Uit het kerkelijk leven.
Over den Godsdienst.
IV. (Slot.)
In de hoogere kringen staat het veelszins met de religie niet gunstig.
Oog en hart staat daar open voor weelde, uitspanning, eere en aardsche heerlijkheid.
Het kleed der mode en de sport van het seizoen neemt alle attentie in beslag. Bal en receptie Iaat voor andere dingen geen plaats. Diner en jachtpartij doet dag en nacht de gedachten in beweging zijn.
Geen wonder, dat spoedig in een roes van weelde en zingenot, de ziel des rijken spoedig totaal onaandoenlijk is geworden voor aangelegenheden van geestelijken aard.
Neen, niet allen zijn zoo.
Zeker niet! Er zijn gunstige uitzonderingen. Maar helaas! moeten we ook hier zeggen: die uitzonderingen bevestigen den regel.
In de wereld van den adel, in de kringen van de geleerden, in de omgeving van de aanzienlijken is geen plaats voor den godsdienst.
Godsdienst en adel passen niet bij elkaar. Godsdienst en wetenschap is niet te rijmen.
In de paleizen te knielen voor God, gaat niet.
De godsdienst is zoo burgerlijk-bekrompen! Verbeeldt u een adellijk heer die in den Bijbel leest; een baronesse die bidt; een geleerde die naar de Kerk gaat.
Dat gaat toch niet!
Men mag toch van iemand van adel, van een geleerde, van een overheidspersoon niet vergen dat hij leeft als een burgerman!
Neen, zulke menschen passen 's Zondags in een rijtuig, op de renbaan te Bussum, óp een gala-voorstelling in den Franschen Schouwburg.
En zoo zijn allen tegen dien Eénen, die allen gemaakt heeft en over allen Zijne zon nog doet opgaan, om allen voor te komen met de aanbieding Zijner genade in Jezus Christus.
Neen — men kent God niet. Men vraagt niet naar Hem.
Misschien is de godsdienst alleen goed voor iemand die uitgeleefd is en bang is om te sterven.
Dus aan godsdienst te doen lijkt nog niet zoo dwaas....
Wat een grof materialisme, bij de arbeiders, bij de middenstanders, in de hoogere kringen!
Najagen van de dingen die beneden zijn, die het oog bekoren, die 't vleesch streelen.
Dat is de religie van onzen tijd.
't Evenwicht tusschen ziel en lichaam, tusschen geest en stof, tusschen hemel en aarde ia verbroken.
En de mensch, door God geschapen, wil zonder God door de wereld gaan — om schipbreuk te lijden op de levenszee en in de eeuwigheid aan te landen op een plaats van ellende, waar de rijke man uit de gelijkenis, uitriep: Och, dat mijn broeders Gods Woord ter hand mochten nemen en naar uitwqzen van dèt Woord mochten leeren, éérst te zoeken het Koninkrijks Gods, waarbij de godzaligheid zal geopenbaard worden als de beloften te hebben voor het tegenwoordige en het toekomende leven!
De mensch kan niet zonder God. Hij kan niet zonder godsdienst. En waar men den mensch z'n godsdienst toch heeft afgenomen, door het roepen: „er is geen God", daar is de mensch in z'n natuur zoo diep ellendig gemaakt, dat geen pen het kan beschrijven.
Onze arbeiders, die zonder religie willen leven, zijn zoo diep te beklagen. Onze middenstanders, onze hoogere kringen zijn zoo diep ongelukkig.
En het wordt gevoeld en uitgesproken. Er is een leegte in alle kringen. Er is een geest van teleurstelling. Men voelt dat men niet leven kan van grof materialisme en koud intellectualisme. Men heeft iets noodig dat verwarmen, dat verzadigen kan. En men grijpt weer naar de religie, naar den godsdienst, om daar vrede te vinden voor het harte dat zoo moede is, voor den geest die is uitgeput.
Toch weer godsdienst!
Frans Netscher heeft er over gefoeterd en heeft het vervloekt.
Die vervloekte „halfslachtigheid" — zoo zei hij, dat de menschen den godsdienst maar niet te boven kunnen komen.
Er is immers geen God.
Voor de rechtbank der wetenschap is dat uitgemaakt.
En dan toch weer dat grijpen naar de religie; naar christelijke symbolen; naar vrome woorden; naar mysterieuse seances.
Frans Netscher kan het niet uitstaan!
Maar in de beweging der vrijdenkers, der Dageraadsmannen, zit geen bezieling meer.
En men kan het nu eenmaal niet gelooven, dat er niets is dan het onpersoonlijke, onnaspeurlijke, onvindbare noodlot, dat valt zooals het valt en waaraan geen mensch ontkomen kan.
't Is te troosteloos.
En hoe dikwijls men het voorgepreekt heeft: „dood is dood" — de menschheid kan en wil het ten slotte toch maar niet gelooven.
Er is toch wat. Er bestaat toch wat. En de mensch is toch geen dier ...
De periode van de platvloersche godloochening is voorbij. Het ruwe materialisme lijkt ten einde te loopen.
Men verkiest weer alleszins als godsdienstig te zijn.
En in de salons, in de gehoorzalen, in de sociëteit, in de huiskamer wordt gelezen en gesproken van theosophie, spiritisme, nieuwbuddhisme, ascese, christian-science enz. enz.
Daarin ligt iets dat verblijdt. De mensch kan niet zonder godsdienst. En dat men alom de religie roofde gaat zich wreken. De mensch moet godsdienstig leven. Alle tijden en volken kenmerken zich door een drang naar religie. Dat wordt ook nu weer openbaar.
Maar toch ligt in deze dingen zooveel wat treurig en bitter is.
Er is terugkeer tot godsdienstigen zin, maar men veroordeelt het oude geloof en strekt z'n handen uit naar de geestelijke goederen van het Paganisrne, van het heidendom.
Diep tragisch!
De verloren zoon uit de gelijkenis wist nog den weg naar het vaderhuis te vinden.
Niet alzoo de tegenwoordige menschheid.
Te kwader ure is zij af gedoold van den levenden God; zij is hongerig en dorstig, maar niet zich keerend tot het Vaderhuis; men zoekt het bij de vreemde goden, bij de heidenwereld.
Zeker, het christendom mag dan nog wel enkele vormen geven. Maar de inhoud is ontleend aan het heidendom.
In die dagen leven we nu.
Verjongd en vernieuwd heidendom, theosophie, spiritisme enz. doet in onze christelijke landen intree, gesierd met het kleed der christelijke symbolen en christelijke woorden.
En daartegenover hebben wij een roeping.
Evenals Da Costa vroeger, moeten ook wij hebben onze „bezwaren tegen den geest der eeuw."
En de eenige toetssteen, de juiste maatstaf voor de ware religie is Gods Woord.
Daarom moeten onze arbeiders, onze midden-standers, onze hoogere kringen door de Kerk des Heeren worden teruggeroepen tot de Wet en tot de Getuigenis.
En de Kerk, zelf het Woord Gods eerend, moet de lampe des Heeren uitdragen onder alle standen.
Daarin ligt genezing.
Van God gegeven.
We zijn altijd blij als men 't over onzen Penningmeester heeft. En dat gebeurt nog al eens in onze kringen.
Nu gaat men zelfs buiten onze kringen over hem spreken. En we bemerken, dat men hem ook daar beschouwt als den rechten man op de rechte plaats.
Het „ Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden" schreef over onzen penningmeester. Een woord van lof werd hem niet onthouden; (hoe kan het ook anders? ), maar men begrijpt daar niet hoe hij kan zeggen dat b.v. die f3000 onlangs voor het Leerstoelfonds gegeven, van God tot ons kwam. Dat is voor den vrijzinnigen redacteur een raadsel en 't is hem min of meer tot ergernis. Lees maar wat hij schrijft:
God en Giften.
De penningmeester van den Gereformeerden Bond heeft groote reden tot blijdschap gehad. Elke week houdt hij in de Waarheidsvriend een meestal onderhoudend praatje, om ingekomen gelden voor het »Leerstoelfonds« te verantwoorden — uit dit fonds zullen, als het daartoe sterk genoeg is geworden, aan de universiteiten leerstoelen worden gevestigd voor buitengewone hoogleeraren van gereformeerde richting —, vriendelijke dankbetuigingen te richten aan het adres der milde gevers, en met volhardende opgewektheid aan te sporen, de hem dierbare zaak te gedenken.
Wij krijgen uit die verslagen den indruk, dat de Gereformeerde Bond in hem een penningmeester heeft, die voor zijn werk buitengewoon geschikt is.
Nu heeft hij in het laatste nummer, nadat er in het vorige reeds telegrafisch melding van was gemaakt, zijn blijdschap kunnen uiten over een ingekomen gift van drieduizend gulden.
Dat dit gebeurt met een zekere uitbundigheid, is volkomen begrijpelijk. En zijn blijdschap zij hem van harte gegund.
Maar de wijze, waarop hij erover handelt, staat ons toch tegen, is hinderlijk voor ons godsdienstig gevoel.
Zoo doet deze gift hem uitroepen:
Welk een grooten God hebben wij toch, en met welk een gerustheid kunnen wij onze zaak aan Hem toevertrouwen.
Verder haalt hij de woorden aan van den predikant, door wiens bemiddeling hij de gift ontving, en die hem o.a. schreef:
"Hoe vindt gij deze wondervolle leidingen Gods? Ongevraagd strooit Hij vaak ons zegeningen voor den voet. En ook nog deze van een ander. Hartelijk gelukgewenscht, penningmeester! Een aanwijzing van Boven om voort te gaan. God werkt mee!"
Wij zijn van oordeel, dat men somtijds wel zeggen kan dat menschen medewerken met God, maar nooit zeggen moet, dat God medewerkt met menschen. Doch daarop gaan wij nu maar niet nader in.
Wij moeten er echter tegen opkomen, dat het ontvangen van een groote gift voor een bepaald doel wordt beschouwd als een bewijs van Gods bijzonder welgevallen in dat doel, als een wenk van Zijnentwege, om met het najagen daarvan voort te gaan.
Het kost ons zelfs moeite, aan te nemen, dat iemand het in ernst meent.
Voor welke geheel verschillende en somtijds tegenstrijdige zaken worden er geen aanzienlijke giften geschonken!
De Protestantenbond heeft voor zijn werk ook menigmaal groote bedragen gekregen. De organisatie der vrijzinnige Hervormden schijnt nog te jong te zijn, om vermogende geestverwanten tot het schenken van kapitaal te bewegen — het zal, naar wij vertrouwen, nog wel eens gebeuren —; maar zij heeft toch wel reeds belangrijken geldelijken steun genoten. Zeer mild is o.a. de Vereeniging te Kampen bedeeld. Ook vindt men in dit nummer van ons blad de vermelding van een prachtige jaarlijksche bijdrage voor de studiekas.
Is de verheugde penningmeester van den Gereformeerden Bond nu ook bereid, daarin het bewijs te zien van Gods bijzonder welbehagen voor het vrijzinnig Christendom ?
Waarschijnlijk wil hij in die giften liever het werk zien van verstikte menschenharten, die de Waarheid vijandig zijn, misschien wil hij er zelfs het werk inzien van den Satan.
Maar waarom zouden dan wij niet op dezelfde wijze moge oordeelen over de giften, die hij ontvangt voor het gereformeerde leerstoelfonds?
Wij zullen ons echter voor zulk een oordeel wel wachten, en maar liever uit het schenken van bijdragen, voor welk doel ook, geen gevolgtrekkingen maken ten aanzien van Gods gezindheid.
Dat is toch louter willekeur.
En het wordt ons verboden door den ootmoed, die voor God in ons hart wonen moet.
Tot zoover de redacteur van het Vrijzinnig Weekblad.
Ons dunkt het raadsel is niet zoo moeilijk op te lossen.
Waar alles van God komt, alles over boozen en goeden, over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, daar wordt het éen gebruikt in den dienst des Heeren en het andere om God en Zijn dienst tegen te staan.
En daarom is het zoo'n groot voorrecht, wanneer wij een toetssteen voor onzen weg bezitten, niet ontleend aan ónze vroomheid, aan ons verstand, aan onze wenschen — maar ontleend aan Gods Woord, dat eeuwig zeker is.
En dan zegt dat Woord dat alles wat gedaan wordt om de godheid van Christus te loochenen en van de verzoenende kracht Zijns bloeds af te doen niet uit God is, maar uit den vader der leugen, die het werk van God haat en tegenwerkt, ook met gilten van rijk en arm, met de duizenden van den handelsman en met het penningske van den arbeider.
Dat de redacteur van het Vryzinnig Weekblad daar niet achter kan komen bewijst alweer dat bij de modernen alle objectieve maatstaf ontbreekt.
't Is alles subjectief.
Ieder z'n eigen rechter.
Wat natuurlijk voor alles een huis op een zandgrond geeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's