De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Ds. Leenmans, de president, vervolgde zijn rede in de Synode aldus:

Ik weet het. Mijne Heeren, dat dlles was U bekend; maar gij vergeeft mij, denkelijk, deze uitvoerige herinnering. Immers, om de grootheid van Gods zegen in 1913 te beter te waardeeren, is zulk eene herinnering lang niet ondienstig; en het is ons daarom eene te heerlijker gedachte, dat aan al die doorgestane ellende, zij het ook niet als met een tooverslg, toch langzamerhand een bevredigend einde, of althans een groote verbetering daarin is gekomen. Hetgeen in den jare 1813 was aangevangen, werd, Gode zij dank! door de beslissende nederlaag van Napoleon op de slagvelden van Waterloo en Qatrebras, zij het ook ten koste van duizend angsten en stroomen bloeds onzer dapperen, bekroond.

De herwonnen onafhankelijkheid werd bevestigd. De grondwet van 1815, waarvoor van Hagendorp nog midden in de verdrukking, nog voor Oranje weer in het zicht was, een ontwerp had gemaakt, voldeed ook aan billijke verwachtingen van de Kerk; én wat bedenkingen ook terecht er tegen aangevoerd zijn, toch Koning Willem I bedoelde het uitnemend; en het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, dat aan diens zorg voor onze Kerk zijn oorsprong had te danken, en in den jare 1816 in werking trad, bracht der Kerk, in weerwil van zijne gebreken, veel goeds.

Zoo zien wij dan tegemoet, met verlangen, de openbare en gemeenschappelijke herdenking van Gods groote daden, aan ons Vaderland, óok en allereerst in onze openbare godsdienstoefeningen op den aanstaanden 16den (of anders op den daarop volgenden) November, waarop de moedige graaf van Stirum ten huize van van Hogendorp eene door dezen gemaakte proclamatie terstond aannam, die begon met "Oranje boven, Holland is vrij!« — om daarna met deze proclamatie in den zak en de oranjekokarde op den hoed, de straat op ging; het stuk van de pui van het stadhuis liet aflezen, zich aan het hoofd der nationale garde stelde en met trommelslag en vliegende vaandels door den Haag trok, overal toegejuicht, en met het uitsteken der oranje vlag begroet.

God geve ons dien grooten gedenkdag te beleven en zegene het feest met vermeerdering van liefde voor Vaderland en Vorstenhuis, en dankbaarheid jegens Hem in woord en wandel!

Maar zoo wenden wij thans, onwillekeurig, onze aandacht naar de herinnering aan den toestand onzer geliefde Kerk. Wij vestigen het oog op haar tegenwoordigen toestand; en gaat het U als mij, dan moeten wij verklaren: de gedachten vermenigvuldigen zich in ons binnenste. Eene menige vragen komt van zelf in ons op; om het even of wij letten op haar uitwendige of op haar inwendige gesteldheid, op haar stoffelijken of op haar geestelijken toestand. Nog altijd bekleedt zij eene allereerste plaats in ons volksleven, zij die door de Reformatie in onze landen is geboren; door de Reformatie met ons volk is groot geworden en nog steeds, niettegenstaande haar bij herhaling zooveel kostelijk bloed is afgetapt, meer dan twee-en-een-half millioen leden telt; het grootste deel der Protestanten van ons land , tot zich rekent. En hoe vrijelijk kan zij zich bewegen, inzonderheid sedert in 1870 de bekende elf reserves zijn ingetrokken.

Maar is zij nu genoegzaam doordrongen van hare groote verantwoordelijkheid dien tengevolge voor God en menschen? Poogt zij krachtig genoeg te beantwoorden aan hare hooge en heilige roeping, als eene stad op een berg liggende, als een licht en als een zout der aarde, als een, pilaar en vastigheid der waarheid, ter verheerlijking Gods, tot eenen zegen voor het volk te zijn ? Oefent zij allerwege waarachtige, ootmoedige dankbaarheid jegens God voor Zijne wonderbaar groote en onvergetelijke daden, van almacht, genade en trouw, aan onze vadere bewezen, waarvan wij, hunne kinderen, nog zoo ruimschoots, in weerwil van alle beroeringen en oorlogen in ons werelddeel mogen genieten? Of is er hier en daar misschien helaas! velerwege, ter nauwernood plaats voor, omdat socialen nooden, niet zelden opgeblazen, hoofd en hart, ja het geheele leven hebben ingenomen, en niet toelaten, aan de geestelijke en eeuwige dingen met die zorg, die zij verdienen en vereischen, te denken? Is zij er ernstig genoeg op uit, in te gaan, medelijdend, in al de geestelijke en maatschappelijke behoeften der massa's, die dringend om voorziening roepen; den duizenden bij duizenden die, door geboorte of doop, of belijdenis des geloofs, of slechts door traditie, nog altijd tot haar blijven behooren; die, hoe onverschillig ook omtrent, of afkeerig van het Evangelie, toch om de eene of andere reden zich aan haar, als nu eenmaal de Kerk in hun oog, gebonden voelen, den fakkel voor te houden, die hun den weg wijst, om verlost te worden van het zielverdervend materialisme, en hen te leiden tot de milde fonteinen der levende wateren, die daar ontspringen aan den voet van Golgotha's kruis?

Geeft hare bazuin, die ten strijde roept tegen zonde wereld en vleesch, nergens een onzeker geluid, maar wekt zij duidelijk en krachtig óp tot geloof en bekeering en langs dien weg tot het genot van den eenigen waarachtigen troost voor tijd en eeuwigheid ? O, nog is zij er; Gode zij dank, en kan nog tot zoo rijken zegen zijn. Maar, zal zij het nog blijven uithouden; hetzij in haar tegenwoordigen vorm, hetzij veranderd van organisatie?

Of zijn daarentegen hare dagen geteld'; gelijk hier en daar wordt gefluisterd, of van de daken gepredikt ? Is het zoover gekomen, dat wij een nieuwen uittocht hebben te wachten ? En slechts van ééne, of óok van andere zijde?

Zal er aan de in-droevige verdeeldheid, in haren boezem, omtrent de hoogste, de fundamenteele vragen, aan al haar woelen, en worstelen op dat hoogst aangelegen gebied eindelijk, eindelijk eens een einde komen, of zal dat alles voortgaan haar te ondermijnen, veelzins te verzwakken, ja te verlammen en haar tot aanfluiting van velen te maken ? Zal er opwaking komen tot waarachtig geloof en nieuw leven, door de almachtige ontferming van den Heiligen Geest, die alléén dat vermag te werken, en allerwege het vurig gebed daarvoor opgaan? Of zal integendeel alles blijven bij het oude; onze Kerk haar bestaan slechts kwijnende blijven voortslepen en dientengevolge ook in den stoffelijken nood van zoovele harer leeraars geene of slechts al te geringe verbetering worden aangebracht ? «

Tot zoover volgen we den president der Synode in zijn toespraak.

„Zal het alles blijven bij het oude ? " — zoo vroeg hij.

„Ja — laten we alles houden bij het oude !" — zoo antwoordde men.

„Maar moet onze Kerk haar bestaan dan kwijnende blijven voortslepen ? " — zoo sprak hij.

„'t Gaat goed zoo ; laat het zoo blijven !" — zoo besloot men.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's