De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Herstel van onze onafhankelijkheid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herstel van onze onafhankelijkheid.

7 minuten leestijd

17 Nov. 1813—1913.

„De Standaard" van Zaterdag 15 Nov. j.l. schreef een artikel dat we hier gaarne overnemen.

„Prijs hebben we er op gesteld, van meet af, door eigen schuldbelijdenis te doen uitkomen, hoe weinig recht we hadden, in het herstel van onzen Volksstaat, als daad van eigen veerkracht te roemen.

Veeleer mocht geen oogenblik verhaald, hoe we in 1813 op alle manier aan betoon van heilig heroisme tekort schoten. En met name moet beleden, hoe weinig vooral ons Calvinistisch voiksdeel destijds zijn van God ontvangen roeping heeft verstaan.

Er moest nadruk op gelegd, hoe we door een oppervlakkig vreugdebetoon en een luchthartig gejuich slechts eigen schuld aan de schuld van het destijds levend geslacht konden toevoegen. Indien het op 17 November op niets anders dan op een gevlag en geïllumineer, onder half brooddronken gejoel op onze straten, uitliep, zou ons Vaderland, ook tegenover het Buitenland, een onwaardige houding aannemen." Er was daartoe in de eeuw die verliep, te veel, dat ons als volk aanklaagde, zoo hier te lande als in onze wingewesten. Zelfs de tijdelijke voorspoed, die kort na de aanvang der 20ste eeuw werd ingeluid, mag ons niet blind maken voor den ernst, waartoe de herdenking van Oranje's terugkeer ons roept. Een nationale feestjubel mist diepte van toon, zoo 't nationale besef daarbij niet tot in den wortel van ons volksbestaan doordringt.

Allerminst echter mag daaruit afgeleid, dat onthouding van feestvreugde ons geraden zou zijn.

Al voelen we nóg zoo diep, hoe ver we in 1813 bij het heldengeslacht van de 16de eeuw achter stonden, het feit dat we weer als natie opleefden, blijft daarom niettemin een gebeurtenis van dankbare heugenis. En juist waar in ons 't betoon van kracht zoo jammerlijk te kort schoot, is te hooger de gunste onzes Gods te roemen, en voor zijn hooge beschikking te danken, dat we niet als volk zijn ondergegaan, dat onze onafhankelijkheid ons herschonken is, en dat, waar in den loop der jongste eeuw zelfs vlak op onze grenzen een eigen volksstaat is ondergegaan, Nederland zich kon handhaven, na den bangen schok in 1830 zich zelfs versterken kon en thans weer onder de kleine Staten van ons werelddeel meetelt als op alle terrein des levens luide meesprekend, gewassen in welvaart, als koloniale macht nog altoos de tweede in rangorde en wat  zedelijken ernst en godsdienstzin aan gaat, bij geen Volk, groot noch klein, op 't vasteland van Europa achterstaande.

Grif zij toegegeven, dat we in ons hernieuwd volksbestaan van verre niet meer zijn, wat we eertijds waren.

Uit die dagen van eertijds weet de historie ons te verhalen van een klein Gemeenebest in onze zeven gewesten, dat als Groote Mogendheid onder de destijds toongevende State over het lot van landen en volken beschikte. Een geheel éenig verschijnsel in de worsteling der natiën.

Het kleine Holland waa toentertijd het nijverste land tér wereld. Met een koloniaal bezit zooals, Spanje uitgezonderd, destijds geen volk 't bezat. Met een vloot die de Engelsche, Spaansche en Fransche vloot in bedwang hield en dat universitair alle landen vooruitschreed. Een volk in cultuur voor geen land van Europa onderdoend; en artistiek hooger mikkend dan nog ooit in het noorden van Europa gemikt was of is. Door uitvindingen heel 't Europeesch publiek verrassend. Technisch boven alle andere volkeren toegerust.

Vrijheid van conscientie eerend gelijk geen ander volk het nog had aangedurfd. Door zijn taal, in leed en druk tot eigen erf beperkt, maar met zijn ongeëvenaard klassiek Latijn wetenschappelijk in alle geleerde kringen doordringend. De zeeën doorkruisend om land na land te ontdekken en onder alle volken den zegen verspreidend van zijn rijke, alle cultuur die elders blonk, vooruitstrevende ontwikkeling.

Dat is een werk Gods op onze erve geweest. Niet alleen door zijn bestel en beschikking in den samenhang der toenmalige wereldhistorie, maar veel meer nog door het doen opstaan van genieën, heroën, eersterangs virtuosen op elk gebied, de Zwijger onder allen vooraan.

En achter dat alles gistte en kookte de geloofsbeweging van een vrijgevochten volk, dat, omdat 't zulke wonderen bestaan had, steeds naar hooger grijpen dorst.

Toch was 't van meet af uitgewezen, dat we op ons die hoogte niet handhaven konden. Onze kleinheid had haar vollen glans uitgestraald, toen veel machtiger volken op veel breeder erf hun ontwikkeling pas begonnen. Glinsterde ons volk als een prachtige ster, om die ster rezen straks zonnen op, die ons zeer verre overglansden. In de. 16e eeuw waren we verre over onze proportie geklommen, vandaar dat het evenwicht van anderer proportie ons vanzelf neer moest drukken. Engelands, Frankrijks en Duitschlands opbloeiing moest noodwendig onze terugdringing tengevolge hebben. Mogendheid met eere, maar geen groote Mogendheid konden we in de toekomst blijven. We waren boven onze kracht gegroeid. Nederland kon zich op de eens bereikte hoogte niet handhaven. En waar dit noodlot niet was te ontgaan, heeft helaas, afval van der vaderen hoogen zin maar al te zeer onze inzinking verhaast. Toen de 18e eeuw over de helft van haar baan neigde, was de pit er bij ons volk uit, en lag heel ons nationale leven ontzenuwd en ontzield ter neder. En het zou slechts herhaling geweest zijn van wat in de historie der volken zoo dikwijls beleefd was, zoo na die zedelijke inzinking en bij het rijzen van machtiger Staten om ons heen, Nederland het lot van zoovele ondergegane natiën had beleefd, en met Egypte en Indië, met Assyrië en Babyion, met Polen en Hannover voor altoos onder ware gegaan en van de lijst der vrije volken was uitgewischt gebleven.

En dit nu is 't, wat de Heere onze God in Zijn gunste en trouw heeft verhoed. Van 't herwinnen van onze vroegere grootheid kon vanzelf geen sprake meer zijn. Van allen kant was men boven ons uitgegroeid. De plaats, onder de volken ons beschoren, was bezet, en kon door ons niet heroverd worden.

Maar wat wèl kon, 't was, dat uit de smeltkroes van de Napoleontische volkerenvermenging, een nieuw, een ander, een tweederangs Nederland te voorschijn kwam, met bescheidener, maar toch even heilige roeping. En het is die genade, die in 1813 de God onzer vaderen, in weerwil van onze nationale bloedverarming, aan ons volk heeft betoond.

Oranje vormde daarbij den gulden band, die deze tweede periode van ons verjongd volksbestaan aan het glorietijdperk van ons eerste optreden in Europa verbond.

­ Zonder den Zwijger en Maurits, zonder Prins Hendrik en Willem III is het in de 16e en 17e eeuw schitterende Gemeenebest niet in beeld te brengen. Het ware zonder de Oranjes ondenkbaar geweest, en in niets heeft het geslacht der 18e eeuw zoo jammerlijk zijn geestelijke inzinking doen uitkomen, als toen 't Orarje over zee deed vluchten. Dit was zelf-abdicatie, voorbode van nationalen zelfmoord. Zoo heerlijk was het daarom, dat diezelfde God, die eens 't Huis van Oranje aan onze vaderen had geschonken, het in weerwil van onze verzaking en ontrouw, in 1813 aan ons ingezonken nageslacht terug gaf. Niets is er dan ook, dat zoo donkeren blik in de toekomst geeft, als de in telgen besnoeide stamboom van het eens zoo bloeiende en rijk vertakte Oranje geslacht. En door de ziel snijdt 't, als ge dan nog van landgenooten hoort, die liefst den Oranjenaam op de lippen van de volksjeugd zouden smoren, en zich gereed maken om vreugde vuren te ontsteken, als 't hun gelukt zal zijn de Oranjekroon in 't republikeinsche stof te vertreden.

Zij daarom in 't hart van een iegelijk die ­ de klop van 't nationale leven nog in de ei­gen aderen voelde natrillen, de dank die op dezen dag van herdenking tot onzen God opklimt, te inniger, te warmer, nu niet alleen onze onafhankelijkheid gehandhaafd, maar ook de Vorstin uit ons aloude Huis van Oranje ons nog gegund bleef.

Sta ook op dezen jubeldag onze Koningin in het middelpunt van ons nationale leven, als het ons van God gegeven embleem, dat 't verleden met 't heden voor ons verbindend, ons nog een toekomst voor land en volk doet afbidden, waarin 't besef van onze nationale roeping weer krachig moge opleven.

Een roeping ten zegen voor onze kinderen en kindskinderen. Een roeping, die een zegen ook voor de volken rondom ons doet uitgaan. Een roeping er bovenal op doelend, dat het Christelijk element, dat sterker dan in eenig ander land nog in óns nationale leven als beheerschende trek op den voorgrond treedt, niet verdonkere, maar oplichte."

Het: „Christ avant tout!" van onze Koningin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Herstel van onze onafhankelijkheid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's