De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

o God; wij hebben het met onze ooren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: wij hebt een werk gewrocht in hunne dagen, in de dagen van ouds. Ps. 44:2.

God redde Nederland.

't Is deze week 17 November geweest.

We hebben dien datum maar te noemen en we weten dan tegelijk, dat er nu is te verhalen van groote dingen, door den Heere aan ons volk bewezen, nu 100 jaar geleden.

Of is het niet 16 November honderd jaar geleden, dat de schier almachtige en alles durvende Napoleon Bonaparte in blinde verwatenheid sprak: „ik geef Holland liever aan den Oceaan terug, dan het los te laten" — en trok den volgenden dag. Woensdag 17 November, Leopold Graaf van Limburg Stirum niet met vliegend vaandel en slaande trom, met oranje getooid, door Den Haag om op verschillende plaatsen een proclamatie voor te lezen, die begon met déze woorden: , Oranje boven! Holland is vrij" — en die eindigde met déze zinsneden: „elk dankt GOD. Oranje boven!"

Dat was van den Heere, die wonderen doet!

Onze vaders hebben het ons verteld en wij zullen het verhalen aan onze kinderen.

16 November dreigt Napoleon het land te doen verzwelgen door de wateren van de zee — Iets, waarvoor men reeds lang bevreesd was geweest.

Immers zag de Fransche despoot nérgens tegen op.

Ook déze gruweldaad zou zijn hand bereid zijn te dóen, als 't moest. Niet 't minst uit jaloesie tegenover Engeland en Pruisen. En de Hollandsche dichter Adam Simons . had reeds gezongen:

Eens, als de najaarsstormen loeien En de Oceaan houdt hoog gericht. Zijn steile golven strandwaarts vloeien. Uw wal voor zijne woede zwicht; Als hij den grond keert in moerassen, Uwe akkers dekt met wijde plassen En drenkelingen spoelt aan 't strand! Dan zal de zeeman op die baren. Door uw gezonken steden varen En vragen: waar was Nederland f

Droeve profetie van een Hollandsch zanger.

En de dichter Van Hall sprak in denzelfden geest van een „gevallen eik", zeggende: „O Holland! dierbre naam, der volken rol onttogen", Een lied eindigend met déze woorden: , De wanhoop smoort mijn lied."

En dan, nog geen 24 uren na het toornig dreigen van den grooten Oceaan, om Holland te maken tot een land van water en wier, waaiden-de golvende banen van Nederlands vlag hoog uit van torentrans en stadsgebouwen, waarbij het volk elkander vroolijk toeriep: „Oranje boven ! — Holland is vrij."

Waarbij het zoo goed gevoeld was door het edele driemanschap: Gijsbert Karel van Hogendorp, Leopold Graaf van Limburg Stirum en Adam Frans Baron van der Duyn van Maasdam, dat er in éen adem moest worden bijgevoegd: „elk dankt GOD!"

God was tusschenbeiden gekomen. God had Nederland gedacht in het lijden. God had de smeekingen en de verzuchtingen van ons volk gehoord en Hij had medelijden gehad met ons arme vaderland.

Ten doode was het opgeschreven.

Minachtend had Frankrijks keizer ons land genoemd een aanslibsel van de rivieren van zijn land. En Holland zou geen Holland meer zijn. Het zou Fransch worden èn door de golven verslonden worden.

Met ijzeren vuist zocht hij het eerste te bewerken. En toen ons land bijna uitgemergeld was en ons volksbewustzijn haast gedood — toen kwam de Potentaat der potentaten, met wien de Vader des vaderlands een verbond gemaakt had, tijdens den bangen strijd met Spanje, op wondere wijze zich openbaren, zeggende tot den ontembaren soldatenkeizer: „tot hiertoe en niet verder I"

Dat was Gods goedertierenheid.

Dat waa dat rijk ontfermen van den God des eeds en des verbonds, die naar het Israel van het Westen wilde omzien toen de nood op 't hoogst was geklommen. En Hij verbrak dien arm van koper; Hij sloeg neer dien ijzeren vuist. En Hij voerde ons volk uit met vroolijkheid.

God kwam tusschenbeiden.

Die God, van Wien Napoleon in Moskou spottend gezegd had: „God mag in den hemel regeeren — ik zal het op aarde wel doen."

Die God klom af van Zijn troon en kwam verstoren al de plannen van den wereld vorst; die God daalde neder en bewees, dat Hij Nederland in barmhartigheid gedacht.

Hoe méér we over deze diagen nadenken, hoe grooter het wonder wordt, dat de Heere aan ons Vaderland, nu 100 jaar geleden, bewezen heeft.

Neen, het is lang niet hetzelfde wat met Israel gebeurde in den laatsten nacht, dat men in Egypteland verkeerde èn wat geschiedde den 17 November 1813 met ons Nederlandsche volk.

Maar is er toch niet eenige overeenkomst tusschen de historie van het Israel van het Oosten en de gebeurtenis in het midden van het Israel van het Westen?

Is Farao, de geweldige onderdrukker, niet te vergelijken met Frankrijks keizer, die tot zinspreuk had: „onmogelijk is geen Fransch"?

Want waar Farao een ijzeren juk oplegde aan Abrahams zaad om Israels nationaliteit met geweld te doen verdwijnen, er niet voor terugbevend het opkomend geslacht wreed te vermoorden — daar was het immers Napoleons ideaal om Nederland z'n taal te rooven, Hollands zonen in Franschen dienst te nemen en Hollands dochteren in Parijs uit te huwelijken.

Hollands geld roofde hij en deed het verdwijnen in Fransche handen; Hollands handel werd vernietigd — en toen het spaade werd geen huis en geen familie gespaard om ook het laatste kind af te staan aan den wereldheerscher, die met de meeste kalmte Hollands jongelingschap aan de kanonnen tot spijs gaf — zoodat alleen bij den tocht naar Rusland 13000 Hollandsche mannen werden meegetrokken, waarvan er slechts enkele tientallen, voor 't meerendeel nog verminkt, den vaderlandschen bodem weer hebben betreden.

Verwoesting werd door verwoesting gevolgd

Schade na schade aangebracht.

En toen de onoverwinnelijke despoot met zijn onsterfelijk leger toch overwonnen was en van manschappen beroofd, toen hield hij, die niet gewoon was voor iemand te buigen, het hoofd nog trotsch omhoog en 20 Dec. 1812 met schande uit Ruslands sneeuwvelden teruggekeerd, had hij in het begin van 1813 weer een half millioen soldaten bij elkaar gebracht om Russen, Pruisen en Oostenrijkers in den slag bij Leipzig (16, 17 en 18 Oct. 1813) te ontmoeten.

Maar daar in den gedachten Volkerenslag werd aan Napoleon een onherstelbaar verlies toegebracht.

De overwinning op den Geweldige was behaald.

Dat had God gedaan.

En de overlevering wil dat, na het ontvangen bericht van de overwinning de drie vorsten van Rusland, Oostenrijk en Pruisen op den heuvel, vanwaar zij den strijd hadden gadeslagen, neerknielden om den Heere den dank te brengen.

Als een gejaagde leeuw keerde Napoleon naar zijn hol terug, doch hij gevoelde zich nog volstrekt niet krachteloos.

En zijn klauw rustte nog op Holland — met het dreigement Holland te zullen verpletteren, indien het hem zou ontvallen. Holland zou ervaren, dat de stuiptrekkingen van een gewonde leeuw vreeselijk zijn.

Voor duizenden werd nog gestolen, voor duizenden verbrand. Handelshuizen waren gesloten, winkels, stonden leeg, predikanten liepen te bedelen, in Amsterdam wist een derde van de bevolking niet hoe het daags aan den kost moest komen en hoe het 's nachts zich moest dekken.

De gevangenissen zaten vol van slachtofifers, dikwijls slechts op bloote vermoedens tot de ijzers, of om éen enkel woord sprekens tot onteerende straf veroordeeld.

O! wie zal de rouw en de droefheid meten die gevonden werd huis aan huis op onze Vaderlandsche erve?

Wie zal al het lijden pijlen, alle verliezen tellen, alle rampen noemen, allen nood beschrijven ?

En ook de laatste krachten zouden ons volk worden afgeperst.

Toen men den 14 Nov. 1813 den Keizer schreef: „we zullen Holland niet kunnen houden" antwoordde hij den 16den Nov.: „dan liever aan den Oceaan prijs gegeven."

Maar ziet, toen was het Gods tijd om tusschen beiden te komen.

Er gingen hier reeds geruchten van des keizers nederlaag. Doch ieder sidderde en beefde nog.

Den 10den Nov. juist te drie ure, bij 't klokkenspel van den toren der oude Kerk, werd in Amsterdam de Oranjevlag opgehangen daar waar IJ en Amstel elkaar ontmoeten — maar de verlossing kwam nog niet.

Toen de Heere het zoo bestuurde, dat in den Haag op van Hogendorps kamer reeds een proclamatie klaar lag, terwijl heel de Residentie met tal van Oranjeklanten was overdekt, die met onzichtbare draden aan elkaar verbonden waren.

Waarbij een ander feit zich voordeed, dat de Fransche overheden zich hals over kop begonnen terug te trekken en uit de voeten te maken.

Dat alles gaf het teeken, dat het nu de tijd was, om het Fransche juk af te schudden en zich voor Oranje te verklaren.

En op den 17den Nov. bevestigde Hester, dochter van Van Hogendorp, Gaaf van Lim­burg Stirum de oranje-cocarde op den hoed — en heel de stad was in een oogenblik in beroering gebracht, onder den uitroep: „ Oranje boven — Holland is vrij — elk dankt God — Oranje boven !" — waarbij het Fransche bewind machteloos stond.

Wel zijn daarna teleurstellingen niet uitgebleven — we denken slechts aan 't geen 7 dagen later, den 24sten Nov. in Woerden gebeurde — maar toch waren de ketenen nu verbroken en was de vrijheid ons weer terag gegeven.

Wat niet mogelijk geacht was — was tóch geschied.

De ijzeren vuist, die dreigend zich ophief tegen gansch Europa, was neergeslagen.

De koperen grendels, die de deuren der gevangenis, waarin ganache volkeren waren in boeien gezet, gesloten hielden, werden weggerukt en vielen als spaanders voor den bijl.

En nooit is in onze landshistorie zóo ongedacht, zóo spoedig, uit de donkerheid licht, uit de verdrukking vrijheid, uit smart vreugde, uit armoede welvaart geboren.

Dat was van den Heere!

Want indien ooit kan worden aangewezen de wondere leiding Goda met Land en Volk en Vorstenhuis, dan zeker in de geschiedenis van het jaar 1813 — toen Nederland weer hersteld werd in de rij der natiën. Toen ging de profetie van Bilderdijk in vervulling:

Doch de dampen Dezer rampen. Doch de nevels dezer nacht. Zullen breken Bij 't ontsteken Van den dag waarop zij wacht.

Ja, zij zullen Zich vervullen Deze tijden van geluk! Dees ellenden Gaan volenden En, verpletterd wordt het juk.

Holland groeit weer! Holland bloeit weer! Hollands naam is weer hersteld! Holland uit zijn stof verrezen. Zal opnieuw ons Holland wezen. Stervend heb ik 't u gemeld!

Ja, wat Bilderdijk stervend gezongen had als een heilvoorspelling, werd nu werkelijkheid. De Heere kwam in goedertierenheid en maakte Holland vrij.

Hij toonde Zijne wonderwerken door koperen deuren te breken en ijzeren grendelen in stukken te houwen.

En ons volk mocht weer in vrijheid wonen.

Van Frankrijk verlost.

Eü toen kwam de Heere wonderen bij wonderen voegen.

Want den 30 Nov. 1813 zette de 41-jarige Oranje, — zoon van hem, die weggejaagd was door ons volk en in den vreemde stierf — weer op vaderlandschen bodem den voet. Nederland was vrij en kreeg Oranje weer terug. Oranje werd weer met Nederland vereenigd.

Dat had God gedaan!

En 50 jaar daarna heeft men, bij de onthulling van den gedenknaald te Scheveningen ook erkend en als opschrift op dien steenen getuige gezet: Ood redde Nederland — het dankbare volk.

De Heere had zwaar gestraft om de wille van de zonde.

God had getwist met Nederland van wege de nationale ongerechtigheid.

Maar de Heere was genadig geweest en had ons volk niet verteerd.

Jammer, dat zoo velen het niet gevoelden — en nog niet gevoelen — dat de oorzaak van alle ellende gelegen was in de zonde en dat de zegeningen Godes zijn.

Dan zou men ook nu de vrijheid niet zoo schrikkelijk misbruiken door zónde op zonde te stapelen.

Dan zou men bij den jubeltoon den Heere de eere geven.

Zijne wonderen groot maken.

En men zou zich leeren buigen onder de tucht van Gods Woord en zich leeren voegen naar des Heeren waarheid.

Zóo te mogen leven in een vrij land, is heerlijk.

Gelijk voor velen de vryheid tot een oordeel zal wezen, waar men vasthoudt aan eigen weg en weigert te buigen voor Gods getuigenis.

Heeft de Ileere daarvoor de vrijheid gegeven om den dienst der ongerechtigheid voort te zetten?

Dat zij verre!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's