Uit het kerkelijk leven.
Het recht der Modernen in de Herv, Kerk.
Onlangs was het Weekblad voor de vrijz. Hervorrnden zoo vriendelijk om ons een verwijt te maken dat wij voor onze lezers verzwegen hadden, dat Dr. J. C. Niemeyer, Herv. predt. te Bolsward in een brochure het recht van de vrijzinnig-Hervormden in de Ned. Herv. Kerk uiteengezet en verdedigd had.
De Waarheidsvriend moest dan ook ophouden om die modernen nog verder lastig te vallen. Want hun recht in de Herv. Kerk stond vast. Dr. Niemeyer heeft dat immers bewezen. En de modernen nu verder nog als „indringers" aan te duiden was dom en brutaal.
Nu was het Weekblad voor de vrijzinnige Hervormden (hoofdredacteur Dr. 0. J. Niemeyer) een beetje in de war, toen het bits tegen ons uitviel en zoo ongeveer zei, dat de Waarheidsvriend geen karakter had, nu hij verzweeg voor "de lezers wat Dr. Niemeyer geschreven had.
Want weken te voren reeds hadden we aan onze lezers zeer uitvoerig en woordelijk voorgelegd wat Dr. Niemeyer èn te Amsterdam gezegd had en nu weer in z'n brochure schrijft. In een paar vervolgstukken daar onze meening tegenover stellende — waarin we evenwel zijn blijven steken, daar we voortdurend plaats te kort kwamen. (Men zie No. 10, 31 Jan. '13 enz.)
We willen toch, om het gewicht van de zaak, trachten nog een en ander in deze te schrijven, wat het beweren van Dr. Niemeyer kan weerleggen en ons standpunt in helderder licht kan stellen.
Volledigheidshalve wijzen we hier op de brochure "Ons Recht en onze Plicht in de Ned. Herv. Kerk," door Dr. C. J. Niemeyer, Herv. pred. te Boisward. Uitgegeven door net Centraal Comité van vrijzinnige Hervormden in Nederland. Prijs 5 ct. Te bestellen bij firma Westerbaan en Pekema Boisward."
En duidelijkheidshalve laten we nóg eens volgen, wat Dr. Niemeyer in deze Brochure zegt over het recht der vrijzinnig-Hervormden (pag. 5—11).
Daar lezen we dan:
"Vóórdat ik verder handel over den plicht der vrijzinnigen in de Hervormde Kerk, mag ik eerst wel even stilstaan bij de vraag naar hun recht, naar hun recht, om in de Kerk te zijn en te blijven.
Dit recht wordt immers ontkend, door sommigen zelfs herhaaldelijk en met heftigheid.
Men roept van orthodoxe zijde: »gij, vrijzinnigen, hoort in de Kerk niet thuis, gij zijt indringers, gij ondermijnt de grondslagen der Kerk, want gij verwerpt de voornaamste punten van haar belijdenis.
Zij, die zoo spreken, verwijzen altijd gaarne naar enkelen, die heengingen, naar een Pierson, een Hugenholtz, en zeggen dan — wie orthodoxe bladen leest, ziet het tientallen van keeren — : "die waren tenminste eerlijk, en gij, die nu voor uw plaats in de Kerk zoo druk werkt, als gij óok eerlijk waart, moest gij hun voorbeeld volgen, en vrijwillig de Kerk verlaten«.
Ik heb mij dikwijls verwonderd over de groote Yrijmoedigheid — brutaliteit, mocht ik eigenlijk wel «eggen —, waarmee deze dingen worden beweerd. Maar ik meen thans te weten, wat van die dikke woorden de oorzaak is.
Blijkbaar beginnen de orthodoxe leerdrijvers te beseffen, dat zij in de Kerk een scheeve positie innemen, willen zij dat zichzelf nog niet bekennen, en trachten zij het opkomend besef door heftige woorden aan het adres der vrijzinnigen te overschreeuwen.
In elk geval is de toestand zóo, dat de vrijzinnigen op-hun plaats in de Kerk het meest volkomen wettelijk en zedelijk recht hebben, en dat de orthodoxen, die de Kerk opeischen alleen voor hun geestverwanten, zich verregaand aanmatigend gedragen, en een houding aannemen, die — zacht uitgedrukt — onzuiver moet heeten.
De zaak is volstrekt niet ingewikkeld.
Oudtijds was - de Hervormde Kerk een belijdeniskerk. Dat wil zeggen, dat zij van haar leden instemming verlangde met een bepaalde belijdenis, en wel met de zoogenaamde formulieren van eenheid, de Nederlandsche geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Dordtsche leerregelen. Nooit hebben die zoo onbeperkt geheerscht als zij, die in onze dagen terug wenschen naar de »oude paden«, het gaarne voorstellen. Doch dit doet in dit verband minder ter zake. Oudtijds was de Hervormde Kerk een belijdeniskerk.
Zij is dat echter niet gebleven.
Bij het doordringen van nieuwe denkbeelden rezen bij velen bezwaren tegen de formulieren van eenheid. Allerwege verhief zich een meer vrijzinnige geest, en ging men afkeer gevoelen van belijdenisdwang, behoefte aan ruimte en verdraagzaamheid.
Onder die invloeden is het karakter der Kerk gewijzigd, en is zij door tal van reglementaire bepalingen van een belijdeniskerk vervormd tot een, die is ingericht op het samenwonen vau verschillende richtingen.. In hoofdlijnen is dit ontwikkelingsproces reeds geruimen tijd voltooid.
Van de formulieren van eenheid is in de reglementen in 't geheel geen sprake; er is trouwens misschien ook niemand, die ze nog in alle deelen onderschrijven kan.
De formule, die aan de aanstaande predikanten bij hun proponentsexamen ter onderteekening wordt aangeboden, is zeer ruim gesteld; geen vrijzinnig Christen kan er bezwaar tegen hebben.
De reglementen bevatten enkele vragen, die moeien worden voorgelegd aan wie aangenomen worden tot lidmaten, maar zij bepalen tevens, dat het alleen te doen is om den geest en de hoofdzaak ervan.
Uitdrukkelijk wordt verklaard, dat de predikanten ten aanzien van het gebruik der oude formulieren voor doop, avondmaal enz. vrij zijn.
Met het oog op richtingsverschil is het mogelijk gemaakt, om tot lidmaat te worden aangenomen en kinderen te laten doopen in een andere gemeente dan waarin men woonachtig is.
Het is duidelijk, dat door al die bepalingen het karakter der Kerk is gewijzigd, en zij geworden is tot een, die is ingericht op het samenwonen van verschillende richtingen.
Reeds daarom bevinden zij, die in de Kerk slechts plaats wenschen te geven aan één bepaalde leer, zich in een scheeve positie.
Maar er is meer.
Het staat natuurlijk ieder vrij, de aangebrachte wijzigingen te betreuren. Maar het is onredelijk en ongepast, zich te gedragen, alsof er in 't geheel geen wijziging had plaats gehad.
En dat doen orthodoxe menschen herhaaldelijk. Gedurig cijferen zij de geschiedkundige ontwikkeling der laatste 100 jaren weg, en spreken zij, alsof de Kerk nog altijd de belijdeniskerk was van weleer.
Juist op die dwaasheid rust hun bewering, dat de vrijzinnigen op hun plaats in de Kerk geen recht hebben.
Gewoonlijk trachten zij deze wijze van doen te verdedigen door op te merken, dat krachtens art. II van het Algemeen Reglement toch nog altijd aan allen, die in de Kerk met eenig bestuur zijn belast, naast vele andere zaken ook is opgedragen »de handhaving harer leer«.
Het is echter zeldzaam willekeurig, te zeggen, dat hier bij »leer« gedacht moet worden aan de formulieren van eenheid, en dan »de handhaving* daarvan zoo op te vatten, dat geen andere leer mag worden geduld (geest en hoofdzaak).
Op zichzelf toch beteekent een dergelijke bepaling in een Algemeen Reglement nog niets. Wordt zij niet nader uitgewerkt, dan is zij een doode letter. Wordt zij dat wel, dan is haar beteekenis geheel aihankelijk van wat blijkens de regiemeuten onder »haar leer" Èn de «handhaving* daarvan moet worden verstaan. Het is niemand geoorloofd, er een beteekenis in te leggen, die er niet door de reglementen der Kerk zelf aan gegeven is.
En art. 3 van het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht, het eenige artikel, dat als een uitwerking van het bovengenoemde beschouwd kan worden, zegt, dat aan tucht allen onderworpen zijn o.a. ter zake »van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk (art. 39 van het Reglement op het godsdienstonderwijs en, wat de leeraren in het bijzonder betreft, art. 27 van het Reglement op het Examen)«.
Nu wete men, dat de tusschen haakjes genoemde artikelen, waarnaar verwezen wordt, de vragen bevatten, die worden gedaan bij de aanneming van lidmaten, en de formule, die wordt onderteekend door aanstaande predikanten. Onder »leer" mag dus niets anders worden verstaan dan de leerstellige inhoud van die vragen en die formule.
Met de »leer« komt dus geen lidmaat in strijd, die bevestigend kan antwoorden op de vragen, hem gedaan bij zijn aanneming, geen predikant, die bereid is de proponentsformule te onderteekenen.
Het beroep op art. 11 Algemeen Reglement, alsof daaruit zou blijken, dat ondanks alle wijzigingen de Kerk de belijdeniskerk van vroeger gebleven is, is dus volstrekt waardeloos.
Êr wordt ook wel gezegd, dat men die wijzigingen niet had mogen aanbrengen, dat daarmee onrecht is gepleegd, en dat dientengevolge de vrijzinnigen ook onrechtmatig hun plaats innemen.
Maar die bewering is eigenlijk haast te onbeduidend, om haar te vermelden.
Alsof een kerkgenootschap niet met zijn tijd mocht meegaan, en zich niet mocht aanpassen aan nieuwe inzichten en nieuwe behoeften! In de reglementen zelf wordt immers aangewezen, op welke wijze veranderingen tot stand moeten komen!
Neen, men moge het betreuren of toejuichen, het is eenvoudig een feit, dat het karakter der Kerk is gewijzigd, gewijzigd langs volkomen wettigen weg, en dat zij thans is ingericht op het samenwonen van verschillende richtingen.
Deze toestand is niet naar den zin van vele orthodoxen. Omdat zij zijn afgeweken van Jezus' evangelie, dat de hoofdzaak gelegen acht in de op God gerichte gezindheid van het hart, omdat zij een bepaalde leer onmisbaar achten ter zaligheid — hoe zeldzaam ver staat dat af van Jezus' prediking! —, verlangen zij, dat die leer alleen in de Kerk zal worden toegelaten.
Welnu, laten zij dan trachten den vroegeren toestand te herstellen, en de Kerk weer te maken tot een belijdeniskerk.
Het is de vraag, of dat zedelijk geoorloofd is.
Men bedenke toch, dat zij, die thans ijveren voor belijdenisdwang, allen tot de Kerk zijn toegetreden, terwijl zij reeds haar tegenwoordig karakter droeg, (art. II).
Als zij daarmee zich niet konden vereenigen, hadden zij, zou men zeggen, ook maar niet moeten toetreden, en zich liever moeten voegen bij de Gereformeerden, die juist zulk een belijdeniskerk vormen, als zij er een begeeren.
Met het woord "indringer" mogen zij dan ook wel bijzonder voorzichtig zijn. Want zij treden het huis der Kerk binnen met het plan, een deel van de wettige bewoners buiten de deur te zetten, of hun althans het leven lastig te maken.
En heeft niet juist dat veel van indringen?
Evenwel, nu zij eenmaal tot de Kerk behooren, kan hun het wettelijk recht, om naar verandering te treven, niet worden ontzegd.
Zoolang hun dat niet is gelukt, maken zij zich echter schuldig aan verregaande aanmatiging, en slaan zij de waarheid in het aangezicht, als zij beweren, dat de vrijzinnigen in de Kerk niet thuis behooren.
Naar het tegenwoordig karakter der Kerk zijn de vrijzinnigen, die bovendien de ware geestelijke nazaten zijn van de Protèstantsche vaderen, daar juist volkomen op hun plaats.
Maar orthodoxe leerdrijvers 'bevinden er zich in een scheeve positie".
Tot zoover Dr. Niemeyer in zijn meer genoemde brochure.
En zijn woord is hem zooveel waard, dat hij vervolgens zegt:
"Staat nu het recht der vrijzinnigen in de Herv. Kerk vast, dan is het ook hun plicht, daar te werken en te strijden voor de handhaving en versterking van het vrijzinnig element".
Nu Dr. Niemeyer gesproken heeft nu staat dus het recht van de vrijzinnigen vast.
Die er aan twijfelt is... brutaal.
We willen toch eens even over deze zaak nog praten. {Wordt vervolgd.)
Christianiseering van de Openbare School.
Hebben we onlangs de stellingen opgenomen, door Dr. P. J. Kromsigt verdedigd op het 1ste Nat. Chr. Schoolcongres 9, 10 en 11 Oct. j.l. te Utrecht gehouden, waarbij we uitspraken, nieuwsgierig te zijn naar het debat dat op zijn uiteenzetting volgen zou — de Schoolbladen hebben ons daarvan een kort relaas gegeven, wat we hier laten volgen. In „de School met den Bijbel" van 30 October staat:
Aan de bespreking die op de rede van Dr. Kromsigt volgde, nam allereerst deel, de heer J. C, Wirts uit Groningen, die bezwaar maakte tegen de uitdrukking van den referent dat tot op 1857 we allen vóór de Christelijke openbare school waren. Het Christenvolk van Nederland vraagt naar iets concreets, naar een beslist Chr. school, daarover gaat nu de kwestie. Inleider zou, bij het in practijk brengen van zijn ideeën, stelling wel moeten laten rusten. De overheid in Nederland, zegt spreker, mag niet, maar kan ook niet schoolmeesteren en daarom heeft zij die roeping aan anderen overgedragen. Wij vragen om een school, niet in naam Christelijk door het geven van een paar uur godsdienstonderwijs, maar beslist Christelijk van negen tot vier uur toe.
Mr. Rutgers, van Hilversum, is uit de rede van den inleider niet duidelijk geworden hoe de middelen en wegen daarin genoemd, inderdaad tot christianiseering der Openbare school kunnen leiden. De vraag laat Spr. op dit oogenblik in het midden, of het goed is, Bijbelsch onderwijs op de Openbare school te brengen, omdat het hier thans gaat om het middel van christianiseering.
Maar, hoe lost inleider dan de practische vragen, zooals over het karakter van het Bijbelsch onderwijs op? Over dit alles heeft Spr. niets gehoord. Hoe denkt Dr. Kromsigt bijv. in Amsterdam en in andere groote plaatsen de openbare school te christianiseeren ?
Prof. Dr. Bavinck, van Amsterdam, heeft bedenkingen tegen den ganschen opzet van inleiders rede, die Spr. onhistorisch noemt. Wij moeten ons wel tienmaal bedenken om den stroom, die sedert 1857 is in de richting van de Bijzondere School, te verleggen. Verdeeldheid krijgt men, en de sympathie voor het Christelijk onderwijs zou er onder lijden. Ten tweede vindt Spr. wat Dr. Kromsigt wil, door en door onpractisch. Ieder gevoelt, dat concrete kerstening bij de tegenwoordige telling niet mogelijk is. Een derde bezwaar heeft Spr.. tegen het standpunt van Dr. Kromsigt, dat het dualistisch is. Men verdeelt de sympathie en dat werkt doodend. De geestdrift voor de school is er, omdat zij Christelijk is. Als, zooals inleider beweerde, in den verkiezingsstrijd, het aan élan ontbroken heeft, dan moet Dr. Kromsigt wel in acht nemen, dat dit élan, wel eens mede door zijn strijd onderdrukt kon zijn (daverend applaus).
Ten slotte heeft Spr. dit groote bezwaar, dat wat Dr. Kromsigt wenscht, principieel niet goed doordacht is, de quaestie van den Christelijken Staat is zoo ontzaglijk moeilijk, en eeuwenoude quaestie, daar kunnen wij ook maar niet even over spreken. Waarin Spr. met Dr. Kromsigt verschilt is, dat deze de Staat van bovenaf Christelijk wil maken, en wij juist van onderen op, door het volk te kersenen. Spreker erkent dat aan onzen schoolstrijd een eenzijdigheid kleeft. Wij spreken te veel over Christelijk, over Christelijke en Openbare School. Wij moeten hebben de Vrije School en Spr. hoopt, dat wij daarin elkander terug zullen vinden, want zoo kunnen de plannen van Dr. Kromsigt verwezenlijkt worden. Spr. roept Dr. Kromsigt toe: strijd daarvoor mee, dan zal er ook weer élan komen.
Dr, Kromsigt, kan op de practische vragen van Mr. Rutgers niet antwoorden, dat is de zaak van de Christelijke Overheid. Wanneer Spr. blijft bij zijn eisch, dan is dat omdat Gods Woord het z.i. eischt. Wij mogen dan niet voor moeilijkheden terugdeinzen. Voor alles heeft de Christen te vragen naar de maatstaf van Gods Woord. Geen der opponenten heeft, meent Spr., deze stelling aangetast.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's