De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden. Hebr. 4: 16a.

Om genade te vinden.

Hoe kan dat nu, vraagt ge, toegaan met vrijmoedigheid? Kan een vlaswiek tot het vuur naderen? Of een stoppel, zonder verteerd te worden, de hitte nabij komen?

Daar is slechts ééne voorwaarde. Ge moet met den Hoogepriester mee. Om ons bij het Schriftwoord aan te sluiten: als ge rusten moogt op Zijn borstlap, als daar uw naam staat ingegrift, geen nood. Hier staat ge op eens op den steen der wijzen: als ge met Christus één zijt geworden, als ge door den geloofsband ééne plante met Hem zijt geworden, dan is die heilige troon, die wit staat van heiligheid, met de heerlijkste schaduwen omgeven. Dan noodigt diezelfde God: treedt vrijelijk toe, want het kleed, dat u dekt, is me lief, het bloed, dat u verfde, heeft u gemaakt lelieblank, wit als Mijn troon. De zetel des gerichts is voor Gods volk in Christus de troon der genade.

Ge wilt bewijs?

Luistert dan: „laat ons tezamen richten, zegt de Heere, al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol."

Zoo ontoegankelijk de troon des gerichts is, zoo open staat de troon der genade. Dat is het werk van dien heerlijken Christus. Toen Hij inging op dien grooten zoendag, toen scheurde de voorhang van boven af — let wel. Hier ligt eene noodiging in van den hemel voor elke bange ziel.

Hier wordt barmhartigheid verkregen en genade gevonden.

Oogenschijnlijk is hiertusschen weinig verschil, in den grond houdt toch ieder dezer woorden op zichzelven een eigen gedachte in. Barmhartigheid komt voorop, om genade te doen volgen. Ge zult het zoo dadelijk merken.

Als de Heere Zijn schuldig volk doet naderen, als Hij armen zondaren vrijmoedigheid geeft om toe te gaan tot den troon der genade, omdat zij op Christus mogen zien, op dat heerlijke werk der verzoening, dan komen ze op de knieën te liggen, en dan ontvangen ze uit de hand van dienzelfden God, Dien ze zoo menigvuldiglijk op zoo schrikkelijke wijze tot toorn hebben verwekt, in plaats van: „slaat hen aan Mijne voeten dood", barmhartigheid. De zondaar mag nog leven, leven voor het aangezicht van dien God, Die ook voor hem een verterend vuur moest wezen. Zie, dat is nu barmhartigheid: bloot het leven; nog te mogen zijn.

Maar zal nu komen, waar het hart om vraagt, dan moet er genade worden gevonden, d. w. z. vrijspraak van schuld, van alle schuld. Och, mijn lezer, een menschenkind, dat zich schuldig weet, niet aan een enkele, maar aan al de geboden Gods, die zondaar is geworden van het hoofd tot aan de voetzool, die zal, als het voor den troon Gods mag nederbuigen, de geringste weldaad aanmerken als eene barmhartigheid Gods. Een dronk water en een kruimel brood zijn nog verzondigd. 't Is alles tezaam niet anders dan barmhartigheid.

Hoe diep dit evenwel ook ingrijpe, hoe totaal verschillend daardoor de levensbeschouwing ook worde met die van voorheen, 't is nog niet wat het wezen moet, want zulk een zondaar heeft nog niet de zekerheid van vrij te zijn van het oordeel. Is barmhartigheid verkregen, er moet nog genade gevonden. De Heere moet nog laten zien de kwitantie, de onderteekening van den Borg, het bloed van uitdelging: genade.

Want genade spreekt vrij van schuld, zöo, dat de Rechter niet meer veroordeelen kan, zoo, dat recht is geschied, en daardoor recht wordt verkregen op het leven.

'k Kan het u niet beter voorstellen, deze onderscheiding van barmhartigheid verkrijgen en genade vinden, dan in de geschiedenis van Esther.

Toen zij voor 's konings troon nederbuigend den gouden scepter mocht aanraken, verkreeg ze barmhartigheid, want haar verschijnen aan die plaats was tegen de wet in. Ze had het zelve moeten erkennen: „ik zal tot den koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkom zoo kom ik om." Dus wanneer de koning haar op het oogenblik had doen neder vellen, was hij nog in zijn recht gebleven. Alles wat hij nu meer gaf dan dit was barmhartigheid.

Voorzeker was het voor Esther een kostelijk ding. Het was haar alles waard voor het aangezicht van den koning te mogen staan, maar waar het om begonnen was, moest nog verkregen worden. Het vonnis des doods moest opgeheven, ze moest waarborg hebben voor het leven. En dat verkreeg zij, toen ze voor den koning opnieuw nederbuigende, hem smeekende te voet viel: „indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, indien het den koning goeddunkt, men geve mij mijn leven."

Zie, hier werd genade gevonden. Bij het eerste ontmoeten moest het heeten: ze verkreeg barmhartigheid. Of wanneer het u schooner dunkt voor den troon van niets anders te spreken dan van genade, zeg dan dat de eerste genade, die daar van 's konings troon wordt uitgereikt, barmhartigheid heet. Maar dan zal ook al het andere genade heeten. 't Is genade voor en genade na.

Dit is nu het groote goed, dat weggelegd is voor Gods kinderen, voor die den Heere vreezen. Het moge schijnbaar wel met iets anders, met precies het tegenovergestelde, beginnen, de uitkomst is: voor den troon, van den troon genade gevonden.

Wanneer we weten wat genade beteekent, dan kan het nooit anders dan langs dit pad. Genade wil zeggen: alles verbeurd en alles verkregen.

Dat begint aldus: ik heb den dood verdiend, den eeuwigen dood; en het eindigt: ik heb het leven ontvangen, het eeuwige leven.

'k Grijp weer naar Esthers geschiedenis.

De eerste tijding, die haar bereikte, was: beeld u niet in, dat gij zult ontkomen.

Zoo gaat het ook met den aan zich zelf ontdekte. De ontwaakte conscientie, de duivel, alles getuigt: „beeld u niet in." Dat wordt een afgesneden zaak: ik moet omkomen.

Maar waar 't een werk Gods is, daar wordt ook het besluit geboren: ik zal naar 's Konings troon me begeven, hoewel ik me daarom nog te schuldiger zal weten, maar ik moet daar wezen, er is nergens anders hulpe te vinden, ik moet den Koning hebben. De stoel des gerichts kan ook voor mij zijn de troon der genade. Daar is een voorspraak ingetreden voor zulke doemschuldigen, een Hoogepriester voor zoodanige zondaren. Indien ik genade mocht vinden, ik had het leven.

Wat dunkt u, zou deze bidder ledig worden heengezonden ?

Gewis, hij wordt geholpen. De weg der genade breekt nooit af voor volle genade is verkregen.

Houdt hieraan vast gij, die in bekommernis voortleeft vaak op dit punt, die geslingerd wordt door deze gedachte of het met u nog niet eenmaal verkeerd zal uitkomen. Wanneer ge voor den troon der genade uwe knieën buigt en ge ligt hier op uw heil, op uw Heiland te wachten, het is u in één woord om uw God te doen, dan zult ge geholpen worden.

Ge vraagt misschien, wanneer dat zijn zal? Laat het Woord, dat nooit liegt, het u vertellen, 't Staat er zoo kostelijk. Daar staat niet „vroeg" en daar staat niet „laat", maar „ter bekwamer tijd", juist op het oogenblik, dat het moet.

Nu zal hier groot verschil zijn op te merken, omdat de Heere vrijmachtig is. Hij heeft de tijden in Zijne hand. Hij weet precies, wanneer ingegrepen moet worden.

Dit is nu het heerlijke voor een ziel, die begeert dat uur van hulpe te zien dagen, als zij stille mag worden in gedurige zoeking. Want voor den genadetroon wordt de ziel eerst recht werkzaam. Dan is er een zoeken naar Gods aangezicht, dan wordt naar het Woord gegrepen, dit wordt als het ware opgegeten en bovenal om den Geest gesmeekt.

Hier kunt ge juist de ware bidders proeven. De Kananeesche vrouw werd niet geholpen toen zij meende, dat 't moest, verre van dien. Toen zij Jezus naliep en nariep, scheen Hij wel oor en hart te hebben toegesloten. De discipelen zelfs meenden te moeten bijspringen. En als de Heiland eindelijk de vrouw te woord staat, is de proef zoo sterk, dat wij zouden zeggen: ze moet wel mislukken, ze zal henengaan. Maar wat is het slot: u geschiede gelijk gij wilt, groot is uw geloof.

Ze werd geholpen ter bekwamer tijd. Ze droeg haar dochterken uit als buit. In het bidden en niet versagen, in het werkzaam bidden wordt de roepende openbaar.

Er was eens een meisje, dat op school de aandacht trok van onderwijzers en medeleerlingen. Ze kende hare lessen altijd voorbeeldig.

Eene der leerlingen, die bekend stond om hare traagheid, richtte de vraag eens tot haar: „hoe komt het toch, dat ge altijd zoo goed uwe lessen kent? "

Het antwoord luidde: „ik bid altijd, dat ik mijn les goed mag opzeggen."

„Is 't waar? " zoo sprak de andere, dan zal ik ook bidden."

Helaas, den volgenden morgen kende deze nog minder dan gewoonlijk. Geheel beschaamd en toornig richt ze zich tot haar klasgenoote met het verwijt, door haar bedrogen te zijn: „ik heb gebeden en toch kende ik niets."

„Misschien", zoo zeide de andere, „hebt ge uw best niet gedaan met leeren."

„Leerén, leeren, ik heb geheel niet geleerd, ik dacht dat dit niet behoefde."

Zoo is ook de gang van het geestelijke werk. Wie waarachtiglijk voor den genadetroon komt, is o zoo werkzaam geworden, niet om nog iets te verdienen, maar om genade te vinden — onderstreep dit woord eens in uwe gedachten — vinden, om geholpen te worden — dit laatste woord eveneens — geholpen worden, en wel ter bekwamer tijd.

Hij zoekt te zijn waar de Heere is en waar de Heere Zijne hulpe heeft beloofd.

Nu is het zoo heerlijk, als die ziele in stilte mag werkzaam zijn, met vast vertrouwen: in zes benauwdheden helpt Hij uit, in de zevende blijft Hij niet achter."

We moeten in gedachten nog eenmaal naar koningin Esther terug.

Ge hebt het, mijn lezer, wellicht reeds in haar gelaakt, dat zij zoo lijdzaam was, zoo wist uit te stellen, maar in den grond was het niet anders dan wijs beleid, dan groot vertrouwen.

Let er wel op, dat het toen net tijd was, geen oogenblik kon het eerder en geen moment kon het later.

In dien laatsten nacht werd des konings hart gunstig gestemd voor Mordechaï, toen hij las in het boek der gedachtenissen.

In dien morgenstond werd de galg gebouwd, naar Haman meende voor den Jood, inderdaad, voor hem zelven.

Zie, toen was de bekwame tijd gekomen.

Ze werd op koninklijke wijze geholpen.

Zoo gaat het iedere ziel, die werkzaam mag zijn en blijven voor den troon der genade.

Van Bunyan wordt verhaald, dat hij eens op schrikkelijke wijze werd aangevallen. De Verleider fluisterde, dat de genade Gods en het bloed van Christus hem niet in het minste aangingen. Vanwege zijne zonden konden deze hem niet van nut zijn. Hij behoefde ook niet weer te bidden, het zou toch niet baten. .„En ik zal toch bidden", sprak hij.

„Maar", zeide de verzoeker, „uwe zonde is onvergeeflijk."

„Welnu", zeide hij, „ik zal toch bidden."

„Het is tevergeefs", zeide de tegenstander. En weer was het antwoord: „ik zal toch bidden."

En toen begon hij voor den troon der genade te smeeken: „Heere, de Satan zegt, dat Uwe genade noch Christus' bloed volstaan kan om mijne ziel te redden. Kan dat waar zijn? Is dat Uwe eere? Heere, ik zou zoo zeer verlangen U te eeren met te gelooven, dat Gij kunt en wilt." En, terwijl hij nog sprak, was het alsof iemand hem op zijn schouder klopte met dit woord: „groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt."

Hij werd geholpen ter bekwamer tijd.

Is dat ook uwe verwachting, lezer? Of hebt ge nog gansch geen genadetroon noodig. Kunt ge zelf alles nog zoo goed verrichten ? Bedenk dit dat het u eens alles bij de hand zal afbreken, dan blijft u niets overig, dan is alles schuld en ge hebt geen Borg, ge hebt geen Middelaar. Dan staat de troon wit van heiligheid, dan is er geene bedekking. Al zal dan ook geroepen worden: bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons voor het aangezicht van Hem, die op den troon zit; zelfs dit zal worden geweigerd. Aarde en hemel vlieden weg in die ure.

Voor degenen die vanwege hunne zonden en ongerechtigheid bekommerd zijn en niet weten waarheen hun toevlucht te moeten nemen is een betere toekomst wachtend. Daar is in Christus voor hen een genadetroon opgericht. Als hun alles ontzinkt, blijft genade over. De nood moge wel hoog gaan, er is toch geen omkomen. Luistert maar:

't Behoeftig volk in hunne nooden In hun ellende en pijn Gansch hulpeloos tot Hem gevloden. Zal Hij ten redder zijn.

Dit lied van den Psalmdichter spreekt duidelijk genoeg; gansch hulpeloos, zóo dat nergens anders hulpe overbleef, „tot Hem gevloden", zal Hij ten redder zijn. Deze troost doe de Heere in Zijne genade maar voortdurend nederdroppelen in iedere gewonde ziele.

Voor Gods volk is de genadetroon opgericht. Dat ze dan ook maar geduriglijk in zijne schaduwen mogen verkeeren. Dat hun bedenken zij: Hij helpt me van nu aan tot in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's