liefde ?

2o. (ongeveer). Zijt gij van zins en willens om bij die belijdenis te volharden door de kracht van Christus?

3o. (letterlijk). Belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederl. Hervormde Kerk in het bizonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken ?

De Kerkeraad voornoemd heeft in twijfel gestaan om op die belijdenis de lidmaten in te schrijven. Zoo iets als daar genoemd, vooral de eerste vraag, kan door een Roomsch-Katholiek, een Boeddhist, een Mohammedaan evengoed beleden worden. Naar het oordeel van den Kerkeraad voornoemd is hier van „geest en hoofdzaak" geen sprake. Er is echter besloten de lidmaten in te schrijven. Maar het is geschied met de overweging om, met het oog op later, de Synode voorlichting te vragen.

Gaarne verneemt de kerkeraad, of de gestelde vragen te beschouwen zijn als te voldoen aan den eisch van art. 39 van het Regl. op het godsd. onderwijs en of de kerkeraad diens volgens verplicht is, om op de beantwoording dier zelfgekozen vragen de lidmaten in te schrijven.

In verband daarmee zou de kerkeraad gaarne vernemen, wat hij te verstaan heeft onder „geest en hoofdzaak", alsmede onder „handhaving der leer" (art. 11 van hetAlg. Regl.), toezicht op de belijdenis (art. 14, 3o van het Regl. op de kerkeraden), „beginselen en karakter van de Hervormde Kerk" (art. 27 van het Regl. op het examen).

De kerkeraad wil gaarne zijn plicht doen en zich voor God en menschen verantwoord weten. Hij meende ook te weten wat hij te verstaan heeft onder „de leer" der kerk, de „geest en hoofdzaak" van art. 34 van het Regl. op het godsd. onderwijs, de „beginselen" van die kerk. Maar sinds hij gedwongen is om tot de kerk toe te laten, personen, die naar zijn oordeel in strijd zijn met de leer en de beginselen van de kerk, moet hij er aan gaan twijfelen, of hij wel de rechte beschouw ing heeft van de „leer" en de „beginselen" van de kerk. Daarom verzoekt hij dringend om Uwe hooggewaardeerde voorlichting.

Het zij den kerkeraad voornoemd nog vergund mede te deelen, dat hem zéér onaangenaam heeft aangedaan, dat hij in het niet-officieel gedeelte van het officieele Kerkblad „de Kerkelijke Courant" (No. van 28 Maart 1913 2de bladzijde) z.i. op schunnige wijze is beleedigd geworden door den redacteur prof. M. A. Gooszen, waar deze hem scheldt voor orthodoxe inquisiteurs vanwege een zaak, die naar gevoel van plicht en geweten, is verricht. Wil een heftig partijblad als „het Weekblad voor vrijzinnige Hervormden" het doen, de kerkeraad legt zich geheel er bij neer. Het is maar een partijblad, dat belgedigt! Maar pijnlijk wordt het, als het officieele Kerkblad het doet.

De schrijver heeft ook geen moeite gedaan, om bij den Kerkeraad inlichtingen te vragen. Hij had blijkbaar aan het „Weekblad voor vrijz. Herv." genoeg.

Naar ons bescheiden oordeel heeft de Kerkelijke Courant zich in ieder geval onzijdig te houden. En zoo zij het niet doet, is het waarlijk niet te verwonderen, als voornoemde kerkeraad geen lust meer heeft om officieele berichten bij de Kerkelijke Courant in te zenden en alzoo het partijblad geworden officieele blad te bevorderen.

Aangenaam zou het den Kerkeraad voornoemd zijn, als de redacteur van het niet officieel gedeelte der kerkelijke Courant op zijn fout als zoodanig opmerkzaam gemaakt werd. En waar ook hij blijkbaar aandringt, dat het Prov. Kerkbestuur zich met wat hij vermeldt, bemoeien zal, daar kan medegedeeld worden, dat de Kerkeraad niets lie­ver wil, dan dat de kerkelijke Besturen, en zoo zelfs de Synode, zich bemoeien zullen met wat de Kerkeraad heeft gemeend te moeten doen, in zijn gevoel van roeping tegenover God en de Gemeente. De Kerkeraad vraagt allerminst clementie, maar wordt gaarne getroffen, als hij dit verdient door het recht. Het zou hem wellicht verlossen van een zeer onaangename onzekerheid.

De Kerkeraad der Ned. Herv. Gem.

van Aalsum:

C. J. OSKAM, Voorzitter.

J. T. VAN DE WINT,  Ouderling.

Over dit schrijven is in de Synode natuurlijk een woordje gevallen. Want wilde de Commissie van rapport er eigenlijk met een formeele tirade spoedig een einde aan maken, door den Kerkeraad te antwoorden: „indien Gij dan weet dat Gij eigenlijk bij het Class. Bestuur moet zijn, ga dan naar dat Bestuur en kom niet bij ons" — de leden van de Synode namen daar geen genoegen mee.

Laat ons even zien, wat de Commissie rapporteerde. Ze zeiden:

„Uwe Commissie, zich van oordeel onthoudende of hier werkelijk gehandeld is tegen art. 39 van het Regl. op het Godsd.onderwijs;

Overwegende, dat de Kerkeraad van Aalsum en Wetsens weet, dat hij om inlichting te ontvangen, aangewezen is op zijn Class. Bestuur vlg. art. 13 al. 2 van het Algemeen Regl;

Overwegende, dat de meening van den Kerkeraad voornoemd, dit „de inlichting van een Classicaal Bestuur weinig of niet gezaghebbend is" — gesteld zij ware juist — hem niet ontslaat van zijn plicht, zich tot dat Bestuur te richten;

besluit, dal aan den Kerkeraad voornoemd geantwoord worde, dat hij, ter voorlichting in deze zaak, zich alsnog richte tot zijn Classicaal Bestuur.

De Commissie voornoemd,

F. E, DAUBANTON.

OTTO SCHRIEKE.

H. VAN DEUTEN

P. TAMMENS.

R. E. MENTHEN.

Hierop volgde toen discussie, waaruit we nog een en ander willen meedeelen.

(Wordt vervolgd.)

Onze Voorstellen aan de Synode.

Ze zijn weer verworpen. Dat weten we reeds. Maar wanneer we er nog weer even over spreken is het om te vermelden welke Kerkeraden het adres van den Gereformeerden Bond gesteund hebben.

't Zijn er 74. (Verleden jaar 40).

En wel de Kerkeraden te Benthuizen, Axel, den Bommel, Kockengen, Mijdrecht, Polsbroek, Wilnis, Onstwedde, de Meern, Besoyen, Op-en Neder-Andel, Ameide en Tienhoven, Groot-Ammers, Hei-en Boeicop, Heukelom, Krimpen a. d. Lek, Leerbroek, Leerdam, Ouderkerk a. d. IJsel, Schoonhoven, Schoonrewoerd, Waarder, Waddinxveen, Hilversum, Driesum, Wassenaar, Ede, Hien-en Doodewaard, Hedel, Harderwijk, Hierden, Bleiswijk, Aanlanderveen, Oud-Alblas, Hoornaar, Hoog-Blokland, 's Gravendeel, Alblasserdam, Oud-Beijerland, Wijngaarden, Strijen, Oudewater, Delft, Zoetermeer, Maassluis, IJsselmonde, Goedereede, Dirksland, Herkingen, Stellendam, Ouddorp, Arnemuiden, Nieuw-en Sint Joostland, St. Maartensdijk, St. Annaland, Oud-Vossemeer, Jaarsveld, Harmeien, Montfoort, Vuursche, Rhenen, Veenendaal, Staphorst, Rouveen, Meeuwen, Wijk bij Heusden, Hoogeveen, Steenwijk, Genemuiden, Zevenbergen, Vlaardingen, Asperen, leden van den Kerkeraad te Stad a. h. Haringvliet en van den Biz. Kerkeraad te Alkmaar.

Voorwaar geen klein getal.

Vertegenwoordigende duizenden van de leden der Herv. Kerk. Die de Synode bij vernieuwing voor 't hoofd gestooten heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's