Stichtelijke overdenking.
Daarna toonde Hij mij Jozua den Hoogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des Heeren, en de Satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan. Doch de Heere zeide tot den Satan: de Heere schelde u, gij Satan, ja de Heere schelde u, die Jeruzalem verkiest : is deze niet als een vuurbrand uit het vuur gerukt! Zach. 3 : 1—2.
Voor het aangezicht van den Engel.
Naar den mensch gesproken kon er van dat volk, dat uit Babyion was teruggekeerd, en van het bouwen van stad en tempel niets komen. „De vijanden zijn veel te talrijk, zij hebben allerlei. hulpmiddelen, die wij moeten ontberen; ons hoopje is niet alleen te klein, maar ook ontbreken de kundige mannen ons ten eenenmale."
Zoo rezen de zuchten.
Zie, nu opent de Heere Zacharia de oogen. Jeruzalem is Mijn stad, spreekt de Heere, Mijn tempel zal herrijzen. Wie u aanraakt, raakt Mij aan; ja Mijn teerste voelen is omtrent u.
We zouden zoo zeggen: het volk zal in alle gerustheid het werk aangrijpen: de Heere immers is met hen, geen vijand, die bestaat.
Eén groote moeilijkheid bleef nog over.
In vergelijking met al de andere is dit een geldend bezwaar.
Zouden wij van den Heere wel geholpen kunnen worden ? Staat Zijne heiligheid niet in den weg? Zal dat heilig Wezen het wel gedoogen zoo'n volk bij te staan?
Dat is het punt, waarover hier in Zacharia wordt gehandeld. Hoe is het te rijmen, dat een heilig God een vloek-en doemschuldig schepsel draagt, begunstigt en met weldadigheden overlaadt ? Ge staat hier midden in het volle, rijke Evangelie, hoe de Heere zondaren begenadigt.
De Heere toonde aan den Profeet den Hoogepriester. Waarom dezen? vraagt ge. Mag ik het u zeggen ? De Hoogepriester droeg op zijn borstlap de twaalf stammen. Hij trad uit naam van heel het volk, voor hen allen tezamen bij den Heere in. Als Hoogepriester presenteerde hij al de zijnen.
En nu hebt ge reeds opgemerkt, nietwaar, op welke plaats hij staat; voor het aangezicht des Heeren.
Hier staat in dezen Hoogepriester, in zijn persoon vertegenwoordigd, een heel volk, dat in staat van beschuldiging moet gesteld, voor het aangezicht van den hoogsten Rechter.
Reeds een schrikkelijke gedachte op zich zelve. Brengt maar eens iemand, die het met zijn geweten te kwaad heeft, in gezelschap met een gerichtsdienaar. Stel u eens voor, ge hebt een dief op de daad gegrepen en ge zegt tot hem: „kom vriend, we gaan naar den rechter." Hoe zou zijn gang zijn?
Niet om te beschrijven.
Nu, lezer, zoo laat de Heere de positie van. Zijn volk in duidelgke lijnen uittreden voor de oogen van den Profeet. Zij staan daar voor de rechtbank des Allerhoogsten en hun aanklager is Satan.
Hebt ge 't goed verstaan ? De Satan heeft hier Gods volk in hun vertegenwoordiger, hun Hoogepriester, naar voren geschoven, We zouden haast zeggen: „gesleept, " Hij heeft hen daar gesteld. Hij is aan hun rechterhand gaan staan. d. w. z. hij is de rechtspositie gaan bekleeden. Hij vraagt van den Allerhoogste het allerhoogste recht.
O, wat zal dat slecht uitkomen. Daar is een nauwelijks ingehouden glimlach om Satans lippen te merken. Hier moeten ze het verliezen. Het vonnis moet voltrokken. Daar is nooit één punt tot hun verontschuldiging aan te voeren. Zij moeten weggejaagd worden, overgegeven in zijne hand.
Aan de rechterhand des Heeren Satan om te verklagen, kunt ge 't u goed indenken? We weten schier niet waarheen 't eerst te moeten wijzen.
Laat ons eerstelijks hierop uw oog vestigen. Wat komt het wezen, het werken en bedoelen van Satan hier duidelijk uit.
Waarvan heeft die Hoogepriester zijne vlekken ? Waardoor is hij en zijn volk bezoedeld ? Ge kunt me nooit een anderen oorsprong wijzen — ook al blijft aan hem zelf en de zijnen de schuld — toch stamt het in laatste instantie uit Satan zelf. Hij heeft hen verlokt tot het kwade, en nu ze gehoor hebben gegeven, stelt hij hen in staat van beschuldiging bij den Heere. Dat is i. e. w. satanisch. Aanzetten tot het kwaad en wanneer het gedaan is, niet alleen naar den rechter loopen, maar hen er heen sleuren.
Wat moest die mensch toch met zoo'n duidelijk blijk van kwade gezindheid bang worden van Satan. Hij spoort aan, om straks tegen u op te treden. Elke zonde werpt hij u in het hart, hij prikkelt, zet aan, laat niet los voor ge gevallen, zucht onder zijne aanklachten.
Is dit één punt, op meer dient gewezen.
Voor Gods volk is hier veel te leeren. Te midden van donkere wegen kunnen de klachten hen nacht en dag volgen, ala ze overal hooren: „gij zijt een verloren man", daar gij het recht geheel tegen u hebt, is het met u al afgeloopen. De Heilige en Rechtvaardige, die geen enkel stipje van het kwaad kan toelaten, moet u aan Satans hand overgeven. Aan de rechterhand van den schuldige staat Satan.
Mogen we eens een enkele lijn aangeven ? Ge hebt oog gekregen en oor voor de stemme des Heeren. De zonde is voor u levend geworden; waar ge vroeger niets in zaagt, ja wat u een lust was, ge hadt een die u aanporde — ge zult hem nu wel herkennen — ge hebt uw jonge, heerlijke leven verbrast, langs zondige wegen zijt ge voortgehold, en nu wijkt hij, die u er vroeger toe aanzette, van uwe zijde niet. Hij staat altijd aan uw rechterhand. Nooit laat hij af: deze man en die vrouw zult gij. Rechtvaardig God, mij nu wel overgeven. Het kan niet anders.
Ja, de zonde en ongerechtigheden weet hij ordentelijk voor te stellen, in orde gaan ze voorbij, en op alles moet geantwoord door den zondaar: „Het is volkomen waar." „Ik kan er niets tegen zeggen."
Welk een positie, zoo de aanklacht te hooren en als echo te vernemen: het oordeel verdiend.
Voor het aangezicht des Heeren, met den Verleider als verklager, met een open geweten, is een proef van wat de eeuwigheid zijn zal voor de zondaren, die geen Borg hebben. Maar nu is het hier een proef die overgaat.
Jozua, de Hoogepriester, met het volk, dat op zijn borstlap rust, dat schuldig is, zal hier aan den Verklager ontrukt. Deze staat aan de rechterhand. Daar is hij — let er wel op — geplaatst, hoewel hij meende dat hij uit zichzelf ging. Sion moet n.l. door recht verlost worden. Het volk dat ingaat in Gods heiligen tempel, in den hemel der heerlijkheid, afgeschaduwd weleer door het binnenste heiligdom, waar alleen het vlekkeloos reine mocht ingaan, moet van alle zijden onderzocht zijn, ook door Satan. Deze moet maar alles inbrengen wat hij weet, opdat er niets overblijft voor later.
Nu, hiertoe behoeft Satan niet aangespoord. Eén ding evenwel waarop hij niet heeft gelet. Waar hij het volk Gods sleurt voor het gericht, daar ontmoet hij — laat het u vooral niet ontgaan — den Engel des Heeren. O, lees het nauwkeurig, heilbegeerige, bekommerde ziel. De Satan denkt te verderven, hij stelt zich op het standpunt van het recht, maar hij ontmoet, omdat hij zich vergist in dit ééne punt — hier een God van genade, 't Is de Engel des Heeren. 't Is de God, Die goddeloozen rechtvaardigt. Die zondaren, tegen wie Satan getuigt, uit enkel welbehagen zaligt.
O, heerlijke rechtspraak. Ge hebt het nog nooit zoo gevoeld, ge waart bang voor hem — en terecht, maar weet ge, waar hij u gebracht heeft? — voor het aangezicht van den Engel des Heeren, d. i. aan de voeten van Christus. Als Satan u niet verklaagd had, zoudt ge er niet aan hebben durven denken, maar nu... .
Satan kan nog nooit anders doen dan wat de herdershond doet bij de kudde ~ ik wil het beeld nog meer getrouw nemen — wat de wolf doet: zijn angstgehuil jaagt naar de stalling, naar den Herder, naar den Behouder. Satan kan wel verklagen, maar niet ten doode doemen.
De Engel des Heeren staat den wederpartijder. Hij neemt het dadelijk voor dien schuldigen Hoogepriester, voor dat bezoedelde volk op.
Ge moet eens even zien, hoe de Engel des Heeren staat en welke plaats Hij bekleedt: De Heere zeide.
Heerlijk in duidelijkheid, vindt ge niet? Hier treedt de Engel uit, zooals Hij is: de Heere Zelf. Hij spreekt niet van „Ik", maar: de Heere, daarmede aangevend, hoe Hij hier staat als verdediger van dat arme volk.
De Drieëenige zal oordeelen, gewis, het zal het oordeel zijn naar het strikste recht, maar dan zal het gehouden worden met den Borg en in Hem en door Hem; Hij zal het opnemen voor de Zijnen.
En nu wijst Hij zoo heerlijk naar de diepste bron. Gij Satan, gij vergist u; ge meent, dat de liefde Gods rust op de toegenegenheid van het schepsel, of dat er aan hunne zijde eenige verdienste schuilt. Neen, daarin vergist ge u, 't is Zijn vrije, ongehoudene liefde. Zijn vrijmachtig welbehagen.
De Heere schelde u, ja, de Heere schelde u, Die Jeruzalem verkiest. Diezelfde God, wil de Heere zeggen. Die Zijn liefdevleugelen van oudsher over haar uitgebreid heeft, waardoor ze geplant werd, en straks herbouwd, zal u verjagen, wegdrijven door Zijne sprake. Immers dat beteekent hier schelden. Denkt maar aan de golven van de Roode Zee. Hiervan staat: „Gij scholdt de wateren", d. w, z.: Gij dreeft ze weg.
Nu, diezelfde God, Die in Zijne verkiezende genade Jeruzalem eene plaats heeft gegeven, Zijn volk heeft, om vat, zal Satan wegjagen, wegdrijven van voor Zijn rechterstoel.
Satan kan het er niet houden.
En nu geeft de Heere er eene explicatie bij, niet voor Satan, dat moet ge nooit meenen, daarom is de Schrift niet geopenbaard, alleen voor den armen, schuldigen mensch. De Heere zegt: „is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt."
Verstaat ge dit, arme zondaar?
Terwijl hij, de verderver, de kolen opblies, u boven het vuur hield, u midden in het verderf inplantte, greep de Heere u, uit vrije genade, 't Was enkel Zijne verkiezende liefde, anders waart gij daar gebleven.
Maar nu Hij greep, zijt gij ontkomen. Gij zult niet, nooit vallen in zijne hand.
Satan, zegt de Heere, gij zult worden weggedreven, weggestooten, gescholden. En gij, sidderende, bange ziel, wees maar niet bang, uwe versaagdheid kan wegsmelten onder de liefde Gods. Waar gij de vlammen hebt geroken en het vuur hebt geproefd, waar gij bijna verteerd werdt — gij hebt u reeds heelemaal de prooi gevoeld des verderfs — daar heeft de Heere u uitgerukt. Dat zat niet in u, maar alleen in God. 't Was Gods keuze van eeuwigheid.
O, voelt ge den troost, die hier druppelt in het gewonde hart? 't Is olie in de wonde. „Die Jeruzalem verkiest, "
Maar nu de vraag, waaraan niet kan ontkomen: Heb ik het vuur gevoeld? Ben ik ook zoo'n vuurbrand? Heeft de Duivel mij voor het aangezicht des Heeren gebracht? Dan is het u bang geweest, Aan de linkerhand van Satan te staan wil zeggen: ge hebt op alles wat hij voorbracht moeten antwoorden: 't is waar, volkomen waar, hij overdrijft ditmaal niet. Maar 't is er niet bij gebleven. De Engel des Heeren geeft een.sprake van zich: „al zijt ge als een sterk rookend hout. Ik grijp u."
'k Sprak kort geleden een kind des. Heeren. Weet ge wat hij zeide: „wat ben ik blij dat er eene verkiezing Gods is — nu kan ik rusten, anders zou ik zeker vergaan! Ik zou het vuur nog weer aanblazen uit de uitgedoofde kole. Nu houdt Hij het koel. Hijj waakt over mij. Die Jeruzalem verkiest.
Is Hij ook uw Bewaker?.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's