De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

Op de hoogte!

Ds. Willekes, Ned. Herv. predikant te Hendrik-Ido-Ambacht, heeft zich naam gemaakt in korten tijd. Eertijds godsdienstonderwijzer, werd hij in Amerika, het land der wonderen, predikant. En als predikant teruggekeerd kwam zijn naam spoedig in ons Vaderland op de lippen van allen, die de kerkelijke aangelegenheden gewoon zijn te volgen en te bespreken, 't Kostte nog al wat moeite om, zonder kleerscheuren, van den Amerikaanschen preekstoel op den Hollandschen kansel te Someren, een klein plaatsje in N.-Brabant, te komen.

Maar daar eenmaal staande zou Ds. Willekes z'n weg wel banen. Zijn verblijf te Someren zou maar zijn om te beginnen. En dan naar ruimer oord. En bij een volgende gelegenheid naar de stadl Zoo ongeveer hield het schip koers. En schitterende welsprekendheid — zooals de Dordtsche Cour. beschrijft — zal de veilige haven wel doen bereiken.

Intusschen is Ds. Willekes, na kort verblijf te Someren, predikant geworden te Hendrik-Ido-Ambacht. Door den kerkeraad wettig beroepen tot veler verbazing en tot veler ergernis. Wat daar in gedaan is door Ds. Willekes weten we niet. Wat daarbij beloofd is door hem weten we óok niet. Maar hij is beroepen en is gekomen naar Hendrik-Ido-Ambacht. Als een domine zonder gezangen.

En nauwelijks in de gemeente zijnde, keert hij z'n rokje om en zal voortaan gezangen opgeven in de openbare godsdienstoefeningen. Dat vinden we vreemd. Want wel staat er in onze kerkelijke reglementen de dwaze bepaling (zie art. 22 Regl. voor de kerkeraden) „bij de leiding der openbare godsdienstoefeningen gaan zij (de predikanten) zoowel in het algemeen, als in het bizonder met betrekking tot het gebruik van den Heidelb. Catechismus, de liturgische schriften, de vragen bij de voorbereiding tot het Avondmaal, de Psalmen en de Gezangen, naar eigen oordeel te rade met de godsdienstige behoeften hunner gemeenten, " waarbij het dus in de macht van den predikant gegeven wordt om b.v. den Catechismus te gebruiken of af te schaffen en waardoor dus ook de predikant alleen — zonder medeweten of goed vinden van den kerkeraad — de Gezangen kan invoeren of afschaffen. Maar ieder voelt, dat wanneer een predikant beroepen wordt naar een gemeente zonder gezangen en ook geen gezangen laat zingen bij zijn komst, hij het zedelijk recht mist om dan op eigen houtje in eens de gezangen in te voeren.

Als men zoo iets in z'n schild voert, moest men liever wegblijven. Dan stuurt men althans niet een geheele gemeente in 't honderd.

Al de bizonderheden in deze weten we niet. Maar dat de Dordtsche Courant verslaggevers zendt om in Hendrik-Ido-Ambacht te kerken en van alles wat er door den predikant gezegd wordt aanteekening te houden — zelfs van het gebed, — dat wijst er ons op, dat men aast op ruzie in de gemeente, om daarbij opvallend de hand boven het hoofd van den predikant te houden.

En als we daarbij opmerken, dat er een opvallende vriendelijkheid bij den predikant is tegenover liberalen en openbare onderwijzers— dan komt alles voor ons in een eigenaardig licht te staan.

Waarbij wij wel wenschten, dat Ds. Willekes maar in Amerika gebleven was.

Daar kan nog o! zooveel goeds gedaan worden.

En Ds. Willekens was daar misschien op z'n plaats.

Maar in een gereformeerde Gemeente van onze Ned. Herv. Kerk past hij niet. Daar zijn de manieren anders.

Intusschen ziet Ds. Willekens geen bezwaar om te doen zooals hij doet.

Hij doet het om 't best wil van de Gemeente.

De Gemeente staat naar zijn overtuiging op te laag peil. Zij is door vorige predikanten niet hoog genoeg opgevoerd. En het is hel heilig idedaal van Ds. Willekes, die zonder gezangen binnen kwam, de gemeente op te leiden „tot de hoogte van het Nieuw-Tetstamentische lied".

Arme gemeenten in ons Vaderland waar men nog niet tot die hoogte van gezangenzingen gekomen is. Staande op die hoogte moet het aanschouwen van de niet-gezangen zingende gemeenten wel een droeven indruk maken. En het is niet te verwonderen dat bij edele menschen dan het heilig begeeren komt: kon ik die arme gemeenten maar met krachtige hand opheffen uit dien treurigen staat van diep verval.

Dan komen ook de liberalen weer terug.

Ook de openbare onderwijzers.

En de Gemeente is gered.

Staande op „de hoogte van het Nieuw-Testamentische lied".

't Is te hopen, dat Ds. Willekes bij die reuzentoer om een gereformeerde gemeente op te voeren „tot de hoogte van het Nieuw-Testamentische lied" — zijnde onze Gezangen — niet onderweg bezwijkt.

Want het is een zwaar werk.

En bij dat werk de beenen te breken is niet onmogelijk.

Waarbij de liberalen en de openbare onderwijzers heusch geen dokter zullen halen. Ze zullen den man vol krachtproeven wel laten liggen langs den weg.

Als de Gemeente maar in wanorde is gebracht.

Dat is voorloopig genoeg.

Intusschen zitten onze menschen in Hendrik-Ido-Ambacht in de moeite en het einde is nog niet te zien.

In de diepte.

Ds. Lingbeek van Spijk heeft andermaal in het midden van de Confess. Vereeniging gesproken over den Geref. Bond.

Daar hebben we niets op tegen. Integendeel. Hoe meer men over ons spreekt en op ons bestaan en ons geschrijf en ons werk wijst, hoe liever dat we het hebben.

Er is oorzaak geweest voor de oprichting van onzen Geref. Bond. Er is reden waarom wij schrijven en handelen zooals we doen. Er zijn ook oorzaken te vinden, waaruit het te verklaren is, dat de sympathie voor ons , streven van week tot week wint. En laat men nu maar gerust over ons spreken in bet midden van de Confessioneele Vereeniging. We hebben hoop, dat er dan ook d4ar hoe langer hoe meer belangstelling voor onzen Bond en voor ons Bondsblad „de Waarheidsvriend", alsook voor ons Leerstoelfonds komen zal.

Wisselen van gedachten achten we in deze zéér heilzaam.

Waarom ?

Wel — men zal toch niet zoo onnoozel zijn in die kringen van de Confessioneele Vereeniging, waar de geref. waarheid naar Schrift en Belijdenis wordt gezocht en bemind, om te gelooven, dat er bij ons geen ander bedoelen voorzit, dan onze Herv. Kerk ten gronde te richten. Men zegt dat wel. Men zegt dat telkens weer. Men schildert het de menschen voor met de sterkst sprekende kleuren. We zijn een ramp voor de Herv. Kerk enz.

Maar dèn juist voelen velen, dat dit toch maar niet zoo klakkeloos mag worden aangenomen. Dat er dan eerst eens onderzocht moet worden. Wat er al zoo gebeurd is. Wat er al zoo geschreven wordt. Wat er al 200 gedaan wordt. En menigeen heeft ons reeds verklaard, schriftelijk en mondeling, dat men na eenig onderzoek moest getuigen: we zien volstrekt geen ramp voor onze Herv. Kerk in 't geen gij wilt. Integendeel, dat vinden we opperbest. Juist zooals we het gaarne hooren, lezen en zien.

Neen, men gelooft alles zóo maar niet!

Zeker, zij die ons afschilderen als te zijn een ramp voor de Herv. Kerk, bedoelen het goed. Ze zijn beste, goede menschen. Vriendelijk en voorkomend. Maar ze zijn nu eenmaal in deze schrikkelijk eenzijdig.

Jammer,

Want men meent het goed.

En we zouden het zoo goed saam kunnen vinden.

Maar men is niet in conditie om ons te verstaan.

Terwijl anderen ons hoe langer hoe beter gaan begrijpen.

Zulke menschen, die het minstens zoo goed meenen met onze Herv. Kerk als de beste confessioneel maar durft te denken!

Intusschen hebben wij er niets op tegen, dat men over ons spreekt en lezingen houdt over den Geref. Bond.

't Is dikwijls voor den Geref. Bond.

Dat hebben we al een paar maal ervaren. En nu ook weer door de lezing van Ds. Lingbeek van Spijk, die we zelf niet hebben gehoord, daar we iu Middelburg voor ds Afd, van den Geref. Bond stonden ie spreken over „de Bekeering, " toen Spijk's leeraar in Den Haag en Delft het woord voerde.

Ds. Lingbeek moet o.a. beweerd hebben, dat de Geref. Bond niet genoeg den nadruk legde op de genade in het genadeverbond. Iemand die dat gehoord had zeide ons: „jammer dat Ds. Lingbeek niet schijnt te voelen, dat het in onze dagen zoo bizonder noodig is te zeggen, dat de heiligheid van het genadeverbond niet geschonden zal worden. Genade is heerlijk. Sion zal alleen door genade kunnen leven en op genade kunnen sterven. Maar wie genade predikt zonder gerechtigheid en heiligheid, verstaat niet wat genade is. Want alleen waar heiligheid en gerechtigheid gekend wordt komt de genade uit als een goddelijk wonder vol eeuwig ontfermen over Zijn Sion.

Ds. Lingbeek gaat in deze in dezelfde fout als de ethischen. Die spreken van de liefde Gods en gedenken Zijne gerechtigheid niet genoeg, den Gereformeerden intusschen harde verwijten doende.

Zoo Ds. Lingbeek bij zijn beschouwing van het genadeverbond, 't Is genade en genade — maar over gerechtigheid en heiligheid hoorde ik niet; wel afstraffen van den Geref. Bond.

Nu begrijp ik het onderscheid tusschen den Geref. Bond en de Confessioneele Vereeniging. De eerste wil den nadruk leggen op de heiligheid en gerechtigheid Gods bij Zijn genade verbond, wat in deze diep treurige dagen, nu men maar nadert zonder zich zelf rekenschap te geven van 't geen men doet, zoo noodig is — terwijl de Confessioneele Vereeniging maar spreekt van de genade Gods en alles maar wil toelaten, door barmhartigheid bewogen.

En nu begrijp ik ook waarom de Geref. Bond spreekt van de Gereformeerde kerk, terwijl de Confessioneelen altijd spreken van de Volkskerk.

De een gaat in de breedte.

De ander gaat in de diepte."

We vonden het wel aardig wat bedoeld persoon ons op deze manier vertelde na de lezing van Ds. Lingbeek.

En we zouden boven dit artikeltje hebben kunnen zetten: hoe X lid van den Geref. Bond werd. -

Klein Duimpje.

't Was maar een aardigheid van Ds. Lingbeek. Maar hij vertelde in het „debat", na zijn lezing te Delft, de geschiedenis van Klein duimpje en van dien onbarmhartigen vader, die z'n kinderen kwijt wilde zijn en ze in het bosch wilde achterlaten. Dan was hij er af. Maar hij had buiten Klein duimpje gerekend. Want die had het gehoord en die nam z'n maatregelen, zoodat het plan van den onbarmhartigen vader mislukte.

Die onbarmhartige vader was Dr. Kuyper.

Die wilde de groote massa in de Kerk wel kwijt. Die ging weg en liet de massa aan haar lot over.

Maar die onbarmhartige vader had buiten Klein duimpje gerekend. Er was ook nog een Dr. Hoedemaker. Die deed al de plannen mislukken. Die bewaarde de massa.

Wel aardig.

Wij zouden het nooit gevonden hebben, die vergelijking.

Dr. Hoedemaker wordt zoo nóg grooter.

Als men ten minste het sprookje als een echt verhaal neemt — zooals de kinderen doen.

En als men dan vergeten wil die geschiedenis van dat broodkruimeltjes-strooien, waardoor Klein duimpje den weg bijster werd en verdwaalde.

Dan wordt Dr. Hoedemaker nóg grooter. En Dr. Kuyper nóg slechter.

Verkeerd toegepast.

Verbeeld u eens, dat iemand tot u kwam en zeide: ik doe niets voor de zending.

Gij zoudt natuurlijk dadelijk vragen: waarom niet.

En wat zoudt gij dan wel denken, wanneer als antwoord kwam : „de Farizeën deden ook veel aan de zending, want ze reisden landen en zeeën af, om éen jodengenoot te maken, 't Is met dat werken voor de zending niets gedaan, 't Komt er maar op aan leven aan de ziel te kennen, dat is beter dan doode werken te doen gelijk de Farizeën."

Zoudt ge niet verbaasd staan over de onnoozelheid in het toepassen van het een op het ander?

En al zoudt ge de fout in de redeneering niet zoo duidelijk en breed kunnen aanwijzen, gij zoudt toch aanstonds voelen dat er hier op dwaze, onbijbelsche, ongeestelijke wijze geredeneerd werd.

Zoo ook bij het volgende.

Stel u eens voor, dat er iemand tot u zeide: „ik geef niets om een goeden kerkvorm, en ik verlang niet meer naar een goede kerkorde — want bij een goede kerkorde is het toch maar de dood in de pot." Ge zoudt aanstonds voelen, dat hier dwaas geredeneerd werd en het niet naar het Woord is wanneer alzoo gesproken wordt.

Want de meest eenvoudige ziel, die iets voelt voor de waarheid Gods en iets van Zijne heilige ordinantiën kent, voor Zijn Kerk ons gegeven, die zou aanstonds voelen, dat in de Kerk van Christus een goede huishouding past en een goede kerkorde moet zijn. 't Heilige moet heiliglijk en ordelijk verzorgd worden.

Dat is zoó eenvoudig, dat ieder het voelen moet, wanneer men Gods Woord maar eenvoudig laat spreken.

Om op te bouwen.

Er wordt veel gesproken over het herstel van onze Herv. Kerk.

En er zijn er, die er de schouders bij optrekken, 't Geeft toch niets. Dat zijn de luiaards, die hun talent in een zweetdoek knoopen en dien zweetdoek in de aarde wegbergen en dan wat gaan slapen. Ze zijn er altijd geweest en er zullen er altijd wel blijven van dezulken. Hoewel het oordeel des Heeren in deze bekend is.

Weer anderen zijn er die zeggen: de genade Gods is het eerste en het laatste — genade is het al. En daarom voorzichtig aan. Kalm gepraat en langzaam gehandeld. De genade Gods is zóo groot, dat alles nog wel terecht zal komen. Immers heeft God allen in Zijn verbond besloten en Hij noemt ze allen Zijne kinderen. Deze menschen zijn vol idealen. Vol groote verwachtingen. Wanneer nu vóór alles maar middelen en wegen gezocht worden om allen bij elkaar te houden, dan komt alles nog wel terecht. De Heere, de God der genade, is toch machtig om dat te doenl

Een derde groep spreekt anders.

Die ziet op de dagen der ballingschap van het oude Bondsvolk. En men aanschouwt daar, dat door het schenden van het Verbond Gods des Heeren toorn is ontbranden Hij Zijn volk heeft doen wegvoeren naar een vreemd land, stad en tempel verwoestend. Dat is de God der genade, die gerechtigheid werkt en Zijn heiligheid aan Israël toonde. Hij laat niet toe, dat Zijn verbond trouweloos wordt geschonden.

De profeten zagen ook op de gerechtigheid.

En het eerste wat ze tot Israël zeiden, na de ballingschap, was: „Alzoo zegt de HEERE der heirscharen: bekeert u toch van uwe booze werken en uwe booze handelingen."

God kan het niet toelaten, dat aldoor Zijn heilig verbond trouweloos geschonden wordt. Dat het heilige ontheiligd wordt. Dat men het Woord des Heeren in den mond neemt, terwijl die mond leugen spreekt en van gruwelen getuigt.

Dan moet en dan zal de Heere toornen.

Dan komt het niet terecht.

Dan gaat het verloren.

Hoewel de Heere te midden van Zijn oordeelen Zijn genade niet vergeet en Zijn uitverkorenen behoudt.

Daarom spreekt die groep, die het voorbeeld van Israël voor zich ziet en het Woord der profeten beluistert, van Gods gerechtigheid en heiligheid.

En men gevoelt het daar, dat er nooit verlossing kan komen, indien het trouweloos schenden van Gods verbond geen paal en perk wordt gesteld.

Dan zal ballingschap komen.

Dan zal verwoesting op verwoesting volgen.

Dan zal de plaats van de Kerk onzer Vaderen worden uitgeroeid — en de Heere zal Zijn gunst en Zijn zegeningen openbaren, dèar waar men „naar de woorden des Heoren en naar Zijn inzettingen" zal vragen.

Wij zijn te lauw en te flauw bij alles wat gedaan wordt om het heilige te schenden, in prediking en in sacramenten.

Wij zijn te ongevoelig en te nalatig waar de zonde dagelijks vermeerdert en de ongerechtigheid toeneemt.

Er moet komen een opschrikken, een heilig toornen, een vurig optrekken, een gestadig protesteeren waar het zondebedrijf op kerkelijk terrein aanhoudt en brutaal voortgaat.

Want zoo er dat niet komt dan zal de toorn Gods komen over ons en onze kinderen. En onze plaats zal woest gelaten worden.

Wie is er onbeschaafd?

Het Weekblad voor Vrijz. Hervormden is weer eens boos op „de Waarheidsvriend". De hoeveelste maal dat is, weten we niet. We zijn den tel kwijt.

't Gaat nu over ons zeggen, dat vooral in Noord-Holland het godsdienstig, kerkelijk leven van de vrijzinnigen op geen hoog peil staat, wat de Rederijkers-Kamer, het tooneel, kaart-en biljartspel wel kunnen bewijzen.

We hadden er ook nog bij kunnen zetten jaai'markteu, kermissen enz.

Daarover is het Weekblad boos! Het noemt ons „onbeschaafd".

Nu bewijst iemand die boos wordt dat hij zwak staat. Vooral als hij dan zo'n mond open doet en niets tot weerlegging kan aanbrengen.

Maar dat nu daar gelaten.

De vraag is voor ons: hebben we waarheid gesproken of niet?

En dan willen we nog eens bevestigen, dat het godsdienstig-kerkelijk leven in moderne gemeenten, allertreurigst is. Men komt weinig of nooit in de kerk. Men is vreemdeling' in den Bijbel. Men weet niet of de Wet der tien geboden in het Oude of Nieuwe Testament staat. Men bezoekt herberg en sociëteit. Men speelt kaart en billart. Men vloekt en drinkt en is voor de meest luidruchtige feestvieringen. En men ziet er volstrekt niet tegenaan om enkele dagen vóór het belijdenis-doen .tot half drie 's nachts op een bal te zijn en met kermis iemands ruiten in te gooien. De voormannen van Protestantenbond zijn niet zelden de voormannen in onbeschaamde lompheden en onwaardige hatelijkheden.

Dat is in Noord-Holland,

Dat is ook in Drenthe.

Dat is ook in Zuid-Holland.

En die menschen doen dan in tal van plaatsen als Eibergen enz. alle moeite „om de gemeente om te zetten".

Rechtzinnige menschen moeten er uit.

En modernen er in.

Om dan alles te laten verloopen.

Zooals in Stolwijk.

Zooals in heel Noord-Holland.

Zooals overal.

Men kan immers evengoed godsdienstig zijn als men niet naar de kerk gaat.

En zit dan in billartspelen zoo'n kwaad?

Of is dansen ook al zonde?

Fatsoenlijk dansen natuurlijk.

Evenals fatsoenlijk kermis houden.

Leve de vrijheid!...

Maar met die vrijheid van de vrijzinnigen bloeien de kermissen en de tooneelgezelschappen, maar de kerk moet aan de plank.

Onze toon.

Ieder weet, dat het vorige jaar algemeen in de Synode is uitgesproken dat onze toon in onze Voorstellen goed mocht genoemd worden en we werden daarin geprezen door predikanten en professoren!

Dit jaar scheen het Anders. Althans volgens de couranten-verslagen had Ds. Visser van Assen gezegd: „is verleden jaar in de Synode gesproken over den goeden toon van bet schrijven van den Geref. Bond, dit jaar voel ik mij gedrongen een woord van ernstig protest te doen hooren daar nu tal van mannen diep zijn beleedigd geworden."

Daar werd ons toen op gewezen, maar we deden het zwijgen toe tot deze dingen, afwachtende wat de officieele Handelingenzonden berichten.

En wat staat daar nu op blz. 604 te lezen ? Dit: de heer Visser zegt, dat ten vorigen jare in de Synode gesproken is over den goeden toon van het schrijven van den Gereformeerden Bond. Nu heeft het hem leed gedaan, dat de Confessioneele Vereeniging spreekt over predikanten, die met een gerust geweten de bestaande formule meenen te kunnen onderschrijven en toch niet voornemens zijn dat Evangelie te verkondigen.

Dit zijn woorden, die toch pijn moeten doen. En dat staat niet alleen; maar ook de Kerkeraad van Ee laat zich in dien geest uit, enz "

Ds. Visser .heeft het dus niet gehad over den toon in het schrijven van den Geref. Bond.

Maar over het adres van de Confessioneele Vereeniging, van den kerkeraad van Ee, enz. Natuurlijk laten we dit laatste rusten.

Het was ons om het eerste slechts te doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's