Uit het kerkelijk leven.
Het reeht der Modernen in de Herv. Kerk.
In No. 51 namen we op wat Dr. Niemeyer .in een brochure gezegd heeft over het recht der Modernen in de Ned. Herv, Kerk, waarbij hij z'n verwondering uitsprak over het feit, dat er nog orthodoxen zijn, die het ontkennen dat de Modernen recht hebben om in de Herv, Kerk te blijven.
Die orthodoxen zeggen dan, dat de Modernen de grondslagen der Kerk ondermijnen en de voornaamste punten van haar belijdenig verwerpen; waarom ze, wanneer ze eerlijke menschen waren, menschen van karakter, de Herv. Kerk moesten verlaten, zooals Pierson, Hugenholz enz. deden.
Maar — Dr, Niemeyer begrqpt van die redeneering der orthodoxen niets.
Want ze hebben het recht niet om zóo te spreken.
En hij gelooft, dat ze het enkel en alleen doen om hun eigen figuur nog zoowat te dekken,
We willen even aanhalen wat hij schrijft: „Ik heb mij dikwijls verwonderd over de groote vrijmoedigheid — brutaliteit, mocht ik eigenlijk wel zeggen — waarmee deze dingen worden beweerd.
Maar ik meen thans te weten, wat van die dikke woorden de oorzaak is.
Blijkbaar beginnen de orthodoxe leerdrijvers te beseffen, dat zij in de Kerk een scheeve positie innemen — en het opkomend besef daarvan willen ze nu tot zwijgen brengen door heftige woorden uit te schreeuwen aan het adres der vrijzinnigen.
Maar hoe de orthodoxen ook schreeuwen in hun netelige positie, „in elk geval is de toestand zóo, dat de vrijzinnigen op hun plaats in de Kerk het meest volkomen wettelijk en zedelijk recht hebben en dat de orthodoxen, die de Kerk opeischen alleen voor hun geestverwanten, zich verregaand aanmatigend gedragen en een houding aannemen, die — zacht uitgedrukt — onzuiver moet heeten."
„De zaak is" — zoo voegt Dr. Niemeyer er heel kalm bij — „de zaak is volstrekt niet ingewikkeld."
Volgens Dr. Niemeyer hebben de Modernen het meest volkomen wettelijk en zedelijk recht in de Herv. Kerk.
En de orthodoxe leerdrijvers gedragen zich verregaand aanmatigend en nemen een houding aan die onzuiver moet heeten.
Dat willen we eens even nagaan.
En we willen het doen aan de hand van 'tgeen Dr. Niemeyer zelf zegt.
Ieder voelt, dat onze Herv. Kerk geen belijdenis meer moet hebben als de vrijzinnigen wettelijk en zedelijk recht hebben in onze Kerk.
Dan moet de belijdenis der Kerk geheel zijn afgeschaft.
Dan moet in de reglementen onzer Kerk het meest volkomen uitkomen, dat er van een kerkelijke belijdenis geen sprake is.
Want als er nog vezeltjes van een belijdenis over zijn en de reglementen raken die vezeltjes der belijdenis aan — dan vreezen we, dat er van het meest volkomen wettelijk en zedelijk recht der Modernen niet veel overblijft.
Iets wat Dr. Niemeyer ook voelt.
En omdat hij dat voelt, redeneert hij ook als volgt:
„De zaak is volstrekt niet ingewikkeld." „Oudtijds was de Hervormde Kerk een belijdeniskerk. Dat wil zeggen, dat zij van hare leden instemming verlangde met een bepaalde belijdenis en wel met de zoogenaamde formulieren van eenheid, de Nederlandsche geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Dordtsche leerregelen."
Hier willen we even een streep onder zetten I
Want deze redeneering moeten we onthouden.
Onze Hervormde Kerk was dus oudtijds een belijdeniskerk (over dit woord vallen we nu niet; ieder begrijpt wat Dr. N. er mee bedoelt) en oudtijds werd van de leden der Kerk instemming verlangd met een bepaalde belijdenis en wel met de formulieren van eenheid.
Maar... zoo valt Dr. N. ons aanstonds in de rede, zij is dat echter niet gebleven nl. belijdeniskerk.
„Bij het doordringen van nieuwe denkbeelden rezen bij velen bezwaren tegen de formulieren van eenheid.
Allerwege verhief zich een meer vrijzinnige geest en ging men afkeer gevoelen van belijdenisdwang, behoefte aan ruimte en verdraagzaamheid." Wat dat laatste betreft, spreekt Dr. N. naar waarheid.
In de dagen der Apostelen waren er reeds die allerlei dwalingen en leugens leerden en de mannen Gods voor bekrompen en onverdraagzaam uitmaakten. Maar de leerlingen van Jezus waarschuwden tegen die verleiders en zeiden, dat men ze teekenen zou en na vermaning uit de gemeente zetten, wanneer ze weigerden zich te onderwerpen aan de tucht van het Woord. En zoo zijn ook na de Reformatie, toen de Kerk des Heeren hier in Nederland was teruggebracht tot de waarheid naar de Schriften, al spoedig mannen opgestaan als Arminius en Balthasar Bekker om allerlei leugens en dwalingen te importeeren.
Maar de Synode van Dordt, waar de Kerk des Heeren uit Nederland en uit het Buitenland vergaderd was, heeft menige dwaling in het helderste licht gezet en aangetoond, dat de Remonstranten — waarop de Modernen van onze dagen veel lijken — wettelijk en zedelijk alle recht het meest volkomen misten om in de Geref. Kerk te blijven.
En na dien tijd zijn er telkens weer leugenprofeten opgestaan, die helaas! veel te veel voet kregen en veel te lang geduld zijn, maar die tegenover de belijderds onzer Geref. Kerk steeds wettelijk en zedelijk alle recht het meest volkomen misten om in de Geref. Kerk te blijven.
De zaak is volstrekt niet ingewikkeld.
Een blinde kan ze zien. Een doove kan ze hooren. Eenvoudiger zaak is er niet.
Want onze Geref; Kerk was een belijdeniskerk en vroeg van hare leden instemming met een bepaalde belijdenis en wel met de Formulieren van Eenigheid.
Dtis: dat er nieuwe denkbeelden rezen bij velen en dat allerwége zich een meer vrijzinnige geest verhief, dat nemen we aan.
Dat is van den beginne zoo geweest. En dat zal wel zoo blijven.
Maar onze Hervormde Kerk stond daar als belijdenis-Kerk, die van kerkleden instemming verlangde met een bepaalde belijdenis en wel met de zoogenaamde formulieren van eenheid, de Nederlandsche geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Dordtsche leerregelen, zooals Dr. Niemeyer naar waarheid opmerkt.
„Wel hebben die formulieren van eenheid nooit zoo onbeperkt geheerscht als zij, die in onze dagen terug wenschen naar de „oude paden", het gaarne voorstellen", laat Dr, N. er op volgen.
„Maar" — zoo zegt hij zelf — „maar, dat doet in dit verband minder ter zake".
Dat zeggen wij óok.
Want het feit wearom het gaat is: oudtijds was de Hervormde Kerk een belijdeniskerk.
* **
Zij is dat echter niet gebleven" vervolgt Dr. Niemeyer.
Ah, zoo!
Sedert wanneer is de Herv. Kerk dan geen belijdenis-Kerk meer ? .
Ja — dat zegt Dr. N.nu eigenlijk liever niet. Want, ziet u, dan kon dat meest volkomen wettelijk en zedelijk recht van de Modernen wel eens in gevaar komen.
En dat zou toch jammer zijn.
Want dan kwam tegelijk ook uit, dat de orthodoxen geen scheeve positie innemen en de Modernen, als eerlijke menschen, onze Herv. Kerk moesten verlaten.
Hoe of Dr. Niemeyer het dan klaar speelt, om te bewijzen dat onze Herv. Kerk belijdenis-Kerk was maar er nu totaal geen belijdenis meer op na houdt? 1^^ I
Wel — hij zegt eenvoudig dat het zóó is '
En hij zegt er dan bij: „de zaak is volstrekt niet ingewikkeld."
Dan is 't meteen klaar.
En wie dan nog durft te twijfelen is „dom" en „brutaal."
We willen de volgende maal verder gaan.
{Wordt vervolgd.)
* Nog al eenvoudig.
In een verslag van de Algem. Provinciale leden-vergadering der Confessioneelen in Zuid-Holland geeft de correspondent in verschillende bladen weer, dat de heer Duymaer van Twist daar op de Confessioneele vergadering gezegd heeft:
„Aan wie danken wij 't, dat wij 's Zondags nog gezangen mogen zingen? "
Om er dan onmiddellijk op te laten volgen: „dat danken we aan diegenen, die geen gezangen hebben willen zingen."
Een inzender in „de Geref. Kerk" vermaakt zich over deze zinnen.
En zegt: daar begrijp ik niets van!
Terwijl de hoofdredacteur ook op meer licht is wachtende, want héél duidelijk is 't hem ook niet.
En geen wonder.
Want de correspondent had natuurlijk in de eerste zinsnede van psalmen moeten spreken in plaats-van gezangen.
Dan zou heel de zaak loopen alsof 't gesmeerd is.
Aan wie hebben we het te danken, dat we 's Zondags nog psalmen mogen zingen?
Dat ons Psalmboek nog niet weg is uit de Kerk? Dat onze Psalmen nog niet opgesmolten zijn in een „Liederenboek", met een 300 à 400 Kerkgezangen? "
Dat hebben we te danken aan die duizenden en duizenden die in de Kerk geen gezangen willen zingen.
Die hebben, in den middellijken weg, de plannen van onderscheidene Hervormden, die ons een Liederenboek wilden bezorgen, verijdeld.
En daarom mag men de niet-gezangenzingers wel erg dankbaar zijn.
Gelijk ze gelooven, ook voor andere dingen in onze Herv. Kerk nog tot een zegen te zijn geweest en nog tot een zegen te kunnen woren, door Gods genade daartoe verwaardigd.
Zegt het voort.
Wanneer er belangrijke dingen zijn is het goed om ze „voort te zeggen".
Dan weten anderen ze ook.
Zoo denkt ook Ds. Lingbeek van Spijk er over.
Er zijn groote dingen van den Geref. Bond te te melden.
En wel, dat „de Waarheidsvriend" vóór Dr. Kuyper en tegen Dr. Hoedemaker op kwam.
Ook vreeselijk!
„De Waarheidsvriend" geeft altijd zoo hoog op van hare liefde voor onze Kerk.
Maar 't zou wat, zoo zegt Ds. Lingbeek
Men moest alles maar eens weten!
Men moest maar eens weten, dat men daar in dien Geref. Bond niet met Dr. Hoedemaker dweept en dat men Dr. Kuyper zelfs wel eens durft verdedigen, wanneer hij belasterd wordt.
Neen — 't is waar — men gaat daar niet met Dr. Kuyper mee in alles. Men wil niet een weg van doleantie. Daarin verschilt men van Dr. Kuyper.
Dat is van den beginne afaan door de mannen van den Geref. Bond gezegd en ze hebben ook altijd nog getoond dat het waar is wat ze zeiden.
Ze zijn in deze nog niets veranderd.
Er kan in deze niets ten nadeele van hen gezegd worden.
Integendeel, de mannen van den Geref. Bond doen alles wat in hun vermogen is om de positie der Geref. Hervormden sterker te maken op kerkelijk terrein, op het terrein van de zending, op het terrein van de school, op het terrein van jongel, vereenigingen, op het terrein van de politiek.
Maar ze dweepen toch maar niet met Dr. Hoedemaker en ze geven Dr. Kuyper wel eens gelijk.
Neen, neen, laat „de Waarheidsvriend" maar niet zoo hoog opgeven. van de liefde voor onze Kerk.
„We weten het dan nu, dat die liefde eene liefde is op de manier van Dr. Kuyper en niet van Dr. Hoedemaker."
Zegt het voort! roept Ds. Lingbeek.
Van liefde tot onze Kerk gesproken — en van Dr. Hoedemaker.
Wie weet niet, dat Dr. Hoedemaker de man geweest is, die in Hervormden kring te Utrecht geweldig te keer ging .tegen den naam „gereformeerd" bij de oprichting van het Christelijk gymnasium?
En wat is door de slappe houding der confessioneelen het gevolg van de heele geschiedenis geworden ?
Wat Dr. Kromsigt zelf meer dan eens geconstateerd heeft: door het vijandig zich stellen tegenover het type de Lind van Wijngaarden— Visscher is men in handen gevallen van de ethischen.
En met het Haagsche gymnasium staat het niet veel beter.
Vijandig stond men van confessioneele zijde tegenover de gereformeerden in onze Herv. Kerk.
En het resultaat is, dat het werk in handen kwam van mannen, die niet-gereformeerd zijn!
En waar zitten de confessioneelen op schoolgebied ?
Immers in „Volksonderwijs" — dat door en door ethisch is.
Waar zit men op Zendingsgebied?
Waar blijft men op het terrein van het vereenigingsleven ?
Men is vierkant vijandig tegenover alles wat door de gereformeerden in de Herv. Kerk gedaan wordt, om de gereformeerden in de Kerk te verzamelen en de positie van de gereformeerden in ie Herv. Kerk te versterken en de gereformeerden te laten doen, wat naar uitwijzen van Gods Woord behoorlijk, nuttig en noodig is.
De Confessioneelen laten ons praten, zitten altijd tusschen de ethischen en schamen zich voor de gereformeerden.
De goeden niet te na gesproken!
Hierbij roepen wij niet triumfantelijk uit: „zegt het voort!"
Dat laten we aan Ds. Lingbeek over.
En wij hopen van harte, dat de Heere nog eens verandering brenge in deze.
Dat nog eens bij elkaar mag komen, wat bij elkaar hoort.
Maar dan rondom de gereformeerde banier.
De algemeen christelijke banen lokken ons in deze niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's