De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

13 minuten leestijd

Over den Godsdienst. IV.

Met veel bekoring omhangen, heeft de stelling: „er is geen God" ook velen van den middenstand gelokt, om het zonder God en zonder godsdienst te wagen in het leven.»

Geen socialistische maatschappij is hun droom voor de toekomst. Van de roode Jacobijnenmuts, gedragen door een zelf-bewust proletariaat, hebben ze een afschrik. De gedachte er aan kan hen benauwen! Waar zal het aankomen, als het zich-zelf bewust-geworden proletariaat de teugels in handen zal krijgen ?

Achter de toonbank van den goed-beklanten winkel huivert men; onder het knippen van de coupons kan men zitten rillen en beven voor „de rooien", die wel eens zoo iets van „eigendom is diefstal" neuriën.

De rijke boer en de gezeten burger moeten niets hebben van het socialisme.

Maar heel dikwjjls zijn ze van den godsdienst óok niet gediend.

Niet, omdat men nu altijd zoo „vijandig" is; maar 't dient toch eigenlijk nergens voor.

Maatschappelijk vooruit te komen, land te koopen, huizen te hebben, een procent méér te maken van z'n geld, in z'n zaken te kunnen concurreeren en een ander er uit te kunnen werken — dat zijn de hoogten, waarnaar de gedachten 't meest en 't liefst ópvliegen.

Hun zoetste overlegging is, dat hun kinderen een rijk huwelijk mogen doen en groot mogen worden in de maatschappij.

Of in den handel óf in de studie wordt heil gezocht.

Maar voor den godsdienst is geen plaats in het huisgezin en voor de opvoeding.

„Netjes" wel gaat alles. Natuurlijk! Wie wil nu een „onnet" mensch heeten ? — immers niemand. Ook is men „heusch" niet tegen den godsdienst.

Alleen men is wel een beetje tegen het Bijbellezen, omdat er zooveel in staat „dat men niet lezen kan." Ook is men altijd een beetje bang om „veel" over den godsdienst te praten, omdat het in de conversatie niet schikt en omdat men bang is, dat de godsdienst, wanneer er veel over gesproken wordt, sentimenteele, dweeperige, onuitstaanbare menschen maakt. Ja, men hoort er toch maar zoo dikwijls van, dat die menschen krankzinnig worden!

En daarom — o neen! men is heusch niet tegen den godsdienst en men is heelemaal niet vijandig! Maar toch, de beste levensregel is en blijft toch maar: alles op z'n tijd en een paar goede oogen, een paar goede ooren, een goed verstand en een paar goede handen, met een kapitaaltje, dat is toch maar het ware! En — ja, alles op z'n tijd — maar zoo komt de Bijbel er buiten, van den godsdienst speurt men niets. Het is een bedenken van de dingen die beneden zijn; een leven voor geld en goed en genot; een zoeken van 't geen ten slotte de ziel ledig laat en niet verzadigen kan naar het harte.

Zeker, in het Wetboek van Mevrouw Etiquette, dat bij ieder net mensch in huis is, staat ook een hoofdstuk „Onze Belijdenis." Het hoort er immers bij dat de zoons en de dochters „aangenomen" worden. Een mensch kan toch niet heelemaal als een heiden leven. En daarom, zeker! de zoons — maar vooral de dochters — moeten „aangenomen" worden en moeten eens in hun leven aan het Avondmaal gaan.

Men redeneert aldus (en we schrijven over wat we lezen in het Wetboek van Mevrouw Etiquette, blz. 192 etc.)

„Paschen is gewoonlijk de tijd, dat vele jonge meisjes toetreden tot het lidmaatschap der Kerk, waarbij Laurillard zei: „onze belijdenis moet niet zijn een van buiten geleerde les, maar een lied, dat in ons hart ruischt."

Het eigenlijke „aannemen" heeft plaats bij den dominee aan huis of in de consistorie der Kerk, al naar dat in eene stad of dorp gewoonte is. Twee of meer ouderlingen of leden van den Kerkeraad zijn daarbij tegenwoordig, terwijl de dominee de vragen stelt. Een soort van klein examen, waarin gij moet bewijzen genoeg van de Bijbelsche geschiedenis, Kerkgeschiedenis en Zedeleer te weten om als lidmaat der Kerk te kunnen worden aangenomen. Dat „examen", zal ik 't nu maar eens heel prozaïsch noemen, duurt ongeveer 2 uur. Dan houdt de dominee een toespraak tot de nieuwe lidmaten, en de armenbus, die evenals op de gewone catechisatie ook nu rond gaat, wordt niet gevuld met centen, maar met guldens en rijksdaalders — want in zulke oogenblikken, als de ernst des levens meer naar voren komt en men ook meer oog heeft voor 't lijden op aarde, is men geneigd te geven met kwistige hand.

Nadat de dominee de nieuwe lidmaten geluk gewenscht heeft en ook de ouderlingen hen hebben gecomplimenteerd, neemt alles een meer huiselijk karakter aan.

Den nieuwen lidmaten wordt een en ander aangeboden. Vroeger was dat altijd chocolade met beschuitjes, maar daar 't aannemen tegenwoordig niet altijd 's avonds plaats vindt, varieert dat natuurlijk met andere ververschingen, meer geschikt voor den tijd van den dag.

Dan treedt ook de vriendelijke domineesvrouw binnen en wenscht de nieuwe zustertjes in de gemeente recht hartelijk geluk. By 't heengaan bedanken de jonge meisjes den predikant voor de vele goede en wijze lessen van hem ontvangen en als men mevrouw de hand drukt, betuigt men haar zijn dank voor de heerlijke tractatie.

Dan gaan de nieuwe lidmaten naar huis om den eerst volgenden Zondag bevestigd te worden in de kerk en hunne gelofte af te leggen ten aanhoore van de talrijke schare.

Thuis gekomen wachten ouders, broeders en zusters de nieuwe lidmaten op, met hartelijke gelukwenschen en menig souvenir toepasselijk op de gebeurtenis: een beeldig kerkboek van moeder, een fraaie ernstige plaat van vader; van zus Marie: Beets' gedenkboek voor lederen dag van 't jaar; van grootma: een ringetje waarin zij den datum van aannemen heeft laten graveeren; van een rijken oom: een snoezig practisch werktafeltje. Op tafel lag een heel stapeltje brieven van vrienden en-kennisjes en het doet jonge meisjes goed zooveel hartelijkheid te ondervinden van menschen, die haar zoo, lief en dierbaar zijn. Zij voelt zich zoo rijk, zoo gelukkig en — zoo dankbaar; en als zij zich ooit voorneemt om te trachten goed te zijn, dan is 't wel in die overstelpend gelukkige oogenblikken."

't Gaat dus niet zonder godsdienst.

Maar het hoofdstuk „onze belijdenis", met die overstelpend gelukkige oogenblikken, waarin de jonge menschen zich voornemen om te trachten goed te zijn, staat vlak naast het hoofdstuk „in de balzaal" (blz. 175—191) en volgt op het hoofdstuk „op een speelavondje."

Alles op z'n tijd. De „aanneming" behoort er ook bij.

Maar vlak er aan vooraf schrijft Mevrouw Etiquette: "Van wie uwer heeft het hart niet bijna hoorbaar geklopt, wanneer gij in het rijtuig staptet, dat u voor 't eerst van uw leven, sedert gij volwassen waart, naar de balzaal zou voeren? Die onbekende wereld, waarvan gij reeds zooveel hoordet, zij trekt u aan en beangstigt u tegelijk." Met welken angst bedoelt wordt, de vrees om in Terpsichore's tempel een flater te slaan of als muurbloem te moeten staan! (blz. 177). Terwijl in het hoofdstuk „op een speelavondje" staat: -„Elk beschaafd meisje behoort de drie hoofdspelen — whist, hombre en quadrille — goed te kennen, niet maar gebrekkig, want het is voor een goed speler vervelend iemand tot maat te hebben, die aanhoudend fouten maakt. Speelt gij niet, dan zijt gij in vele gezelschappen een hinderpaal voor het genoegen" (blz. 168),

Geen sentimenteele, dweeperige, onpractische menschen kan de maatschappij gebruiken.

En daarom — neen, niet zonder godsdienst.

De moderne cultuurmenscb heeft soms noodig een gewijd decorum.

Maar intusschen moet men zorgen geen onbruikbare menschen te worden voor de maatschappij — en men dient zich in te richten naar den eisch der wereld, die den godsdienst geen plaats gunt in de samenleving.

Daar is het een leven bij de dingen van beneden. Een knielen voor het geld. Een jagen naar succes. Een afdwingen van menschengunst.

En eten en drinken, sociëteit en concert neemt alles in beslag.

Voor den dienst des Heeren geen plaats. Aan de kerk geen behoefte. Ja, wel nog een plaats in de kerk. Als er ten minste een predikant en een kerkeraad is, waar men nog eenige achting voor kan hebben, als zijnde beschaafde menschen, die in de maatschappij meetellen en niet met hun hoofd tusschen de knieën loopen. Evenwel niet om die plaats dan zelf te gebruiken.

Maar het is zoo makkelijk voor de dienstbode, wanneer die eens gaan wil. Hoewel men liefst een keukenprinses heeft, die niet tot „de fijnen" behoort en de partijtjes en dineetjes op Zondag in de war zou kunnen sturen.

Zulke dweepers zijn eenvoudig onuitstaanbaar.

Maar overigens ja, dat zulke minderwaardige deelen van de maatschappij, als knecht en dienstbode, nog aan den godsdienst doen, dat vindt men wel goed.

Liever zulke dienstboden dan diè rood op den graat zijn.

Doch zélf om God en Zijn dienst zich te bekommeren, neen! dat niet.

Waar is 't ook noodig voor? En zoo gaat onze middenstand verloren, dansende rondom het gouden kalf en jagende naar eer en genot. {Wordt vervolgd.)

Belijdeniskwestie. II

De Synodale Commissie, wilde dus den kerkeraad van Aalsum en Wetsens verwijzen s naar het "'Classicaal Bestuur. En daarmee moest dan de bespreking in de Synode maar uit zijn. Terwijl het een zaak gold als bovengenoemd, n.l. dat de predikant te Dokkum o.a. als eerste vraag bij het afleggen van geloofsbelijdenis en bij de bevestiging als lidmaat, letterlijk gevraagd had: belijdt gij te gelooven in een leven van geloof, hoop en liefde?

Inplaats van een ernstig protest tegen zulke dwaasheid en zulk onreglementair handelen — geen woord er over!

Maar, zooals we zeiden, de Synode dacht er anders ovef en wilde wel enkele oogenblikken aan deze zaak wijden (zie blz. 215 enz. van de Syn. Handelingen).

Prof. van Veldhuizen vroeg eerst het woord en zei, dat hij zich wel kon aansluiten aan de conclusie der Commissie, omdat zij formeel in orde is, maar hij heeft toch met leedwezen het schrijven van den kerkeraad gelezen.

De secretaris sluit zich ook aan bij de conclusie, maar zou toch wenschen, dat de Synode aan het Classicaal Bestuur van Dokkum langs kerkelijken weg opdroeg een onderzoek in te stellen naar de vragen, die aan de personen uit Aakum gedaan zijn, toen zij te Dokkum belijdenis hebben afgelegd. Hij had verwacht dat dit door de rapporteerende Commissie als tweede conclusie aan de Synode zou zijn voorgesteld. Wenscht zij echter die conclusie niet aan het rapport toe te voegen, dan zal hij zoodanig voorstel doen.

De heer Schrieke meent dat het rapport in orde is en de heer Weijland meont, daar de kerkeraad bedoelde lidmaten heeft ingeschreven, alles verder kan blijven rusten.

De heer Gronemeyer vraagt, of de brief wel serieus is.

De heer van Bruten zou er niet voor zijn het door den secretaris voorgestelde in de conclusie van het rapport op te nemen; maar met het voorstel zelf kan hij wel instemmen. Waar dergelijke zaken onder de oogen van het hoogste Kerkbestuur komen, moet de Synode een onderzoek doen instellen.

De heer Daubanton merkt op, dat het rapport reglementair in orde is, maar dat de secretaris een zaak heeft aangeroerd, die hóoger gaat dan het Reglement. Daarom zou hij een afzonderlijk voorstel in dien geest willen steunen.

De heer Steenbeek meent, dat het rapport den indruk maken moet, dat de Commissie denkt dat deze belangrijke zaak de Kerk niet aangaat.

De President kan zich wel met de conclusie vereenigen, maar vindt het rapport wel wat te objectief. Hij voelt veel voor het voorstel van den secretaris.

Met algemeene stemmen wordt de conclusie van het rapport — dat de kerkeraad zich richte tot zijn Classicaal Bestuur — aangenomen.

Hiermee was evenwel de zaak niet van den vloer, want de Secretaris stelt nu voor, dat de Synode, door tusschenkomst van het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland, aan het Classicaal Bestuur van Dokkum opdrage een onderzoek in te stellen naar de vragen, of althans naar de eerste der drie vragen, die bij de aanneming van de bedoelde personen uit Aalsum, door den predikant, die de aanneming geleid heeft, gedaan zijn, en naar bevind van zaken te handelen.

Hier is een kerkeraad, die een mededeeling doet omtrent eene plaats gehad hebbende aanneming; de eerste der gedane drie vragen letterlijk meent te kunnen opgeven, zoodat de gegevens om een behoorlijk onderzoek in te stellen aanwezig zijn. De Synode mag zich niet aan den plicht onttrekken een onderzoek te doen instellen.

De heer Edling meent, dat het op den weg van het Class. Bestuur gelegen had naar art 5 v. h. Regl. voor Kerkelijk opzicht en tucht onderzoek in te stellen. Hij is daarom niet voor het voorstel van den Secretaris.

De heer van Bruten meldt wat in de Class. Leiden geschied is (tusschen de Kerkeraden van Leiden en Oudshoorn). Deze zaak staat eenigszins anders. Hij meent, ook met het oog op de circulaire van het vorig jaar, dat naar de gedane vragen een onderzoek moet worden ingesteld.

De heer Weyland had een bezwaar, maar dat is nu weggevallen, hoewel er z. i. toch nog eenige tegenstrijdigheid is.

De heer de Haan meent, dat de Synode op een moeilijken weg komt. Wat zal het gevolg zijn van het onderzoek ? Het Classicaal Bestuur komt dan in groote moeilijkheden en zal moeten uitmaken wat onder geest en hoofdzaak is te verstaan. Persoonlijk heeft hij ten vorigen jare de verzonden circulaire goedgekeurd; maar neem aan dat hier niet naar geest en hoofdzaak is gehandeld, dan zal voortaan elk Classicaal Bestuur moeten uitmaken wat geest en hoofdzaak is. Implicite heeft de Synode door de zaak in handen te stellen van het Classicaal Bestuur, te kennen, dat zij een overtreding ziet.

De heer Schrieke zegt, dat hij zich, toen hij de circulaire ten vorigen jare stelde, rekenschap heeft gegeven van haren inhoud.

Is de vraag gedaan zooals in het schrijven staat, dan keurt hij haar af; maar hij wil niet in de handen vaneen Classicaal Bestuur de beoordeeling leggen van wat naar geest en hoofdzaak is.

Na deze besprekingen komt het voorstel van den Secretaris, in stemming, waarbij zich 11 stemmen vóór en 7 tegen verklaren zoodat een onderzoek zal worden ingesteld naar deze zaak.

Wij verheugen ons over dit voorstel van den secretaris en meer nog over het feit, dat er een onderzoek zal worden ingesteld want het is hier wel het toppunt van domme brutaliteit om in de Herv. Kerk een vraag te doen als: „belijdt gij te gelooven in een leven van geloof, hoop en liefde? " — en dan nog te meenen gehandeld te hebben naar den geest en de hoofdzaak van de Herv. belijdenis en naar den zin van de Reglementen. Men moest toch wijzer zijn.

En waar het spreekwoord is: „brutale menschen hebben de halve wereld, " is het wel goed, dat brutale menschen even op de vingers getikt worden.

Wat het verder zal uitwerken, weten we niet.

Heel veel goeds verwachten we er niet van. Maar het gestadig druppelen kan toch een steen uithollen.

Wie weet...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's